Bewijsverkrijging

Polen
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Kwesties in verband met bewijs en bewijsverkrijging zijn geregeld in artikel 6 Burgerlijk Wetboek (kodeks cywilny) en in de artikelen 227 tot en met 315 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (kodeks postępowania cywilnego).

Volgens artikel 6 Burgerlijk Wetboek ligt de bewijslast voor een feit bij de persoon die betoogt dat het te bewijzen feit rechtsgevolgen heeft. De bewijslast voor bepaalde feiten berust bij de eiser, terwijl die voor bepaalde andere feiten berust bij de verweerder.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Uitzonderingen op de regel dat de bewijslast voor een feit ligt bij de persoon die betoogt dat het te bewijzen feit rechtsgevolgen heeft, moeten rechtstreeks voortvloeien uit de wet.

In bepaalde, specifieke gevallen is het mogelijk de bewijslast bij de wederpartij te leggen, d.w.z. de bewijslast om te keren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er bewijs is vernietigd of als de bewijsverkrijging wordt belemmerd. In de jurisprudentie is het standpunt ingenomen dat, als een partij het met haar gedrag voor de partij bij wie de bewijslast ligt, volledig of in ernstige mate onmogelijk maakt feiten te bewijzen, het aan die eerste partij is te bewijzen dat die feiten zich niet hebben voorgedaan.

De kwestie van de bewijslast hangt nauw samen met de instelling van rechtsvermoedens. Ingevolge artikel 234 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een rechtsvermoeden bindend voor de rechter. In beginsel is weerlegging van een rechtsvermoeden aanvaardbaar.

Voorbeelden van rechtsvermoedens die aanleiding zijn voor andere voorschriften omtrent bewijsvoering, zijn goede en kwade trouw (artikel 7 Burgerlijk Wetboek), de aanname van levende geboorte (artikel 9 Burgerlijk Wetboek), onrechtmatigheid (artikel 24, lid 1, Burgerlijk Wetboek), de gelijkheid van aandelen van mede-eigenaars (artikel 197 Burgerlijk Wetboek), handelingen van de schuldenaar die nadelig zijn voor de schuldeisers (artikel 527, lid 3, en artikel 529 Burgerlijk Wetboek) en de gelijke waarde van de aandelen van deelnemers aan een maatschap (artikel 826, lid 2, Burgerlijk Wetboek).

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Overeenkomstig het beginsel van de vrije toetsing van het bewijs (artikel 233 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) beoordeelt de rechter naar eigen inzicht hoe betrouwbaar en sterk het bewijs is, op grond van een uitgebreid onderzoek van het verzamelde bewijs.

De rechter mag zijn overtuiging slechts baseren op naar behoren verkregen bewijs, overeenkomstig de vereisten gesteld aan de bronnen van bewijs en het beginsel van directe bewijslevering.

Deskundigenoordelen worden eveneens vrij beoordeeld door de rechter.

Daarnaast is bij artikel 243 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de mogelijkheid van bewijs van aannemelijkheid geregeld. Bewijs van aannemelijkheid is een alternatieve maatstaf voor bewijs in strikte zin en biedt geen zekerheid, maar maakt een verklaring over een feit alleen aannemelijk. Terwijl formele bewijsverkrijging de regel is, is bewijs van aannemelijkheid een uitzondering ten gunste van de partij die een bepaald feit aanvoert. In kwesties die bijkomend van aard zijn en in zaken die uitdrukkelijk zijn beschreven in de wetgeving, volstaat het bewijs van aannemelijkheid.

2 Het verkrijgen van bewijs

Iedere verklaring die door de eiser of door de verweerder wordt afgelegd, moet zijn gegrond op bewijs.

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De rechter kan bewijs toelaten dat niet is aangevoerd door een partij, maar dat bewijs mag alleen betrekking hebben op de verklaringen van die partij over concrete en betwiste feiten indien het in de loop van de zaak verzamelde bewijs naar het oordeel van de rechter niet volstaat om een uitspraak te kunnen doen (artikel 232 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

In beginsel laat de rechter bewijs toe op verzoek van de partijen, die immers verplicht zijn bewijs aan te dragen om tot een uitspraak te komen. De rechter onderzoekt echter of toelating van het door de partijen verstrekte bewijs nuttig of noodzakelijk is (artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij iedere bewijsverkrijging doet de rechter uitspraak over de toelating van dat bewijs, ook als hij bewijs ambtshalve toelaat.

