Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Duits) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
Swipe to change

Alimentatie

Duitsland
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Wat betekenen de begrippen "levensonderhoud" en "onderhoudsplicht" in de praktijk? Welke personen zijn jegens anderen onderhoudsplichtig?

De volgende personen zijn onderhoudsplichtig:

  • kinderen moeten mogelijk alimentatie betalen aan hun ouders;
  • ouders moeten mogelijk alimentatie betalen aan hun kinderen;
  • een echtgeno(o)t(e) moet mogelijk alimentatie betalen aan de andere echtgeno(o)t(e);
  • kleinkinderen en achterkleinkinderen moeten mogelijk alimentatie betalen aan hun grootouders of overgrootouders;
  • grootouders of overgrootouders moeten mogelijk alimentatie betalen aan hun kleinkinderen of achterkleinkinderen;
  • een ongehuwde ouder moet mogelijk alimentatie betalen aan de andere ouder, als er een kind aan zijn of haar zorg is toevertrouwd;
  • een geregistreerde partner moet mogelijk alimentatie betalen aan de andere geregistreerde partner.

2 Tot welke leeftijd heeft een kind aanspraak op levensonderhoud? Zijn de regels inzake levensonderhoud verschillend voor minderjarigen en volwassenen?

Er is geen leeftijdslimiet voor kinderalimentatie: die moet worden betaald zolang het kind er afhankelijk van af is, tenzij er sprake is van een fout van de kant van het kind. Zodra de opvoeding en opleiding van kinderen zijn voltooid, wordt doorgaans van ze verwacht dat ze zelf in hun levensonderhoud voorzien. De Duitse alimentatiewetgeving geeft minderjarige kinderen over het algemeen voorrang boven volwassen kinderen die hun algemene opleiding hebben afgerond. De vereisten die worden opgelegd aan de onderhoudsplichtige zijn strikter, en minderjarige kinderen hebben voorrang boven kinderen die de meerderjarige leeftijd hebben bereikt.

3 Moet ik om alimentatie verzoeken bij een bevoegde autoriteit of rechterlijke instantie? Wat zijn de belangrijkste onderdelen van deze procedure?

Om een onderhoudsplicht erkend te krijgen, moet de onderhoudsgerechtigde normaliter de rechtbank of het Duitse Jeugdzorgbureau (Jugendamt) of een notaris verzoeken om de afgifte van een uitvoerbare titel (vollstreckungsfähiger Titel) die het mogelijk maakt om een geldbedrag dwingend te innen.

Als de vordering wordt betwist, moet de rechtbank zich erover buigen. De verplichting om een vordering te voldoen, kan echter officieel worden vastgesteld door een notaris of het Jugendambt. De bevoegdheden van het Jugendambt zijn beperkter dan die van een notaris: het Jugendambt kan een onderhoudsplicht voor kinderen tot de leeftijd van 21 jaar vastleggen, of een vordering van een moeder of vader die voortvloeit uit de geboorte van een kind.

Geschillen over alimentatievorderingen zijn familierechtelijke zaken en worden behandeld door de familierechtbank (Familiengericht). De procedure wordt geregeld door de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures (Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit – FamFG) en het Duitse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung – ZPO).

4 Kan het verzoek worden gedaan namens een familielid (zo ja, van welke graad) of een kind?

Volgens § 1629, lid 1, van het Duitse Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch – BGB) vertegenwoordigen de ouders het kind gezamenlijk; één enkele ouder kan het kind vertegenwoordigen als hij of zij als enige het ouderlijk gezag uitoefent of overeenkomstig § 1628 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd is om zelfstandig beslissingen te nemen. De algemene regel is derhalve dat de ouders, als de wettelijke vertegenwoordigers van dat kind, namens een kind een vordering kunnen instellen. Volgens de eerste volzin van § 1629, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek mogen de vader en de moeder het kind wegens een mogelijk belangenconflict niet vertegenwoordigen wanneer het op grond van§ 1795 van het Burgerlijk Wetboek is verboden dat een voogd het kind vertegenwoordigt. Dit heeft onder andere betrekking op rechtsgeschillen tussen het kind en de echtgeno(o)t(e) van een ouder. In dat geval moet een zogeheten “aanvullende verzorger” (Ergänzungspfleger) worden benoemd om als vertegenwoordiger van het kind op te treden en de vordering namens hem of haar in te stellen. Alimentatievorderingen vormen een uitzondering op de algemene regel. In de tweede volzin van § 1629, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek wordt bepaald dat als de ouders gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het kind, de ouder die de zorg heeft voor het kind, een alimentatievordering voor dat kind kan instellen tegen de andere ouder. In § 1629, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek wordt deze bepaling gewijzigd in gevallen dat de ouders van het kind met elkaar gehuwd zijn, maar apart wonen en er een echtscheidingsprocedure tussen hen loopt. In dat geval kan een ouder de alimentatievordering voor het kind tegen de andere ouder alleen in zijn of haar eigen naam instellen, om te voorkomen dat het kind partij wordt bij de echtscheidingsprocedure tussen de ouders.

