Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Duitsland
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Wat zijn de voorwaarden voor een echtscheiding?

Volgens § 1564, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch, BGB), kunnen echtgenoten alleen door een uitspraak van de rechter van elkaar scheiden, op verzoek van één echtgeno(o)t(e) of beide echtgenoten.

Een echtscheiding is mogelijk als het huwelijk is ontwricht is (§ 1565, lid 1, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek). Het gaat daarbij om de huidige staat van het huwelijk en de prognose voor de toekomst. De wetgever heeft de volgende veronderstellingen voor de ontwrichting van het huwelijk geformuleerd:

  • van ontwrichting van het huwelijk is sprake als de echtgenoten niet meer als gehuwden samenwonen en niet te verwachten valt dat daar nog verandering in komt (§ 1565, lid 1, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek);
  • volgens § 1566 van het Burgerlijk Wetboek beschouwt de rechter het huwelijk als onweerlegbaar ontwricht als de echtgenoten een bepaalde tijd uit elkaar zijn en als:
  • beide echtgenoten een verzoek tot echtscheiding hebben ingediend en reeds een jaar lang uit elkaar zijn; of
  • een van de echtgenoten een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend en de andere echtgeno(o)t(e) met echtscheiding instemt, en zij reeds een jaar lang uit elkaar zijn; of
  • een van de echtgenoten een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend en de andere echtgeno(o)t(e) niet met echtscheiding instemt, maar de echtgenoten wel reeds drie jaar uit elkaar zijn.
  • Wanneer de echtgenoten nog geen jaar uit elkaar zijn, kan het huwelijk slechts in enkele uitzonderlijke gevallen worden ontbonden, bijvoorbeeld als voortzetting van het huwelijk voor de verzoeker van de echtscheiding onredelijk zou zijn vanwege redenen die met de andere echtgeno(o)t(e) te maken hebben (bijvoorbeeld in geval van mishandeling door de andere echtgeno(o)t(e)) (§ 1565, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek).

2 Welke echtscheidingsgronden bestaan er?

Ontwrichting van het huwelijk is de enige reden die in Duitsland als echtscheidingsgrond wordt erkend. Of een van de echtgenoten “schuldig” is aan de ontwrichting van het huwelijk, is niet relevant.

3 Wat zijn de juridische gevolgen van een echtscheiding als het gaat om:

3.1 de persoonlijke relatie tussen de echtgenoten (bijvoorbeeld de achternaam)?

Na een echtscheiding kunnen de echtgenoten de achternaam aanhouden waarvoor zij bij hun huwelijk hadden gekozen. Ook kunnen zij door een verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand aangeven dat zij hun eigen naam of hun vóór het huwelijk gevoerde naam weer willen gebruiken. Zij kunnen hun eigen naam tevens voor of achter de naam plaatsen die zij tijdens hun huwelijk hadden (§ 1355, lid 5, van het Burgerlijk Wetboek).

3.2 de verdeling van het vermogen van de echtgenoten?

3.2.1 Toewijzing van de woning en de inboedel:

In beginsel is op grond van § 1568 bis en § 1568 ter van het Burgerlijk Wetboek het volgende van toepassing als het gaat om de gemeenschappelijke woning en de verdeling van de inboedel na de echtscheiding: de echtgeno(o)t(e) die het meest op het gebruik van de woning of inboedel is aangewezen, kan van de andere echtgeno(o)t(e) verlangen dat deze de woning of inboedel aan hem of haar overlaat. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van beide echtgenoten en het belang van hun kinderen.

In geval van een huurwoning neemt de echtgeno(o)t(e) die in de woning mag blijven, de huurovereenkomst over, ongeacht of voorheen beide echtgenoten de huurder waren of slechts een van de echtgenoten de huurder was.

In geval van woningbezit geldt het volgende:

  • als slechts een van de echtgenoten eigenaar van de huidige woning is, heeft de andere echtgeno(o)t(e) slechts in uitzonderlijke gevallen het recht op gebruik daarvan, met name wanneer het te veel van hem of haar zou vergen om te verhuizen (zie § 1568 bis, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek);
  • als de woning het gemeenschappelijke eigendom van de echtgenoten is, geldt het in de eerste alinea bij deze vraag genoemde beginsel.

