Bewijsverkrijging

Slowakije
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De procedure volgens welke de rechter tijdens de terechtzitting bewijs verkrijgt, is gebaseerd op artikel 48, lid 2, van de Grondwet.

Indien passend kan een andere rechtbank worden verzocht bewijs te verkrijgen of kan buiten een zitting om bewijs worden verkregen. Als buiten een zitting om bewijs wordt verkregen, stelt de rechter de partijen in de procedure daarvan gewoonlijk vijf dagen van tevoren in kennis. De partijen in de procedure hebben het recht om bij een dergelijke bewijsverkrijging aanwezig te zijn.

De partijen moeten de bewijsmiddelen aandragen om hun stellingen te bewijzen. De rechter beslist welke aangedragen bewijsstukken hij in aanmerking neemt.

De rechter kan bij wijze van uitzondering andere dan de door de partijen aangeboden bewijsmiddelen in aanmerking nemen als dat nodig is voor een beslissing in de zaak.

De rechter kan beslissen dat verkregen bewijsmateriaal wordt aangevuld of opnieuw wordt onderzocht.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Er geldt een uitzondering op het verkrijgen van bewijsmateriaal tijdens een zitting wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor het geven van een beslissing zonder mondelinge behandeling. Dit betekent niet dat in dergelijke gevallen geen bewijs wordt verkregen, maar dat het bewijs niet tijdens de zitting maar buiten de zitting om wordt verkregen. De bewijsverkrijging is kwalitatief vergelijkbaar met het aantonen van een stelling.

Dergelijke uitzonderingen zijn onder meer:

  • behandeling ten gronde van een zaak waarbij het gaat om een eenvoudige juridische beoordeling van de feiten;
  • de door de partijen gestelde feiten worden niet betwist en de waarde van het geschil, exclusief bijkomende kosten, is niet hoger dan 2 000 EUR;
  • op grond van de toestemming van de partijen; indien een betalingsopdracht, een beslissing bij verstek of een beslissing tot erkenning wordt gegeven, en wanneer afstand van een vordering wordt gedaan.

Verder hoeft geen zitting te worden gelast in procedures over toetsing in abstracto in consumentenzaken, wanneer een beslissing bij verstek ten gunste van een consument wordt gegeven, in antidiscriminatiegeschillen op voorwaarde dat de eiser ermee instemt, in individuele arbeidsgeschillen, en in geval van verzoeken tot het opleggen van een spoedmaatregel.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Bij de beoordeling van het bewijs is de rechter in beginsel niet gebonden aan wetgeving over de wijze waarop hij de juistheid van een bepaald bewijsstuk moet beoordelen. Dit betekent dat het beginsel van discretionaire beoordeling van bewijsmateriaal wordt toegepast. Het komt zelden voor dat de wet aan de rechter bepaalde beperkingen oplegt als het gaat om de beoordeling van het bewijsmateriaal; zo moet de rechter alle feiten waarvoor de wet een weerlegbaar vermoeden vermeldt als bewezen feiten aanvaarden, tenzij in de procedure het tegendeel wordt bewezen (artikel 133 Burgerlijk Wetboek).

De rechter is gebonden aan beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hij is eveneens gebonden aan de beslissing van het grondwettelijk hof over de vraag of bepaalde wetgeving in strijd is met de Grondwet, een wet of een internationaal verdrag dat bindend is voor de Slowaakse Republiek. De rechter is voorts gebonden aan de beslissingen van het grondwettelijk hof van de Slowaakse Republiek en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden raken. Bovendien is de rechter gebonden aan beslissingen van bevoegde organen dat een misdrijf, overtreding of administratief delict is gepleegd dat strafbaar is in het kader van specifieke wetgeving; de rechter is echter niet gebonden aan beslissingen met betrekking tot ter plaatse opgelegde boetes.

Daarnaast kan een rechter punten onderzoeken die binnen de beslissingsbevoegdheid van een andere instantie vallen. Indien echter de bevoegde instantie een beslissing over een dergelijk punt heeft gegeven, houdt de rechter rekening met deze beslissing en neemt hij deze op in de motivering van zijn uitspraak (eerbiediging van eerdere beslissingen).

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De partijen in de procedure moeten het bewijs aandragen om hun stellingen te bewijzen. De rechter beslist welke aangedragen bewijsstukken hij in aanmerking neemt. De rechter kan ook ambtshalve bewijs verkrijgen in geval van bewijs dat gebaseerd is op openbare registers en lijsten, als uit deze registers en lijsten blijkt dat de door de partijen gestelde feiten niet stroken met de werkelijkheid; ander bewijs wordt niet door de rechter ambtshalve verkregen.