In zijn afweging omtrent het wel of niet toelaten van bewijs dat is ingediend door een partij bij de procedure, gaat de rechter na:

  • of een gegeven feit relevant is voor de zaak (artikel 227 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • of het feit moet worden bewezen - het kan bijvoorbeeld gaan om iets wat algemeen bekend is (artikel 228, lid 1, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) of iets wat de partijen hebben erkend (artikel 229 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • of bepaald bewijs niet is uitgesloten in het desbetreffende geval (bv. artikelen 246 en 247 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • of het te staven feit niet al voldoende is toegelicht dan wel of het bewijs niet wordt aangevoerd met als doel de procedure te vertragen (artikel 217, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter verwerpt het verzoek van een partij tot het leveren van bewijs als het feiten betreft die niet van belang zijn voor de zaak (artikel 227 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), feiten die algemeen bekend zijn, en feiten die in de loop van de procedure zijn erkend door de wederpartij en die erkenning geen twijfels doet rijzen, evenals feiten die de rechter ambtshalve bekend zijn, zij het dat de rechter in dat geval de partijen op die feiten moeten wijzen tijdens de zitting (artikelen 228 en 229 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De rechter kan voor een beslissing in de zaak relevante feiten als vastgesteld beschouwen als die conclusie kan worden getrokken uit andere vastgestelde feiten (vermoeden van feiten, artikel 231 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

  • documenten (artikelen 244 tot en met 257 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Documenten zijn schriftelijke verklaringen en kunnen authentieke of onderhandse akten zijn. In het geval van authentieke akten die in de geëigende vorm zijn opgesteld door bevoegde overheidsinstanties, wordt aangenomen dat de officieel gewaarmerkte inhoud ervan juist is en dat zij inderdaad zijn afgegeven door de desbetreffende instantie.

  • getuigenverklaringen (artikelen 258 tot en met 277 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Niemand kan weigeren te verklaren als getuige, behalve de echtgenoten van de partijen, hun bloedverwanten in opgaande en neergaande lijn, (half)broers en -zussen en aangehuwde familieleden in dezelfde lijn en van dezelfde graad, evenals hun adoptieouders of -kinderen. Het recht om te weigeren een getuigenverklaring af te leggen duurt voort na beëindiging van het huwelijk of de adoptierelatie.

  • deskundigenoordeel (artikelen 278 tot en met 291 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Een deskundigenoordeel is een op bepaalde specialistische kennis gebaseerd oordeel over feiten, situaties en gebeurtenissen in de vorm van een onderzoek en toelichting waarmee de rechter beter in staat is de feiten goed te beoordelen en te beslissen over een bepaalde zaak.

  • plaatsopneming en bezichtiging (artikelen 292 tot en met 298 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Bij plaatsopneming en bezichtiging onderzoekt de rechter het bezit of de gesteldheid van personen, een plaats of een voorwerp rechtstreeks met behulp van zijn zintuigen.

  • verhoor van partijen (artikelen 299 tot en met 304 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Als er na bestudering van al het bewijs of bij gebrek aan bewijs nog onverklaarde feiten zijn die van belang zijn voor de zaak, beveelt de rechter het verhoor van de partijen om die feiten op te helderen.

Als een partij een rechtspersoon is, verhoort de rechter personen uit een orgaan dat gemachtigd is die partij te vertegenwoordigen.

Verder kan de rechter bewijs toelaten in de vorm van de uitslag van een bloedgroeptest, videobeelden, televisiebeelden, fotokopieën, foto's, plattegronden, tekeningen, geluidsopnamen op schijf of band en andere middelen voor de opname en opslag van beeld en geluid.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Ingevolge artikel 266 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de getuige voorafgaand aan het verhoor gewezen op zijn recht om niet te getuigen en op de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor valse getuigenis. De getuige legt vooraf een eed af tegenover de rechter.

Ingevolge artikel 271, lid 1, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de getuigenverklaring mondeling. De verklaring wordt voorgelezen aan de getuige en, indien van toepassing, aangevuld met zijn opmerkingen.