In beide gevallen kunnen zowel de echtgeno(o)t(e) aan wie de woning is overgelaten, als de echtgeno(o)t(e) die zijn of haar eigendom niet langer kan gebruiken, aanspraak maken op een huurovereenkomst die tussen hen zal worden gesloten, op basis van een huur die ter plaatse gangbaar is.

Wat betreft de inboedel wordt onderscheid gemaakt tussen huishoudelijke voorwerpen die het gemeenschappelijke eigendom van de echtgenoten zijn, en huishoudelijke voorwerpen die slechts aan een van hen toebehoren:

  • in geval van huishoudelijke voorwerpen in gemeenschappelijke eigendom gelden de in de eerste alinea bij deze vraag genoemde beginselen. De echtgeno(o)t(e) die afstand van die voorwerpen moet doen, kan daarvoor passende compensatie vragen;
  • in geval van huishoudelijke voorwerpen van een inboedel die het eigendom van één echtgeno(o)t(e) zijn, kan de andere echtgeno(o)t(e) daarop geen aanspraak maken.

3.2.2 Vereffening van de vermogensaanwas:

Wanneer de echtgenoten volgens een wettelijk huwelijksvermogensstelsel zijn getrouwd en zij het bij een echtscheiding niet eens worden over de vereffening van hun vermogen, kan de vermogensaanwas op verzoek van een van de echtgenoten in een aparte gerechtelijke procedure worden vereffend (§§ 1372 e.v. van het Burgerlijk Wetboek). Dit vindt als volgt plaats:

Bij de berekening wordt de waarde van het vermogen van elke echtgeno(o)t(e) tijdens de huwelijkssluiting (aanvangsvermogen, § 1374 van het Burgerlijk Wetboek) en bij het einde van het vermogensstelsel (eindvermogen, § 1375) als uitgangspunt genomen. Vermogen dat tijdens het huwelijk door een van de echtgenoten is geërfd of aan hem of haar is geschonken, wordt bij het aanvangsvermogen van die echtgeno(o)t(e) opgeteld. De relevante referentiedatum voor de berekening van het eindvermogen is de dag waarop het verzoek tot echtscheiding aan de andere echtgeno(o)t(e) werd betekend. De vermogensaanwas is het verschil tussen de waarde van het eindvermogen van een echtgeno(o)t(e) en die van het aanvangsvermogen (§ 1373). De persoon met de kleinste vermogensaanwas heeft recht op de helft van het verschil van de vermogensaanwas van de andere persoon (vereffeningsvordering) (§ 1378, lid 1). De vordering tot vereffening van de vermogensaanwas behelst de betaling van een geldsom. De persoon die recht heeft op vereffening, kan in de regel niet vragen dat specifieke vermogensbestanddelen van de persoon die de vereffeningsvordering moet voldoen, aan hem of haar worden overgedragen. In uitzonderlijke gevallen kan echter ook de familierechtbank (Familiengericht) individuele vermogensbestanddelen overdragen (§ 1383). Dit is evenwel alleen mogelijk als

  • dit redelijkerwijs van de persoon die de vereffeningsvordering moet voldoen, kan worden verlangd; en
  • hiermee wordt voorkomen dat de persoon die recht op de vereffening heeft, uiterst onrechtvaardig zou worden behandeld als gevolg van een vereffening van de vermogensaanwas in geld.

De waarde van deze overgedragen vermogensbestanddelen wordt met de vereffeningsverordening verrekend.

In plaats van het wettelijke huwelijksvermogensstelsel mogen de echtgenoten volgens het Duitse recht bij de notaris ook kiezen voor de uitsluiting van goederen (§ 1414), de gemeenschap van goederen (§ 1415 tot en met § 1518) of het facultatieve stelsel van de gemeenschap van vermogensaanwas (§ 1519).

3.2.3 Gevolgen voor de pensioenen van de echtgenoten

Ook de rechten die de echtgenoten tijdens het huwelijk bijvoorbeeld in het kader van hun wettelijke ouderdomsverzekering, ambtenarenpensioen, bedrijfspensioen of particuliere oudersdoms- en invaliditeitspensioen hebben opgebouwd, worden in het geval van een echtscheiding elk door middel van de verevening van de pensioenrechten voor de helft verdeeld. Dit zorgt ervoor dat beide echtgenoten de rechten die zij tijdens hun huwelijk hebben verkregen, gelijk onder elkaar verdelen en dat iedere echtgeno(o)t(e) eigen pensioenrechten ontvangt.