Daarnaast kan de rechter ambtshalve bewijs verkrijgen om vast te stellen of aan de procedurele voorwaarden is voldaan dan wel of de voorgestelde beslissing uitvoerbaar is, en ook om zich vertrouwd te maken met de betrokken buitenlandse wetgeving.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter verkrijgt bewijs tijdens de terechtzitting, tenzij is voldaan aan de voorwaarden voor het geven van een beslissing zonder dat een mondelinge behandeling plaatsvindt.

De partijen hebben het recht om opmerkingen in te dienen over verzoeken tot het leveren van bewijs en over bewijs dat is verkregen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter beoordeelt het bewijsmateriaal naar eigen goeddunken, bekijkt elk bewijsstuk afzonderlijk en alle bewijsstukken in relatie tot elkaar en neemt alle zaken die in de procedure aan het licht zijn gekomen, zorgvuldig in overweging. De betrouwbaarheid van elk verkregen bewijsstuk kan worden betwist, tenzij de wet anders bepaalt.

Er geldt een bepaalde beperking betreffende de discretionaire beoordeling van het bewijsmateriaal voor de rechter in hoger beroep en de rechter die beroepen over rechtsvragen behandelt, waar de rechter in hoger beroep niet is gebonden aan de feiten van de zaak zoals die door de rechter in eerste aanleg zijn vastgesteld. Dit betekent dat de rechter in hoger beroep wat betreft de feiten tot een andere conclusie kan komen. Hij kan echter niet afwijken van de beoordeling van het specifieke bewijsmateriaal dat door de rechter in eerste aanleg is verkregen. Hij kan het door de rechter in eerste aanleg verkregen bewijsmateriaal alleen anders beoordelen als hij dat bewijs opnieuw onderzoekt. Anders dan de rechter in eerste aanleg evenwel kan hij het bewijsmateriaal dat een lagere rechter per rogatoire commissie heeft verkregen, wel anders beoordelen.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Alles wat kan bijdragen tot het verduidelijken van de zaak en op rechtmatige wijze is verkregen op basis van de bewijsmiddelen, kan als bewijs dienen. Bewijsmiddelen zijn onder meer het horen van de partijen en getuigen, documenten, deskundigenrapporten, getuige-deskundigen en plaatsopnemingen. Als de wijze van bewijsverkrijging niet is voorgeschreven, wordt deze door de rechter vastgesteld.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Een getuige is een persoon die losstaat van de rechtbank en van de partijen in de procedure en die een verklaring aflegt over feiten die hij met zijn zintuigen heeft waargenomen. Alleen natuurlijke personen kunnen optreden als getuige.

Bij kwesties die onder de bevoegdheid van de burgerlijke rechter vallen, is vaak een deskundigenoordeel over de feiten nodig dat als feitelijke basis voor beslissingen over de grond van de zaak dient. Wanneer een beslissing over de grond van een zaak afhankelijk is van een beoordeling van de feiten waarvoor deskundigheid is vereist, wijst de rechter een getuige-deskundige aan. In een dergelijk geval is de rechter verplicht ook een getuige-deskundige aan te wijzen, ook al beschikt hij zelf over de deskundigheid die hem in staat stelt het onderwerp van de procedure op deskundige wijze te beoordelen. Deze kennis kan niet in de plaats treden van de objectieve vaststelling van de feiten door een partij buiten het orgaan dat erover beslist.

De belangrijkste taak van de rechter is het correct formuleren van de vragen voor de getuige-deskundige. De rechter mag de getuige-deskundige alleen vragen stellen over de feiten en moet vragen vermijden die betrekking hebben op de juridische beoordeling van het onderwerp van het deskundigenoordeel.

De rechter kan het oordeel laten toetsen door een andere getuige-deskundige, of door een wetenschappelijke of andere instelling. Een dergelijke second opinion betreft een toetsing van het eerdere oordeel. Dit wordt soms aangeduid als het "toetsingsoordeel". De rechter onderzoekt deskundigenoordelen op dezelfde wijze als het andere bewijsmateriaal.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

De rechter beoordeelt afzonderlijke bewijsstukken op betrouwbaarheid en juistheid. De rechter is niet gebonden aan wetgeving wat betreft de wijze waarop hij een bepaald bewijsstuk moet beoordelen. Dit is het beginsel van discretionaire beoordeling van bewijsmateriaal. Toch is de beoordeling door de rechter niet arbitrair; de rechter moet rekening houden met alles wat in de procedure aan het licht is gekomen. De rechter moet deze feiten eerbiedigen en moet op de juiste wijze bepalen hoe ze zich tot elkaar verhouden. Anderzijds is de rechter niet gebonden aan enige rangorde van prioriteit als het gaat om het belang en de bewijskracht van afzonderlijke bewijsstukken.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