5 Indien ik naar de rechter wil stappen, hoe weet ik dan welke rechter bevoegd is?

De rechtbanken met rechtsbevoegdheid (jurisdictie) in alimentatiezaken zijn de familierechtbanken (Familiengerichte), die afdelingen zijn van de kantongerechten (Amtsgerichte). Welke rechtbank jurisdictie heeft in een specifieke plaats wordt bepaald door § 232 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures.

Zolang er een echtscheidingsprocedure aanhangig is, is de rechtbank met geografische jurisdictie in de regel de rechtbank van eerste aanleg voor de echtscheidingsprocedure. In andere gevallen wordt de geografische jurisdictie bepaald op basis van de gewone verblijfplaats van de verweerder. Een andere situatie is van toepassing in procedures die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen jegens een minderjarig kind of een kind dat in rechte als minderjarig wordt behandeld. Hier is de rechtbank met jurisdictie de rechtbank van de gewone verblijfplaats van het kind, of van een ouder die bevoegd is om namens het kind op te treden. Dit is echter niet van toepassing als het kind of een ouder gewoonlijk buiten Duitsland verblijft.

Een kind dat een alimentatievordering tegen beide ouders wil instellen, kan dat doen bij de rechtbank die bevoegd zou zijn voor de behandeling van een vordering tegen alleen één van de ouders.

6 Heb ik als verzoeker een vertegenwoordiger (bv. advocaat, centrale of lokale autoriteit enz.) nodig om de zaak bij de rechter aanhangig te maken? Zo nee, welke procedures zijn van toepassing?

In beginsel moeten partijen in een alimentatieprocedure bij de rechtbank worden vertegenwoordigd door een advocaat. Vertegenwoordiging door een advocaat is echter niet noodzakelijk bij het indienen van een verzoek om voorlopige maatregelen (einstweilige Anordnung). Ook hoeft een kind geen advocaat te hebben als het Jugendambt bijstand verleent en hem of haar vertegenwoordigt bij het instellen van een alimentatievordering.

7 Moet ik vergoedingen betalen voor het aanhangig maken van de zaak? Zo ja, hoeveel bedragen deze ongeveer? Kan ik, wanneer mijn financiële middelen ontoereikend zijn, rechtsbijstand krijgen om de kosten van de procedure te dekken?

Voor alimentatieprocedures worden juridische kosten in rekening gebracht in de vorm van honoraria en onkosten. De hoogte van deze kosten wordt bepaald door de waarde van de vordering, het verloop van de procedure en de unieke omstandigheden van de zaak.

De rechten moeten in de eerste plaats worden betaald door de partij die in het vonnis van de rechtbank in de kosten van de procedure wordt veroordeeld. In principe zal dit de verliezende partij zijn.

Verzoekers die als gevolg van hun persoonlijke en economische omstandigheden niet in staat zijn om de gerechtelijke kosten volledig te dragen, of die alleen in termijnen kunnen betalen, hebben het recht om rechtsbijstand (Verfahrenskostenhilfe) aan te vragen teneinde de kosten van de gerechtelijke alimentatieprocedure te dekken. De in te stellen gerechtelijke procedure of het juridisch verweer moet echter een redelijke kans van slagen hebben en niet lichtzinnig lijken. Afhankelijk van de hoogte van het inkomen en het vermogen van de aanvrager wordt rechtsbijstand verleend om de te betalen proceskosten en kosten van de eigen advocaat van de partij geheel of gedeeltelijk te dekken, maar niet de kosten van de advocaat van de tegenpartij als de aanvrager de zaak verliest.

8 Welk soort alimentatie kan door de rechter worden toegekend? Hoe wordt het bedrag van de alimentatie berekend? Kan de rechterlijke beslissing worden herzien wanneer de kosten voor levensonderhoud of de gezinssituatie wijzigen? Zo ja, hoe (bv. via een automatisch indexeringssysteem)?