In de regel kunnen getuigen die nog niet zijn gehoord, niet aanwezig zijn bij het verhoor van andere getuigen (artikel 264 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering); getuigen die tegenstrijdige verklaringen afleggen, kunnen met elkaar worden geconfronteerd (artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De rechter kan een of meer deskundigen oproepen om hun oordeel te geven, en laat daarbij weten of een mondeling of schriftelijk oordeel is gewenst (artikel 278 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De deskundige kan weigeren te getuigen, om dezelfde redenen als getuigen (artikelen 280 en 261 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Ook de deskundige legt een eed af, tenzij de partijen hem ontheffen van die plicht. Een oordeel bevat altijd een motivering (artikel 285 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Deskundigen kunnen een vergoeding vragen voor hun werk (artikel 288 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Er zijn geen gronden voor aanvaarding van een formele hiërarchie van bewijsmiddelen ten aanzien van hun betrouwbaarheid en kracht bij beschouwing los van de feiten van een bepaalde zaak. Doorgaans beoordeelt de rechter het bewijs naar eigen inzicht (artikel 233 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In zijn beoordeling neemt de rechter het beginsel van de artikelen 246 en 247 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht; volgens dat beginsel gaan bewijsstukken boven verklaringen van getuigen of partijen.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Voor sommige rechtshandelingen bestaan specifieke vormvoorschriften en de eis om die voorschriften na te leven kan zijn vastgesteld in de wetgeving of een overeenkomst tussen de partijen. Schriftelijk bewijs volgens artikel 74, lid 1, Burgerlijk Wetboek (ad probationem) heeft als doel dat bij niet-nakoming van de eisen van de wetgeving of de overeenkomst, de persoon die een handeling niet overeenkomstig de desbetreffende vormvoorschriften heeft verricht, nadelige procedurele gevolgen daarvan ondervindt, aangezien zijn mogelijkheden voor bewijsverkrijging dan worden beperkt.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

In beginsel is het niemand toegestaan te weigeren te verklaren als getuige. Getuigen is zelfs een wettelijke verplichting. Die verplichting behelst drie vereisten:

  • op een bepaald tijdstip voor de rechter verschijnen;
  • getuigen;
  • een eed afleggen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

In artikel 261 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn echter bepaalde uitzonderingen vastgesteld op de regel dat niemand mag weigeren te getuigen; ingevolge dat artikel is weigering wel toegestaan voor de echtgenoten van de partijen, hun bloedverwanten in de opgaande en de neergaande lijn, (half)broers en -zussen en aangehuwde familieleden in dezelfde lijn en van dezelfde graad, evenals hun adoptieouders of -kinderen. Het recht om te weigeren een verklaring af te leggen duurt voort na beëindiging van het huwelijk of de adoptierelatie.

In zaken die de gezinsstatus betreffen, is het niet toegestaan te weigeren een verklaring af te leggen, behalve bij echtscheiding.

Voorafgaand aan het verhoor informeert de rechter de getuige over diens recht te weigeren een verklaring af te leggen en vragen te beantwoorden. De redenen voor de weigering (schriftelijk ingediend of mondeling gegeven, onder verwijzing naar wettelijke redenen) worden door de rechter geverifieerd.

Een getuige kan zijn weigering een verklaring af te leggen intrekken. Als een getuige echter eenmaal bewijs heeft gegeven, kan hij het recht op weigering niet meer uitoefenen, tenzij hem niet vooraf was gewezen op dat recht.

Verder mag de getuige weigeren vragen te beantwoorden als hij met zijn antwoorden zichzelf of zijn verwanten (echtgenoten, verwanten in de opgaande en de neergaande lijn, (half)broers en -zussen en aangehuwde familieleden in dezelfde lijn en van dezelfde graad, evenals hun adoptieouders of -kinderen) zou kunnen blootstellen aan strafrechtelijke aansprakelijkheid, reputatieschade of ernstige en directe financiële schade, of als hij er een materieel bedrijfsgeheim mee zou schenden.

Volgens de heersende opvatting strekt de term "verwanten" zich niet uit tot personen die in feite als stel samenleven (samenwoning).

Een priester kan weigeren te getuigen over feiten die hem in de biecht zijn toevertrouwd.

Op bevel van de rechter is eenieder verplicht tot indiening, op de vermelde tijd en plaats, van een document dat in zijn bezit is en dat een relevant feit in de zaak bewijst, tenzij dat document vertrouwelijke informatie bevat. Alleen personen die met betrekking tot de in dat document besproken feiten zouden kunnen weigeren te getuigen of die het document in bezit hebben namens een derde die om dezelfde redenen bezwaar zou kunnen maken tegen indiening van het document, kunnen aan bovenstaande verplichting ontkomen. Weigering tot indiening van het document is in dat geval echter ook onaanvaardbaar als de persoon die het in bezit heeft of de derde daartoe gehouden zijn jegens ten minste een van de partijen of als het document is afgegeven in het belang van de partij die om de bewijsverkrijging verzoekt. Een partij kan indiening van een document evenmin weigeren als de schade waaraan die partij zich bij indiening ervan zou blootstellen bestaat in het verliezen van de zaak (artikel 248 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Als de rechter, na alle aanwezige partijen daartoe te hebben gehoord, concludeert dat een getuige ten onrechte weigert een verklaring of de eed af te leggen, legt hij hem een boete op (artikel 274 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Ongeacht deze boete kan de rechter de getuige voor de duur van ten hoogste één week in gijzeling stellen. De rechter beëindigt de gijzeling van de getuige als de getuige zijn verklaring of eed aflegt of als de zaak is beslecht voor een rechtbank waar de verklaring van die getuige werd toegelaten (artikel 276 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De rechtbank vermijdt ambtshalve het afnemen van een verklaring van personen die niet in staat zijn waar te nemen of te laten weten wat zij waarnemen. Als de oorzaken van dat onvermogen ophouden te bestaan, kan het verbod op het afnemen van een verklaring worden opgeheven. Psychiatrische behandeling of onvermogen op zich maken een getuigenverklaring niet onbetrouwbaar (artikel 259 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

