Geringe vorderingen

Letland
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Het bestaan van een specifieke procedure voor geringe vorderingen

In Letland bestaan specifieke procedures voor geld- en alimentatievorderingen waarmee een totaalbedrag van niet meer dan 2 100 EUR is gemoeid.

Vorderingen van kleine bedragen zijn geregeld in hoofdstuk 303, artikelen 25018 – 25027, en hoofdstuk 541, artikelen 4491 – 44912, van de wet op de burgerlijke rechtsvordering (WBRv))

1.1 Toepassingsgebied van de procedure, grensbedrag

De procedures voor geringe vorderingen gelden alleen voor geld- en alimentatievorderingen (artikel 35, lid 1, onder 1) en 3), WBRv).

In procedures voor geringe vorderingen mag de som van de hoofdschuld of, in het geval van alimentatievorderingen, het totale bedrag aan gevorderde alimentatie, op de dag dat de vordering wordt ingesteld niet hoger zijn dan 2 100 EUR. In het geval van alimentatievorderingen geldt dit maximum per kind. Verder wordt met het totale bedrag aan gevorderde alimentatie het bedrag aan alimentatie bedoeld dat binnen een jaar moet worden betaald.

De nationale wettelijke bepalingen inzake geringe vorderingen gelden niet voor de procedure voor geringe vorderingen van Verordening (EG) nr.   861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen, uitgezonderd de bepalingen waarin het instellen van beroep tegen beslissingen in eerste aanleg is geregeld. Grensoverschrijdende alimentatievorderingen binnen de Europese Unie vallen onder Verordening (EG) nr.  4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.

De voor een verzoekschrift verschuldigde griffierechten (valsts nodeva) bedragen 15% van het gevorderde bedrag, met een minimum van 71,41 EUR. Alimentatievorderingen zijn vrijgesteld van griffierechten.

1.2 Toepassing van de procedure

Geringe vorderingen worden behandeld volgens de regels voor de gewone procesvoering. Wel zijn op geringe vorderingen bepaalde uitzonderingen van toepassing. De rechter begint met de behandeling van een vordering op basis van een verzoekschrift.

De rechter neemt een verzoekschrift niet in behandeling als het niet overeenkomstig  artikel 250 WBRv is opgesteld: de verzoeker heeft zijn verzoekschrift niet op het standaardformulier voor geringe vorderingen gesteld of heeft verzuimd om aan te geven of hij behandeling ter zitting wenst.

In dat geval bepaalt de rechter bij gemotiveerde beslissing dat het verzoekschrift niet in behandeling wordt genomen, stelt hij een termijn voor het herstellen van de geconstateerde gebreken en wordt de beslissing aan de verzoeker verzonden. De termijn voor het herstellen van gebreken is minimaal twintig dagen, te rekenen vanaf de dag dat de beslissing wordt verzonden. Tegen de beslissing kan beroep worden aangetekend binnen tien dagen of, als de verzoeker buiten Letland woont, vijftien dagen.

1.3 Formulieren

Verzoek en verweer moeten worden gesteld op formulieren die overeenkomen met de modellen die zijn opgenomen in verordening nr. 783 van het kabinet (Ministru kabinets) van 11 oktober 2011 betreffende formulieren voor geringe vorderingen. In de bijlagen bij die verordening zijn modellen voor de volgende formulieren opgenomen:

  1. verzoekschrift tot geringe geldvordering;
  2. verzoekschrift tot geringe alimentatievordering;
  3. verweerschrift op verzoekschrift tot geringe geldvordering;
  4. verweerschrift op verzoekschrift tot geringe alimentatievordering;

De verordening is beschikbaar op het wetgevingsportaal van Latvijas Vēstnesis, het Letse staatsblad:  http://likumi.lv/doc.php?id=237849.