Alimentatie moet regelmatig worden betaald. De hoogte van de betaling wordt bepaald door de eisen en behoeften van de partij die recht heeft op alimentatie, en het vermogen van de alimentatieplichtige partij om te betalen. De hogere arrondissementsrechtbanken (Oberlandesgerichte) hebben in dit verband tabellen en richtsnoeren opgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald welke vaste bedragen voor de in aanmerking te nemen elementen moeten worden toegepast. Als uitgangspunt wordt regelmatig de Düsseldorf-tabel genomen, die veel wordt gebruikt om de hoogte van kinderalimentatie te berekenen.

Als er een verandering plaatsvindt in de feitelijke omstandigheden waarop gerechtelijke bevelen zijn gebaseerd, kunnen deze bevelen op verzoek van de onderhoudsgerechtigde of de onderhoudsplichtige partij worden gewijzigd. In het geval van een minderjarige kan de kinderalimentatie ook worden geïndexeerd in overeenstemming met de eerste volzin van § 1612 bis, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, in welk geval de alimentatie wordt uitgedrukt als een percentage van de op enig moment geldende minimumalimentatie. De minimale hoogte van de alimentatie wordt geregeld door § 1612 bis, lid 1, tweede en derde volzin, van het Burgerlijk Wetboek, en stijgt op basis van een schaal van drie niveaus naarmate het kind ouder wordt. Als een gerechtelijk bevel een geïndexeerde bepaling omvat, hoeft het bevel niet elke keer dat een kind een nieuwe leeftijdscategorie bereikt, te worden gewijzigd.

9 Hoe en aan wie wordt de alimentatie betaald?

In beginsel moet alimentatie maandelijks vooruit worden betaald aan de alimentatiegerechtigde partij of, in geval van minderjarigen, aan de ouder die de zorg voor hen draagt, of de partij die anderszins recht heeft op de betaling.

10 Hoe kan een persoon (de onderhoudsplichtige) die niet vrijwillig betaalt, tot betaling worden gedwongen?

De vastgestelde alimentatievordering kan gedwongen ten uitvoer worden gelegd (Zwangsvollstreckung). Gedwongen tenuitvoerlegging vindt plaats volgens de gewone regels.

De aan de onderhoudsplichtige partij opgelegde verplichting wordt echter kracht bijgezet door het feit dat een inbreuk strafbaar is.

Een persoon die inbreuk pleegt op een alimentatieplicht, kan worden veroordeeld tot maximaal drie jaar gevangenisstraf of tot een boete. Als een vrijheidsbenemende straf onvermijdelijk is, kan de rechtbank het vonnis opschorten en de veroordeelde partij opdragen zijn of haar onderhoudsplichten te vervullen. Vervolgens zal de rechtbank de opschorting van het vonnis intrekken als de veroordeelde partij een grove of hardnekkige inbreuk op het gerechtelijk bevel pleegt en daardoor de vrees bestaat dat hij of zij nieuwe strafbare feiten zal plegen, met name door onderhoudsverplichtingen niet na te komen. In geval van onderhoudsplichtigen die voor het eerst een inbreuk plegen, kan het openbaar ministerie voorlopig afzien van een tenlastelegging of kan de rechtbank de strafrechtelijke procedure voorlopig aanhouden, mits de beschuldigde partij tegelijkertijd wordt geïnstrueerd om aan zijn of haar onderhoudsverplichtingen ter hoogte van een vastgesteld bedrag te voldoen.

11 Beschrijf kort alle met betrekking tot de tenuitvoerlegging geldende beperkingen, met name de voorschriften ter bescherming van de onderhoudsplichtige en inzake verval- of verjaringstermijnen.

Op roerende zaken kan door de gerechtsdeurwaarder (Gerichtsvollzieher) beslag worden gelegd als onderpand (Pfändung) (§ 808, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De gevallen waarin deze vorm van zekerstelling is toegestaan, worden beperkt door de §§ 811 en 812 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De in § 811 van het wetboek genoemde zaken zijn vrijgesteld. Dat geldt niet voor in afwachting van de betaling onder eigendomsvoorbehoud (Eigentumsvorbehalt) geleverde zaken zoals voorzien in § 811, lid 2. van het wetboek. De §§ 811 bis en 811 ter van het wetboek maken het mogelijk om zaken van waarde die in aanmerking komen voor een vrijstelling, uit hoofde van § 811 te vervangen door zaken met een lagere waarde die dezelfde functie kunnen vervullen.