In kwesties waarin de procedure kan beginnen zonder een vordering en in procedures inzake toestemming voor een huwelijk, vaststelling en ontkenning van ouderschap, adopteerbaarheid en adoptie, alsmede in handelsregisterzaken moet de rechter aanvullend bewijsmateriaal verkrijgen dat nodig is om de feiten vast te stellen, ook als de partijen dergelijk bewijsmateriaal niet hebben aangeboden.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Elke natuurlijke persoon die wordt opgeroepen, is verplicht om voor de rechter te verschijnen en te getuigen (artikel 126, lid 2, van de Regels voor contentieuze civiele procedures). Hij moet de waarheid vertellen en mag niets verzwijgen. De rechter wijst de getuige op de strafrechtelijke gevolgen van het afleggen van een valse getuigenverklaring en op zijn recht om te weigeren een verklaring af te leggen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Getuigen kunnen uitsluitend weigeren een getuigenverklaring af te leggen wanneer dat belastend kan zijn voor henzelf of hun naasten. De rechter beslist of de weigering om te getuigen rechtmatig is. Een getuige kan ook weigeren een verklaring af te leggen als zijn getuigenis het biechtgeheim zou schenden of een inbreuk zou vormen op de vertrouwelijkheid van de informatie die aan hem als met pastorale zorg belaste persoon mondeling of schriftelijk is verstrekt op voorwaarde van vertrouwelijkheid.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

De rechter beslist over de rechtmatigheid van de weigering om te getuigen. Tegen de beslissing ingestelde beroepen zijn niet ontvankelijk. Als de getuige ondanks de beslissing weigert een verklaring af te leggen, kan de rechter hem een procedurele boete opleggen.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De rechter moet de wettelijke vertegenwoordiger van een organisatie die partij is in een civiele procedure altijd horen als partij in deze procedure en niet als getuige (artikel 185 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor Contentieuze Civiele Procedures).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Alvorens de getuigen te horen, stelt de rechter hun identiteit en hun relatie met de partijen vast. Bovendien moeten getuigen worden gewezen op het belang van de getuigenverklaring, hun rechten en plichten, de strafrechtelijke gevolgen van het afleggen van een valse verklaring, en hun recht op een getuigenvergoeding.

De rechter vraagt de getuige om op samenhangende wijze alles te beschrijven wat hij weet over het onderwerp van het verhoor. De rechter stelt de getuige vervolgens vragen die nodig zijn om de getuigenverklaring aan te vullen en te verhelderen.

Aan een getuige mogen geen tendentieuze of suggestieve vragen worden gesteld. Als aan de partijen in de procedure of de getuige-deskundigen dergelijke vragen of vragen over de juridische beoordeling van de zaak worden gesteld, verklaart de voorzitter de vragen ontoelaatbaar. De voorzitter beslist over de ontoelaatbaarheid van de vragen in een beschikking die niet wordt betekend en waartegen geen beroep kan worden ingesteld. De beschikking vormt slechts een onderdeel van het transcript van de terechtzitting.

Met toestemming van de partijen in de procedure kan de rechter een hoorzitting houden via een videoconferentie of andere communicatietechnologie.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Er wordt nogmaals op gewezen dat de rechter niet gebonden is aan wetgeving over de wijze waarop hij een bepaald bewijsstuk dient te beoordelen. Dit is het beginsel van discretionaire beoordeling van bewijsmateriaal (artikel 191 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor Contentieuze Civiele Procedures).

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

De rechter beoordeelt handelingen van de partijen en hun raadslieden en andere bij de procedure betrokken personen uitsluitend op grond van hun inhoud, en niet op basis van hoe deze personen die handelingen hebben aangeduid. Voor handelingen van de partijen geldt het beginsel van informaliteit. In beginsel hebben de partijen beslissingsvrijheid bij procedurele handelingen: ongeacht of hun getuigenverklaring schriftelijk wordt ingediend of als mondelinge verklaring in het proces-verbaal wordt opgenomen, de rechtsgevolgen zijn hetzelfde. De verklaring moet echter wel expliciet zijn geformuleerd of in zodanige bewoordingen zijn gesteld dat twijfel over de ware bedoeling ervan wordt voorkomen.

Laatste update: 25/09/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.