Naast de gegevens van de eiser en de verweerder moet op het formulier voor geringe vorderingen de volgende informatie worden vermeld:

  1. Het districts- of gemeentelijk gerecht (rajona (pilsētas) tiesa) waarbij het verzoekschrift wordt ingediend: bij vorderingen tegen een natuurlijke persoon is het bevoegde gerecht het gerecht van de officiële woonplaats van die persoon en bij vorderingen tegen een rechtspersoon, het gerecht van de plaats van statutaire vestiging (wanneer de vordering verband houdt met de activiteiten van een bijkantoor of agentschap van de rechtspersoon-verweerder, kan de vordering ook aanhangig worden gemaakt bij het gerecht van de plaats waar dat bijkantoor of agentschap is gevestigd), tenzij de partijen schriftelijk anders zijn overeengekomen.

    Voor informatie over rechterlijke bevoegdheid, en dus over de vraag welk gerecht op het formulier moet worden vermeld, kan men terecht op het internetportaal   http://www.tiesas.lv, onder de menuknoppen Tiesas (‘Gerechten’) en Tiesu darbības teritorijas (‘Territoriale bevoegdheid’).

  2. De gegevens van de persoon die de eiser in rechte vertegenwoordigt, indien van toepassing. Om iemand in rechte te kunnen vertegenwoordigen is een door een notaris opgemaakte volmacht (pilnvara) nodig, waarvan melding moet worden gemaakt in de desbetreffende kolom ("Grondslag van vertegenwoordiging"). Wanneer de vertegenwoordiger een beëdigd advocaat (zvērināts advokāts) is, moet de vertegenwoordiging worden bevestigd door een griffier (orderis) en is net als bij vertegenwoordiging door leken een volmachtbrief nodig, maar de volmacht hoeft dan niet door een notaris te zijn opgemaakt.
  3. Het voorwerp van de vordering: de betwiste rechten en de rechtsbetrekking tussen eiser en verweerder waarvan de eiser het bestaan of niet-bestaan ter beoordeling aan de rechter voorlegt ter bescherming van zijn/haar wettelijk beschermde rechten en belangen.
  4. De wijze waarop het gevorderde bedrag is berekend: de som van de hoofdschuld (d.w.z. vóór rente en contractuele boetes), eventuele contractuele boetes en contractueel of wettelijk verschuldigde rente en het totaalbedrag.
  5. De feiten waarop de vordering steunt en het bewijs daarvan, de specifieke wettelijke bepalingen waarop de vordering is gebaseerd en de maatregel waarom wordt verzocht.
  6. Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de eiser of diens vertegenwoordiger of, als de rechtbank dit verlangt, door beiden. Bij het verzoekschrift moeten stukken worden gevoegd waaruit blijkt dat de zaak volgens de daarvoor gestelde procedures is onderworpen aan een voorafgaand buitengerechtelijk onderzoek, voor zover een dergelijk onderzoek door de wet is voorgeschreven, alsook stukken die kunnen dienen als bewijs van de feiten waarop de vordering steunt.

1.4 Rechtsbijstand

In de wet op de burgerlijke rechtsvordering zijn geen specifieke regels voor gefinancierde rechtsbijstand in procedures voor geringe vorderingen opgenomen. Eiser en verweerder kunnen zich in een procedure voor geringe vorderingen laten vertegenwoordigen.

Als de eiser zich in rechte wil laten vertegenwoordigen en het verzoekschrift is ondertekend door de vertegenwoordiger van de eiser, dan moet het verzoekschrift de voor- en achternaam, het identiteitsnummer en het correspondentieadres van de vertegenwoordiger of, wanneer de vertegenwoordiger een rechtspersoon is, diens registratienummer en plaats van statutaire vestiging vermelden. Elke natuurlijke persoon die achttien jaar of ouder is, niet onder voogdij staat en niet aan een of meer van de in artikel 84 WBRv genoemde restricties is onderworpen, kan optreden als vertegenwoordiger. Iemand die een partij in rechte vertegenwoordigt, moet daartoe door de betreffende partij door middel van een notariële volmacht zijn gemachtigd. De persoon die zich in rechte wil laten vertegenwoordigen, kan een ander ter zitting mondeling de bevoegdheid verlenen om namens hem te handelen. Deze machtiging moet in het proces-verbaal van de zitting worden vermeld. De vertegenwoordiger van een rechtspersoon moet beschikken over een volmachtbrief of een ander stuk waaruit blijkt dat hij bevoegd is om de rechtspersoon zonder speciale machtiging te vertegenwoordigen. Wanneer de vertegenwoordiger een beëdigd advocaat is, moet de vertegenwoordiging worden bevestigd door een griffier en is net als bij vertegenwoordiging door leken een volmachtbrief nodig, maar de volmacht hoeft dan niet in een notariële akte te zijn vervat. Wanneer een persoon wordt vertegenwoordigd, moeten de noodzakelijke stukken bij de rechtbank worden ingediend en worden ondertekend door de persoon die overeenkomstig de volmacht als vertegenwoordiger optreedt.