3.3 de minderjarige kinderen uit het huwelijk?

3.3.1 Ouderlijk gezag

Wanneer beide echtgenoten het ouderlijk gezag over hun kinderen hebben, blijft dit ook na een echtscheiding het geval. Het ouderlijk gezag van beide ouders kan alleen worden opgeheven als het welzijn van het kind in gevaar is of een van de ouders het ouderlijk gezag geheel of gedeeltelijk alleen wil uitoefenen en daartoe een verzoek bij de familierechter heeft ingediend. De rechter willigt het verzoek in als de andere ouder daarmee instemt en het kind ten minste 14 jaar is, of als aan te nemen valt dat het het best voor het kind is wanneer het ouderlijk gezag niet langer door beide ouders, maar slechts door één ouder wordt uitgeoefend (§ 1671, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). In het Duitse recht wordt ervan uitgegaan dat omgang met beide ouders in het belang van het kind is. Het kind heeft dan ook recht op omgang met beide ouders. Beide ouders hebben in Duitsland niet alleen een omgangsrecht, maar ook een omgangsplicht (§ 1684, lid 1). Dit geldt ongeacht op welke wijze het ouderlijk gezag is geregeld.

3.3.2 Onderhoudsvorderingen

Ouders zijn verplicht om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien (§ 1601 van het Burgerlijk Wetboek). Kinderen hebben er recht op dat hun ouders voor hun levensonderhoud zorgen, als zij daar zelf niet toe in staat zijn (§ 1602). De onderhoudsplicht is afhankelijk van de financiële mogelijkheden die de ouders hebben (§ 1603). Bij de bepaling daarvan wordt niet alleen rekening gehouden met het inkomen waarover de ouders daadwerkelijk beschikken. Maatgevend is vooral het inkomen waarover zij in theorie zouden kunnen beschikken (§ 1603, lid 2). In beginsel moeten beide ouders naar draagkracht in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen voorzien. Neemt een ouder de zorgtaak voor de kinderen op zich, dan voldoet hij of zij daarmee in de regel evenwel aan zijn of haar financiële verplichtingen wat betreft de zorg en opvoeding van het kind (§ 1606, lid 3). Na de echtscheiding van de ouders is dan ook doorgaans alleen de ouder bij wie het kind niet woont, verplicht om het kind financieel te onderhouden.

De kosten van levensonderhoud omvatten alles wat het kind nodig heeft, ook de kosten voor een passende opleiding (§ 1610).

3.4 de verplichting om alimentatie te betalen aan de andere echtgenoot?

Na een echtscheiding moet de ex-echtgeno(o)t(e) zelf in het eigen levensonderhoud voorzien (§ 1569 van het Burgerlijk Wetboek). Hieruit volgt dat hij of zij alleen passend betaald werk hoeft te hebben (§ 1574, lid 1). Om passend betaald werk te vinden moet de ex-echtgeno(o)t(e) verplicht een opleiding volgen of zich bij of om laten scholen. Daarbij moet er wel van kunnen worden uitgegaan dat de opleiding of cursus ook met succes zal kunnen worden afgerond (§ 1574, lid 3, van het wetboek).

In de volgende gevallen moet evenwel alimentatie worden betaald:

  • de ex-echtgeno(o)t(e) kan door de verzorging van de kinderen waarover zij het gezag gezamenlijk uitoefenen (§ 1570 van het Burgerlijk Wetboek) of door ziekte, lichamelijke gebreken of beperkte verstandelijke vermogens (§ 1572 van dit wetboek) geen betaald werk verrichten;
  • de ex-echtgeno(o)t(e) heeft op een bepaald moment een leeftijd bereikt waarop hij of zij geen betaald werk meer kan verrichten, in het bijzonder op het moment van de scheiding of wanneer hij of zij niet langer verantwoordelijk is voor de zorg voor of opvoeding van een gemeenschappelijk kind (§ 1571);
  • de ex-echtgeno(o)t(e) volgt een opleiding of laat zich om- of bijscholen omdat hij of zij daartoe tijdens het huwelijk niet in de gelegenheid was. Voorwaarde hiervoor is wel dat de ex-echtgeno(o)t(e) zo snel mogelijk met de opleiding of bij- en omscholing begint en het een en ander ook zo snel mogelijk afrondt om naar passend betaald werk te zoeken waarmee in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien (§ 1575 van het Burgerlijk Wetboek);
  • de ex-echtgeno(o)t(e) vindt na de echtscheiding geen passend betaald werk (§ 1573, lid 1);
  • de ex-echtgeno(o)t(e) kan om andere zwaarwegende redenen geen betaald werk verrichten en het is ook in het licht van de belangen van de andere echtgeno(o)t(e) onredelijk om hem of haar geen alimentatie toe te kennen (§ 1576);
  • de ex-echtgeno(o)t(e) verdient ondanks passend betaald werk niet genoeg om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien (§ 1573, lid 2). Bij de berekening van de alimentatie wordt uitgegaan van de levensomstandigheden tijdens het huwelijk.