De woning van de onderhoudsplichtige kan alleen zonder zijn of haar toestemming worden doorzocht op grond van een door een rechter afgegeven doorzoekingsbevel (§ 758 bis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Beslaglegging op goederen is de verantwoordelijkheid van de rechter die de tenuitvoerleggingsprocedure behandelt. Beslaglegging op inkomsten is onderworpen aan de vrijstellingen die zijn vastgelegd in de §§ 850 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Welk deel van het inkomen van de onderhoudsplichtige is vrijgesteld, wordt niet alleen bepaald door de hoogte van zijn of haar inkomen, maar ook door het aantal personen dat wettelijk recht heeft op alimentatie van de onderhoudsplichtige. Als hulpmiddel voor de berekening is een tabel met vrijstellingslimieten opgesteld en als bijlage opgenomen in § 850 quater van het wetboek. In deze tabel worden de niet voor beslag vatbare bedragen vermeld. De tabel wordt op gezette tijden herzien, en indien nodig worden de limieten aangepast.

Als tenuitvoerlegging wordt toegepast op grond van een alimentatievordering of een vordering die voortvloeit uit een bewust gepleegde onrechtmatige daad (unerlaubte Handlung), mag volgens de §§ 850 quinquies en 850 septies van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de met de tenuitvoerleggingsprocedure belaste rechtbank, op verzoek van de onderhoudsgerechtigde, de hoogte van de vrijstellingslimiet voor beslaglegging wijzigen. Ook kan de onderhoudsgerechtigde een verzoek tot wijziging van de limiet indienen als hij of zij bijzondere persoonlijke behoeften heeft overeenkomstig § 850 septies, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Een door de onderhoudsplichtige aangehouden rekening kan worden vrijgesteld van beslaglegging overeenkomstig § 850 duodecies van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een dergelijke rekening wordt ook wel een “P-rekening” (Pfändungsschutzkonto, of P-Konto) genoemd. Deze bepaling heeft als doel om de onderhoudsplichtige en van hem of haar afhankelijke personen van een redelijke levensstandaard te verzekeren. In de eerste plaats beschermt de P-rekening automatisch saldo’s tot het niveau van de vrijstellingslimiet, die momenteel 1 133,80 euro per kalendermaand bedraagt. Deze basisvrijstelling kan onder bepaalde voorwaarden worden verhoogd, bijvoorbeeld vanwege andere onderhoudsplichten waaraan de onderhoudsplichtige is gebonden. Zie voor bijzonderheden over de bedragen die van beslaglegging zijn vrijgesteld: http://www.bmjv.de/DE/Themen/FinanzenUndAnlegerschutz/ZwangsvollstreckungPfaendungsschutz/Pfaendungsschutzkonto.html. Kinderbijslag en bepaalde socialezekerheidsuitkeringen genieten aanvullende bescherming. Om dit soort bescherming te verkrijgen, hoeft de onderhoudsplichtige doorgaans niet meer te doen dan bewijs verstrekken aan de bank. In specifieke gevallen kan, wanneer de onderhoudsplichtige bijzondere behoeften heeft als gevolg van een ziekte, de hoogte van het rekeningsaldo dat is vrijgesteld van beslaglegging door de met de tenuitvoerleggingsprocedure belaste rechtbank, op individuele basis worden aangepast.

De reguliere verjaringstermijn van drie jaar heeft in beginsel ook betrekking op alimentatievorderingen (§ 195 van het Burgerlijk Wetboek); deze termijn begint aan het eind van het jaar dat de vordering is ontstaan en de onderhoudsgerechtigde daarvan op de hoogte werd gebracht (§ 199, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). Een verjaringstermijn van dertig jaar geldt uitsluitend wanneer er sprake is van achterstanden in de betaling van deze vorderingen (§ 197, lid 1, punt 3, van het Burgerlijk Wetboek): de termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de rechtbank een bindende beslissing heeft gegeven of een uitvoerbare titel heeft uitgevaardigd of, in geval van een akte, op het moment dat proces-verbaal is opgemaakt (§ 201, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek).

De verjaring van alimentatievorderingen kan worden opgeschort. Hierbij valt de periode van de opschorting buiten de verjaringstermijn (§ 209 van het Burgerlijk Wetboek). Dit geldt voor kinderalimentatie totdat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt (§ 207, lid 1, tweede volzin, punt 2, onder a), van het Burgerlijk Wetboek).