1.5 Regels betreffende het bewijs

Op de bewijsvoering zijn de algemene bepalingen van de wet op de burgerlijke rechtsvordering van toepassing. Overeenkomstig die bepalingen wordt in procedures voor geringe vorderingen het volgende bewijs toegelaten: verklaringen van partijen of derden, verklaringen van getuigen, schriftelijk bewijs en deskundigenverklaringen.

1.6 Schriftelijke procedure

De rechter begint met de behandeling van een geringe vordering op basis van een verzoekschrift. Naar de verweerder worden een afschrift van het verzoek, afschriften van de daarbij gevoegde stukken en een formulier voor opmerkingen gezonden. De verweerder moet eventuele opmerkingen binnen 30 dagen indienen. De rechtbank stelt de verweerder er ook van in kennis dat het niet indienen van een verweerschrift geen beletsel vormt voor het doen van uitspraak in de zaak en dat hij kan verzoeken om behandeling ter zitting. Wanneer de rechtbank de stukken naar de partijen zendt, legt ze ook uit wat hun procedurele rechten zijn, hoe de rechtbank die de zaak zal behandelen, is samengesteld en welke rechtsmiddelen zij hebben tegen beslissingen van de rechter. De wet op de burgerlijke rechtsvordering kent de partijen bepaalde procedurele rechten toe met betrekking tot de voorbereiding van de behandeling van de zaak ter terechtzitting, die tot zeven dagen voor de zittingsdatum kunnen worden uitgeoefend.

Het verweer moet zijn gesteld op een formulier dat overeenkomt met een door het kabinet goedgekeurd model. Het betreft een van de modellen die zijn opgenomen in de bijlage bij verordening nr. 783 van het kabinet van 11 oktober 2011 betreffende formulieren voor geringe vorderingen (het model is beschikbaar op het portaal voor informatie over de Letse rechtbanken:  http://likumi.lv/doc.php?id=237849). In het verweerschrift moet de volgende informatie worden verstrekt:

  1. de rechtbank waarbij het verweerschrift wordt ingediend;
  2. de voor- en achternaam, het identiteitsnummer en de officiële woonplaats van de eiser of, bij ontstentenis daarvan, diens feitelijke woonplaats, dan wel, in het geval dat de eiser een rechtspersoon is, zijn naam, registratienummer en plaats van statutaire vestiging;
  3. de voor- en achternaam, het identiteitsnummer en de officiële woonplaats van de verweerder en, voor zover beschikbaar, een aanvullend adres of, bij ontstentenis daarvan, diens feitelijke woonplaats, dan wel, in het geval dat de verweerder een rechtspersoon is, zijn naam, registratienummer en plaats van statutaire vestiging; verder kan de verweerder ook nog een adres voor het ontvangen van rechtbankstukken opgeven;
  4. het zaaknummer en het voorwerp van de vordering;
  5. of de vordering geheel of gedeeltelijk wordt erkend;
  6. het verweer tegen de vordering en de gronden en wettelijke bepalingen waarop het verweer is gebaseerd;
  7. bewijs van hetgeen als verweer tegen de vordering wordt aangevoerd;
  8. verzoek aan de rechter om de eiser te gelasten bewijs van het gestelde te leveren;
  9. of de verweerder wil dat de eiser bij afwijzing van diens vordering in de kosten wordt veroordeeld;
  10. of de verweerder nog andere aan de behandeling van de zaak gerelateerde kosten op de eiser wil verhalen, met vermelding van het bedrag en toevoeging van stukken ter onderbouwing van dit bedrag;
  11. of de verweerder behandeling ter zitting wenst;
  12. 12.  eventuele andere omstandigheden die de verweerder van belang acht voor de behandeling van de zaak;
  13. eventuele andere verzoeken;
  14. een lijst van de stukken die bij het verweerschrift zijn gevoegd;
  15. plaats, datum en tijd van opstelling van het verweerschrift.