Premies voor een normale ziektekosten-, en zorgverzekering, en in bepaalde omstandigheden ook voor een ouderdoms- en arbeidsongeschiktheidsverzekering, vallen eveneens onder de alimentatieplicht (§ 1578). Indien de onderhoudsplichtige echtgeno(o)t(e) ook nog andere financiële verplichtingen heeft en met zijn of haar inkomen en vermogen door de te betalen alimentatie niet meer in het eigen levensonderhoud kan voorzien, hoeft alleen zoveel te worden betaald als in het licht van de behoeften, het inkomen en het vermogen van de ex-echtgenoten billijk is (§ 1581, eerste volzin).

De alimentatie kan worden verminderd en/of worden verkort wanneer onbeperkte doorbetaling onbillijk zou zijn (§ 1578 ter). De mogelijkheid van een beperking/verkorting op grond van § 1578 ter van het Burgerlijk Wetboek heeft in het bijzonder betrekking op §§ 1570-1573; volgens § 1570 leiden de overwegingen van billijkheid die nodig zijn om de alimentatie voor de verzorging van het kind na diens derde verjaardag – vanwege redenen die met het kind of de ouders te maken hebben – te verlengen, tot een speciale verkortingsregeling.

De belangen van het kind van de echtgenoten dat is toevertrouwd aan de echtgeno(o)t(e) die recht heeft op alimentatie voor zorg of opvoeding, moeten bij de afweging krachtens § 1578 ter van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking worden genomen. Daarnaast moet worden bekeken in hoeverre een echtgeno(o)t(e) als gevolg van het huwelijk minder goed in zijn of haar onderhoud kan voorzien. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inkomen van de echtgeno(o)t(e) die recht op alimentatie heeft, lager is dan het zou zijn geweest als hij of zij niet in het huwelijk was getreden. Volgens § 1578 ter, lid 1, derde volzin, van het Burgerlijk Wetboek kan een dergelijk lager inkomen het gevolg zijn van de zorg voor een kind en van het combineren van huishoudelijke taken en betaald werk. Bij het beoordelen van al deze nadelen die door het huwelijk zijn veroorzaakt, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het specifieke individuele geval, waaronder de duur van het huwelijk.

4 Wat betekent "scheiding van tafel en bed” in de praktijk?

“Scheiding van tafel en bed” is niet aan formaliteiten gebonden. In §§ 1361-1361 ter van het Burgerlijk Wetboek zijn specifieke regels opgenomen over de duur van het uit elkaar zijn (zie vraag 6).

5 Wat zijn de gronden voor een “scheiding van tafel en bed”?

Voorwaarde is dat de echtgenoten uit elkaar zijn. De echtgenoten zijn uit elkaar als ze geen gezamenlijke huishouding meer voeren en een echtgeno(o)t(e) ook duidelijk niet meer naar die situatie terug wil, omdat hij of zij niet langer met de ander als gehuwde wil samenwonen (§ 1567, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek).

6 Wat zijn de juridische gevolgen van een “scheiding van tafel en bed”?

Wanneer het echtpaar uit elkaar is of uit elkaar wil gaan, kan een van beide echtgenoten eisen dat hij of zij alleen in de echtelijke woning of een deel daarvan mag blijven wonen (toewijzing van de echtelijke woning), als het te veel van hem of haar zou vergen om te verhuizen (§ 1361 ter van het Burgerlijk Wetboek). In de regel is het zo dat de echtgeno(o)t(e) die door de ander lichamelijk wordt mishandeld of bedreigd, in de woning mag blijven. Doel van de toewijzing van de echtelijke woning is niet om een echtscheiding voor te bereiden of eenvoudiger te maken.