Wordt een daad van tenuitvoerlegging verricht of daarom verzocht, dan begint de reguliere verjaringstermijn van drie jaar opnieuw te lopen (§ 212, lid 1, punt 2, van het Burgerlijk Wetboek). Hiermee wordt voorkomen dat vastgestelde toekomstige alimentatievorderingen verjaren.

12 Zijn er organisaties of autoriteiten die mij kunnen helpen bij de invordering van alimentatie?

Een gerechtelijke beslissing tot toekenning van alimentatie is een gewone uitvoerbare (executoriale) titel (Vollstreckungstitel) voor een geldelijke vordering, hetgeen betekent dat de onderhoudsgerechtigde partij de gewone regels voor tenuitvoerlegging moet volgen en de vordering zelf ten uitvoer moet leggen.

Het Jugendambt kan echter helpen bij de invordering als het bijstand verleent aan een kind, op grond van § 1712 van het Burgerlijk Wetboek. Het Jugendambt kan een kind bijstand verlenen op verzoek van de ouder die als enige het ouderlijk gezag over het kind uitoefent of, als de ouders dit gezag gezamenlijk uitoefenen, op verzoek van de ouder die de zorg voor het kind draagt.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen dit scenario en een andersoortig geval: een partij die recht heeft op alimentatie, kan bepaalde socialezekerheidsuitkeringen ontvangen die voorzien in een behoefte die anders door de alimentatie zou worden gedekt. Als de ontvanger van dergelijke socialezekerheidsuitkeringen een alimentatievordering tegen een onderhoudsplichtige heeft uitstaan, wordt de alimentatievordering in de regel overgedragen aan de verantwoordelijke overheidsinstantie, die de vordering vervolgens in haar eigen naam kan instellen.

In specifieke gevallen waarin een kind wordt opgevoed door een alleenstaande ouder en de andere ouder geen contante bijdragen aan het levensonderhoud van het kind levert, bestaat er een recht op betaling op grond van de Wet inzake de toekenning van voorschotten op onderhoudsverplichtingen (Unterhaltsvorschussgesetz – UVG). Vervolgens int het Duitse Bureau voor voorschotten op onderhoudsverplichtingen (Unterhaltsvorschusskasse) de aan dit bureau overgedragen alimentatievordering.

Voorts geldt dat als de onderhoudsplichtige partij de alimentatie niet betaalt en sociale bijstand (Sozialhilfe) moet worden uitgekeerd (aangenomen dat aan de andere vereisten voor de ontvangst van sociale bijstand is voldaan), de alimentatievordering wordt overgedragen aan de instantie die de sociale bijstand verstrekt (op dezelfde wijze als de hierboven genoemde voorschotten), waarna de verstrekker van de sociale bijstand de vordering kan innen. In geval van de werkzoekendenuitkering (Grundsicherung für Arbeitssuchende) vindt de overdracht pas plaats na een schriftelijke kennisgeving daarvan door de verstrekker van de uitkering aan de onderhoudsplichtige.

13 Kunnen organisaties (overheids- of privéorganisaties) een voorschot op (een deel van) het alimentatiebedrag betalen in de plaats van de onderhoudsplichtige?

De uitkeringen uit hoofde van de Wet inzake de toekenning van voorschotten op onderhoudsverplichtingen, sociale bijstandsuitkeringen en minimumuitkeringen voor werkzoekenden als bedoeld in het antwoord op vraag 12 zijn onafhankelijke socialezekerheidsuitkeringen met een vastomlijnd toepassingsgebied en vormen geen alimentatie in de strikte zin des woords. Ze worden door de bevoegde overheidsinstantie rechtstreeks betaald aan de rechthebbende. Deze uitkeringen worden uitbetaald ongeacht of de alimentatievordering kan worden geïnd of niet. De overheidsinstantie aan wie de vordering is overgedragen, kan de vordering op eigen gezag innen.

Anders dan bij uitkeringen uit hoofde van de Wet inzake de toekenning van voorschotten op onderhoudsverplichtingen, sociale bijstandsuitkeringen en minimumuitkeringen voor werkzoekenden, creëert de door het Jugendambt verleende bijstand in verband met de inning van vorderingen geen afzonderlijk recht op een uitkering van de verantwoordelijke overheidsinstantie. In dat geval beperkt de rol van de overheidsinstantie zich tot het helpen van de onderhoudsgerechtigde partij bij het instellen en innen van de alimentatievordering.