De verweerder kan binnen dertig dagen nadat het verzoekschrift aan hem is verzonden, een tegenvordering instellen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1) vordering en tegenvordering kunnen met elkaar worden verrekend; 2) het toelaten van de tegenvordering belet de rechtbank om alle of een deel van de vorderingen in het inleidende verzoekschrift toe te wijzen; 3) vordering en tegenvordering zijn aan elkaar gerelateerd en kunnen sneller en beter gezamenlijk worden behandeld. De zaak wordt behandeld in een procedure voor geringe vorderingen als de tegenvordering een geringe vordering is: het gevorderde bedrag overschrijdt niet het toegestane maximum en de eis is dienovereenkomstig opgesteld.

Wanneer het totale bedrag van de tegenvordering hoger is dan het voor geringe vorderingen gestelde maximum, of als de tegenvordering geen geld- of alimentatievordering is, wordt de zaak behandeld in een gewone procedure.

Wanneer de partijen niet verzoeken om een behandeling ter zitting en de rechtbank van oordeel is dat behandeling ter zitting niet nodig is, wordt een geringe vordering in een schriftelijke procedure behandeld. In dat geval worden de partijen tijdig in kennis gesteld van de datum en het tijdstip waarop ze bij de griffie van de rechtbank een afschrift van de uitspraak kunnen krijgen. Deze datum wordt geacht de datum van de (volledige) uitspraak te zijn.

Op daartoe strekkend verzoek van een partij of wanneer de rechtbank van oordeel is dat dit nodig is, wordt de zaak ter zitting in een gewone procedure behandeld.

Wanneer de woon- of verblijfplaats van een partij niet in Letland of onbekend is, worden rechtbankstukken betekend overeenkomstig voor Letland bindende internationale regelgeving en EU-wetgeving, in het bijzonder artikel 13 van Verordening (EG) nr.  861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen.

1.7 Inhoud van het vonnis

Een uitspraak wordt gewezen door onmiddellijk nadat de uitspraak is opgesteld een afschrift ervan aan de partijen uit te reiken.

Een afschrift van de uitspraak kan per post worden verzonden of op een andere manier aan de partijen worden meegedeeld, mits in overeenstemming met de in de wet op de burgerlijke rechtsvordering neergelegde procedures voor het betekenen van gerechtelijke stukken. Het afschrift moet onmiddellijk nadat de volledige uitspraak is opgesteld, worden verzonden. De datum waarop partijen het afschrift ontvangen, is voor een eventuele tenuitvoerleggings- of beroepstermijn niet van belang.

De uitspraak in een procedure voor geringe vorderingen moet in overeenstemming zijn met de algemene bepalingen van de wet op de burgerlijke rechtsvordering inzake de inhoud van rechterlijke beslissingen. Een uitspraak bestaat uit vier delen:

  1. In het inleidende gedeelte staat dat de uitspraak wordt gewezen in naam van de Republiek Letland en wordt de datum van de uitspraak, de rechtbank die de uitspraak wijst, de samenstelling van die rechtbank, de namen van de zittingsgriffier en de procederende partijen en het voorwerp van het geschil vermeld.
  2. In het beschrijvende gedeelte staat wat de eiser vordert, eventueel de tegenvordering van de verweerder, het gestelde verweer en de essentie van wat door partijen is verklaard.
  3. In de motivering staan de feiten die tijdens de behandeling van de zaak zijn vastgesteld, het bewijs waarop de uitspraak is gebaseerd en de redenen waarom bepaald bewijs is verworpen. In dit gedeelte van de uitspraak staat ook de wet- en regelgeving die de rechtbank heeft toegepast, haar beoordeling van de feiten en de conclusies ten aanzien van het wel of niet gegrond zijn van de vordering. Wanneer de verweerder de vordering in haar geheel heeft erkend, beperkt de rechtbank zich in de motivering tot een opsomming van de toegepaste wet- en regelgeving.
  4. In het dictum staat of de rechtbank de vordering toe- of afwijst (een vordering kan ook gedeeltelijk worden toe- of afgewezen) en wordt de inhoud van de uitspraak uitvoerig weergegeven. Daarin wordt ook vermeld wie welk deel van de rechtbankkosten moet betalen, eventueel de termijn waarbinnen de uitspraak moet worden uitgevoerd alvorens tot gedwongen tenuitvoerlegging kan worden overgegaan, de beroepstermijn en de procedure voor het instellen van beroep en de datum van de uitspraak.

De partijen kunnen tegen een in een procedure voor geringe vorderingen gewezen uitspraak beroep aantekenen op de in de wet op de burgerlijke rechtsvordering genoemde gronden.

1.8 Vergoeding van de kosten

Op geringe vorderingen zijn de algemene regels betreffende de betaling van rechtbankkosten van toepassing.

Wanneer de uitspraak wordt gewezen, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de rechtbankkosten van de in het gelijk gestelde partij veroordeeld. Wanneer de vordering slechts ten dele wordt toegewezen, worden verweerder en eiser elk veroordeeld in een gedeelte van de rechtbankkosten van de ander, naar evenredigheid van het gedeelte van de vordering dat is toe- en het gedeelte dat is afgewezen. De griffierechten (valsts nodeva) die zijn betaald bij het indienen van een bezwaarschrift (valsts nodeva) tegen een rechterlijke beslissing of, in het geval van een bij verstek gewezen vonnis, een verzoekschrift tot heropening van de procedure en een nieuwe behandeling van de zaak, kunnen niet worden verhaald.

Wanneer de eiser zijn vordering intrekt, moet hij de rechtbankkosten van de verweerder vergoeden. In dat geval hoeft de verweerder de rechtbankkosten van de eiser niet te vergoeden. Maar wanneer de eiser de vordering intrekt omdat de verweerder de vordering uit eigen beweging voldoet nadat het verzoekschrift is ingediend, kan de rechtbank de verweerder op verzoek van de eiser veroordelen in het betalen van diens rechtbankkosten.

Evenzo kan in het geval dat een vordering niet wordt toegelaten, de eiser op verzoek van de verweerder worden verwezen in de rechtbankkosten van laatstgenoemde.

Wanneer de eiser is vrijgesteld van rechtbankkosten, kan de verweerder worden verwezen in het betalen van de rechtbankkosten naar evenredigheid van het gedeelte van de vordering dat is toegewezen.

1.9 Mogelijkheid van hoger beroep

Tegen een uitspraak in eerste aanleg kan beroep (apelācija) worden aangetekend wanneer de rechtbank:

  • een regel van materieel recht onjuist heeft toegepast of uitgelegd, waardoor een onjuiste beslissing in de zaak is gegeven;
  • een regel van formeel recht heeft geschonden, waardoor een onjuiste beslissing in de zaak is gegeven;
  • feiten onjuist heeft vastgesteld of bewijs onjuist heeft gewaardeerd, of een onjuiste juridische beoordeling van de omstandigheden van de zaak heeft gegeven, waardoor een onjuiste beslissing in de zaak is gegeven.

Voor geringe vorderingen die in een schriftelijke procedure zijn behandeld, gaat de beroepstermijn in op de dag dat de uitspraak officieel is opgesteld.

Naast de in de wet op de burgerlijke rechtsvordering genoemde punten moet een beroepschrift waarin wordt gesteld dat een uitspraak gebrekkig is, het volgende vermelden:

  • welke regel van materieel recht de rechtbank van eerste aanleg onjuist heeft toegepast of uitgelegd of welke regel van formeel recht ze heeft geschonden, en de wijze waarop dit de beslissing in de zaak heeft beïnvloed;
  • welke feiten de rechtbank in eerste aanleg onjuist heeft vastgesteld, welke bewijzen ze onjuist heeft gewaardeerd, waaruit blijkt dat sprake is van een onjuiste juridische beoordeling van de zaak en op welke wijze dit de beslissing in de zaak heeft beïnvloed.