Voor de tijd dat het echtpaar uit elkaar is, kan ook een regeling voor de verdeling van de inboedel worden getroffen (§ 1361 bis). Huishoudelijke voorwerpen die aan een echtgeno(o)t(e) behoren, kunnen van de ander worden teruggeëist. Wanneer de ander deze voorwerpen evenwel voor zijn of haar nieuwe huishouding nodig heeft en het billijk is dat ze daar blijven, hoeven ze niet te worden teruggegeven (bijvoorbeeld overdracht van de wasmachine aan de echtgeno(o)t(e) bij wie de kinderen wonen).

Bovendien geldt dat wanneer de echtgenoten uit elkaar zijn, de ene echtgeno(o)t(e) van de andere mag verlangen dat hij of zij alimentatie betaalt die past bij de levensstandaard en de inkomens- en vermogenssituatie van de echtgenoten, in overeenstemming met § 1361 van het Burgerlijk Wetboek. In een dergelijk geval is er sprake van huwelijkse solidariteit die ervoor moet zorgen dat echtgenoten als gevolg van een scheiding van tafel en bed niet op hulp raken aangewezen. Daarbij biedt dit de echtgenoten ook de mogelijkheid om weer als gehuwden samen te leven, ongeacht economische beperkingen. De echtgenoten zijn dus nog steeds in relatief grote mate voor elkaar verantwoordelijk en daarom bestaan er slechts beperkte vereisten voor economische zelfstandigheid en de verplichting om zelf de kost te verdienen. Een echtgeno(o)t(e) die apart woont, heeft recht op alimentatie als deze persoon niet via zijn of haar inkomen en vermogen in zijn of haar behoeften kan voorzien.

7 Wat betekent “nietigverklaring van het huwelijk" in het huwelijk in de praktijk?

Er bestaat geen “nietigverklaring van het huwelijk”. Een huwelijk kan wel op verzoek door een rechterlijke beslissing worden opgeheven (§§ 1313 e.v. van het Burgerlijk Wetboek). In de praktijk komt dit zelden voor.

8 Wat zijn de gronden voor nietigverklaring van het huwelijk?

Een huwelijk kan worden opgeheven vanwege schendingen van het recht of wilsgebrek bij de huwelijkssluiting. Alle gronden daarvoor staan vermeld in § 1314 van het Burgerlijk Wetboek.

9 Wat zijn de juridische gevolgen van de nietigverklaring van het huwelijk?

Opheffing van het huwelijk heeft dezelfde gevolgen als een echtscheiding (§ 1318 van het Burgerlijk Wetboek). Zie de opmerkingen bij vraag 3.

10 Bestaan er alternatieve mogelijkheden om problemen die samenhangen met een echtscheiding op te lossen, zonder dat de rechter wordt ingeschakeld?

In het geval van een echtscheiding kunnen ouders bij de bureaus voor kinder- en jeugdzorg (Jugendamt) aankloppen. Ouders die uit elkaar zijn of een echtscheiding achter de rug hebben, krijgen hier advies over de manier waarop verder goed voor de kinderen kan worden gezorgd. In gezamenlijk overleg met de ouders wordt een plan voor de uitoefening van het ouderlijk gezag uitgewerkt. De kinderen zelf worden hierbij zoveel mogelijk betrokken. Een databank met alle bureaus is te vinden onder https://www.dajeb.de/. Daarnaast kan de hulp worden ingeroepen van een bemiddelaar om eventuele conflicten in der minne te schikken. Meer informatie over echtscheidingsbemiddeling (“mediation”) is te vinden onder https://www.bafm-mediation.de/.

11 Waar moet het verzoek tot echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk worden ingediend? Aan welke formaliteiten moet worden voldaan en welke documenten moeten bij het verzoek worden gevoegd?

Het Duitse recht kent enkel de mogelijkheden van ontbinding van een huwelijk (echtscheiding), opheffing van een huwelijk of vaststelling van het bestaan of niet-bestaan van een huwelijk (§ 121 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures (Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit, FamFG).

Verzoeken omtrent het huwelijk moeten in beginsel worden ingediend bij de kantonrechtbank (Amtsgericht)/familierechtbank (Familiengericht) (§ 111 en § 121 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures, § 23 ter van de Wet op de rechterlijke organisatie (Gerichtsverfassungsgesetz)). De rechterlijke bevoegdheid is gebaseerd op § 122 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures. Vertegenwoordiging door een advocaat is verplicht.