In de wet is niet bepaald boven welke leeftijd een kind wordt geacht in staat te zijn waar te nemen en te laten weten wat het waarneemt. Of een kind kan worden gehoord, hangt daarom af van zijn vermogens en mate van ontwikkeling. Met betrekking tot huwelijkszaken zijn in de wet beperkingen opgenomen voor het verhoor van minderjarigen jonger dan 13 jaar en verwanten van de partijen in neergaande lijn jonger dan 17 jaar (artikel 430 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Uit artikel 259 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de algemene regel naar voren dat niemand in dezelfde zaak als getuige én als partij kan worden gehoord. De wettelijke vertegenwoordiger van een partij kan derhalve worden gehoord bij het verhoor van de partijen. De advocaat van een partij kan weliswaar als getuige worden gehoord, maar doet dan afstand van zijn volmacht.

Ook een interveniënt kan geen getuige zijn (artikel 81 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Militair personeel en ambtenaren die niet zijn ontheven van hun geheimhoudingsplicht ten aanzien van als "gerubriceerd" of "vertrouwelijk" bestempelde informatie, zijn niet gehouden tot het afleggen van een verklaring als zij die plicht daarmee zouden schenden.

Een bemiddelaar kan geen getuige zijn voor feiten die hem ter kennis zijn gekomen in het kader van de bemiddeling, tenzij de partijen hem ontheffen van zijn geheimhoudingsplicht als bemiddelaar (artikel 2591 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Een getuige wordt gehoord door de rechter. In sommige gevallen kan de rechter het verhoor toevertrouwen aan een aangewezen rechter (artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Als de aard van het bewijs dat niet belet, kan de behandelende rechter beslissen het verhoor te laten plaatsvinden met technische middelen waarmee verhoor op afstand mogelijk is.

De partijen hebben het recht aanwezig te zijn tijdens het verhoor van getuigen en hun vragen voor te leggen.

De getuigen kunnen worden gehoord met behulp van video- en teleconferentie (artikel 10, lid 4, Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken).

3 De waardering van het bewijs

In beginsel kan alles wat dient om voor de zaak relevante feiten vast te stellen, bewijs vormen. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat geen algemeen verbod op het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in civiele procedures. Een analyse van de bepalingen van de Grondwet, van de diverse bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de bescherming van gerubriceerde informatie en van door Polen geratificeerde internationale verdragen sterkt echter de stelling dat het in civiele procedures onaanvaardbaar is gebruik te maken van onrechtmatig verkregen bewijs.

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

In civiele procedures is het niet toelaatbaar gebruik te maken van bewijs dat is verkregen op een manier die heeft geleid tot schending, en daarmee ontneming, van iemands rechten op vrijheid van gedachte, vrijheid van meningsuiting, intimiteit en persoonlijke vrijheid. Bewijs verkregen door middel van misleiding of een belofte bij nakoming waarvan de wet zou worden overtreden, bv. het aanbieden van geldelijk voordeel voor het aftappen van communicatie, wordt als onrechtmatig beschouwd.

Artikel 403, leden 1 en 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat een door middel van misdaad tot stand gekomen uitspraak kan worden herzien. Het verzoek bedoeld in artikel 403, leden 1 en 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is slechts mogelijk als inwilliging ervan wordt bevestigd door een definitieve veroordeling. De uitspraak moet in kracht van gewijsde zijn gegaan om ervoor te zorgen dat de gronden voor herziening blijven bestaan. Een verzoek om herziening van een uitspraak gaat vergezeld van een afschrift van die uitspraak.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Als er na bestudering van al het bewijs of bij gebrek aan bewijs nog onverklaarde feiten zijn die van belang zijn voor de zaak, kan de rechter de partijen verhoren (artikel 299 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Laatste update: 26/11/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.