14 Indien ik mij in deze lidstaat bevind en de onderhoudsplichtige zijn/haar verblijfplaats in een ander land heeft:

14.1 Kan ik in deze lidstaat hulp krijgen van een autoriteit of een privéorganisatie?

Als een onderhoudsgerechtigde partij een alimentatievordering tegen een alimentatieplichtige partij die in het buitenland woont ten uitvoer wil leggen, kan hij of zij het Duitse federale bureau voor justitie (Bundesamt für Justiz) in Bonn om hulp vragen. De Bondsrepubliek Duitsland heeft het Bundesamt für Justiz benoemd als de centrale autoriteit voor grensoverschrijdende alimentatieprocedures.

14.2 Zo ja, hoe kan ik contact opnemen met die autoriteit of privéorganisatie?

Wanneer een onderhoudsgerechtigde die in Duitsland woont, een verzoek wil indienen op grond van artikel 55 van de alimentatieverordening van de EU, artikel 9 van het Haags Verdrag van 2007 inzake levensonderhoud of artikel 2, leden 1 en 2, van het VN-Verdrag van 1956, moet hij of zij dat doen bij de centrale autoriteit door het verzoek te zenden aan het Bundesamt für Justiz in Bonn. Zie voor meer informatie: https://www.bundesjustizamt.de/DE/Themen/Buergerdienste/AU/AU_node.html

De contactgegevens van de centrale autoriteit zijn:

Bundesamt für Justiz
Afdeling II 4

53094 Bonn
Duitsland

E-mail: auslandsunterhalt@bfj.bund.de

Tel.: +49(0)228 99410 6434

Fax: +49(0)228 99410 5202

15 Indien ik mij in een ander land bevind en de onderhoudsplichtige zich in deze lidstaat bevindt:

15.1 Kan ik mij in deze lidstaat rechtstreeks wenden tot een autoriteit of een privéorganisatie?

Onderhoudsgerechtigden die in het buitenland wonen, kunnen zich wenden tot de centrale autoriteit van de staat waar zij verblijven op grond van artikel 55 van de EU-alimentatieverordening, artikel 9 van het Haags Verdrag van 2007 inzake levensonderhoud of artikel 2, leden 1 en 2, van het VN-Verdrag van 1956.

15.2 Zo ja, hoe kan ik contact opnemen met die autoriteit of privéorganisatie en welk soort bijstand kan ik krijgen?

Deze verzoeken moeten worden ingediend via de centrale autoriteit in het land van verblijf. Daarvandaan worden ze doorgestuurd naar de centrale autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland (zie 14.2).

16 Is deze lidstaat gebonden door het Haagse Protocol van 2007?

Ja.

17 Indien deze lidstaat niet is gebonden door het Haagse Protocol van 2007, welk rechtsstelsel zal er dan overeenkomstig zijn regels van internationaal privaatrecht worden toegepast op de alimentatievordering? Wat zijn de desbetreffende regels van internationaal privaatrecht?

Niet van toepassing.

18 Welke regels gelden er met betrekking tot de toegang tot de rechter in grensoverschrijdende zaken in de EU (conform de structuur van hoofdstuk V van de verordening inzake onderhoudsverplichtingen)?

De vergoedingen voor alimentatieprocedures moeten in de regel van tevoren worden betaald. Binnen het gebied waar de alimentatieverordening van toepassing is, wordt rechtsbijstand verleend overeenkomstig de artikelen 44 en 47 van deze verordening. De verplichting om van tevoren te betalen, is in bepaalde omstandigheden niet van toepassing, in het bijzonder als rechtsbijstand wordt verleend.

19 Welke maatregelen heeft deze lidstaat genomen om de uitvoering van de taken die zijn beschreven in artikel 51 van de verordening inzake onderhoudsverplichtingen te waarborgen?

Duitsland heeft zijn centrale autoriteit – het Bundesamt für Justiz – de nodige bevoegdheden gegeven om de doeltreffendheid van de in artikel 51 beschreven maatregelen te waarborgen.

Laatste update: 23/06/2020

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.
Sommige pagina's van deze website worden aangeleverd door de EU-landen. Momenteel doen zij het nodige om die pagina's aan te passen aan de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Mocht bepaalde informatie nog niet het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie weerspiegelen, dan is dit onbedoeld en zal dit worden gecorrigeerd.

Feedback

Met onderstaand formulier kunt u ons opmerkingen en feedback sturen over onze nieuwe website