12 Kan ik in aanmerking komen voor rechtsbijstand om de kosten van de procedure te dekken?

U kunt voor een zaak voor de familierechtbank rechtsbijstand krijgen wanneer u in een zodanige persoonlijke of financiële situatie verkeert dat u de proceskosten niet, slechts ten dele of alleen in termijnen kunt opbrengen. Voorwaarde hiervoor is wel dat u een goede kans van slagen met het proces en geen kwaadaardige bedoelingen hebt. Ook mensen met lage inkomens kunnen dankzij deze gratis rechtsbijstand naar de rechter stappen. Al naargelang de hoogte van uw inkomen worden de door u te betalen proceskosten geheel of gedeeltelijk overgenomen. Als de rechter u een advocaat toewijst, worden de kosten van de wettelijke vertegenwoordiging ook via de rechtsbijstand gedekt. Nadere informatie kunt u vinden in de brochure over rechtsbijstand en juridisch advies “Beratungshilfe und Prozesskostenhilfe” op de website van het federale ministerie van Justitie en Consumentenbescherming, https://www.bmjv.de/.

13 Kan beroep worden ingesteld tegen een beslissing over de echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk?

Er kan beroep worden ingesteld tegen de beslissing over de echtscheiding of de opheffing van het huwelijk op grond van §§ 58 e.v. van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures. Over het beroep wordt door de hoogste rechterlijke instantie van de Duitse deelstaten (Oberlandesgericht) beslist.

14 Wat moet ik doen om een door een rechtbank in een andere lidstaat gewezen beslissing over echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk in Nederland te laten erkennen?

Uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (“de Brussel II bis-verordening”) worden dergelijke beslissingen automatisch en zonder enige procedure erkend, tenzij de beslissing is gegeven in Denemarken. Volgens de Brussel II bis-verordening moet de echtscheidingsprocedure of procedure tot opheffing of nietigverklaring van het huwelijk in beginsel na 1 maart 2001 bij de rechtbank aanhangig zijn gemaakt (zie artikel 64 van Brussel II bis voor de uitzonderingen hierop). Op oude zaken is vooral de voorloper van Brussel II bis, namelijk de Brussel II-verordening, van toepassing. Beslissingen uit Denemarken worden gewoonlijk nog steeds alleen na een specifieke procedure erkend.

15 Tot welk gerecht moet ik mij wenden om bezwaar te maken tegen de erkenning van een door een rechtbank in een andere lidstaat gewezen beslissing over echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk? Welke procedure is in dit geval van toepassing?

Op grond van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 ligt de bevoegdheid voor niet-erkenning van dergelijke beslissingen in beginsel bij de kantonrechtbank (familierechtbank) van de plaats van de hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat waar:

  • de verweerder of het kind op wie de beslissing betrekking heeft, zijn of haar gewone verblijfplaats heeft; of
  • indien deze rechtbank niet bevoegd is, bij de familierechtbank van de plaats waar een uitspraak van bijzonder belang is of waar zorg nodig is;
  • in alle andere gevallen de familierechtbank van Pankow/Weißensee.

Hierop wordt een uitzondering gemaakt in Niedersachsen, waar de bevoegdheid voor alle hogere regionale rechterlijke instanties van de deelstaten is gecentraliseerd en de kantonrechtbank van Celle bevoegd is.

Hierbij gelden de vormvoorschriften van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures.

16 Wat is het toepasselijk recht in een echtscheidingsproces tussen echtgenoten die niet in Nederland wonen of een verschillende nationaliteit hebben?

In Duitsland en inmiddels 16 andere lidstaten van de Europese Unie wordt de wet die van toepassing is op echtscheiding in situaties waarin sprake is van een wetsconflict, beheerst door de bepalingen van de Rome III-verordening (Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed). Het op grond van de Rome III-verordening aangewezen recht moet ook worden toegepast wanneer het toepasbare recht niet het recht van een deelnemende lidstaat is.

Laatste update: 16/10/2020

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.
Sommige pagina's van deze website worden aangeleverd door de EU-landen. Momenteel doen zij het nodige om die pagina's aan te passen aan de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Mocht bepaalde informatie nog niet het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie weerspiegelen, dan is dit onbedoeld en zal dit worden gecorrigeerd.