Een van de rechters van de rechtbank die de beroepen beslissing heeft gewezen, bepaalt of het beroep doorgang kan vinden: als het beroep niet voldoet aan de vereisten van de wet op de burgerlijke rechtsvordering of niet alle vereiste stukken bij het beroepschrift zijn gevoegd, zoals een beëdigde vertaling van het beroepschrift en de bijgevoegde stukken, voor zover vereist, stelt de rechter een termijn voor het herstellen van de geconstateerde gebreken.

Wanneer de gebreken binnen die termijn worden hersteld, wordt het beroep geacht te zijn ingesteld op dag dat het beroepschrift voor de eerste keer werd ingediend. Gebeurt dat niet, dan wordt het beroepschrift geacht nooit te zijn ingediend en aan de verzoeker geretourneerd.

Een beroepschrift dat niet is ondertekend of dat is ingediend door een daartoe niet naar behoren gemachtigde persoon, of waarvoor de verschuldigde griffierechten niet zijn betaald, wordt niet in behandeling genomen en aan de verzoeker geretourneerd. Tegen een beslissing tot het niet toelaten van een beroepschrift kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

Nadat een rechter van het appelgerecht zich ervan heeft verzekerd dat aan de vereisten van de procedure voor het instellen van beroep is voldaan, geeft hij een beslissing tot het inleiden van de beroepsprocedure. Die beslissing wordt binnen dertig dagen na ontvangst van het beroepschrift gegeven. In sommige gevallen beslist een college van drie rechters.

Wanneer ten minste een van de mogelijke beroepsgronden aanwezig is, geeft de rechter de beslissing tot het inleiden van de beroepsprocedure en stelt hij de partijen hiervan onverwijld in kennis, met vermelding van de termijn voor het indienen van schriftelijke verklaringen.

Als de rechter van oordeel is dat er geen gronden zijn voor het instellen van beroep, wordt de vraag naar de aanwezigheid van beroepsgronden voorgelegd aan een college van drie rechters.

Als ten minste een van hen van oordeel is dat ten minste een van de mogelijke gronden voor het instellen van beroep aanwezig is, wordt een beslissing gegeven tot het inleiden van de beroepsprocedure en worden de partijen hiervan onverwijld in kennis gesteld.

Als de rechters unaniem van oordeel zijn dat geen van de gronden voor het instellen van beroep aanwezig is, wordt een afwijzende beslissing gegeven en worden de partij hiervan onverwijld in kennis gesteld. Tegen deze beslissing (rezolūcija) kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

Nadat het appelgerecht de partijen ervan in kennis heeft gesteld dat een beroepsprocedure is ingeleid, hebben ze twintig dagen de tijd tot het indienen van schriftelijke verklaringen over het beroepschrift, die in evenveel exemplaren moeten worden ingediend als er partijen zijn.

Nadat een partij in kennis is gesteld van de inleiding van een beroepsprocedure, heeft ze twintig dagen de tijd tot het indienen van een verweerschrift. De rechtbank stuurt de andere partijen een kopie hiervan.

Beroepen tegen uitspraken in procedures voor geringe vorderingen worden in de regel in een schriftelijke procedure behandeld. De partijen worden tijdig in kennis gesteld van de datum waarop ze bij de griffie van de rechtbank een afschrift van de uitspraak kunnen krijgen. Ook worden ze geïnformeerd over de samenstelling van de rechtbank en de mogelijkheid om tegen de uitspraak in beroep te gaan. Een uitspraak wordt geacht te zijn opgesteld op de dag dat bij de griffie van de rechtbank een afschrift ervan kan worden verkregen. Wanneer de rechtbank het nodig acht, kan een beroep tegen een in een procedure voor een geringe vordering gegeven uitspraak ter zitting worden behandeld.

De uitspraak van een appelgerecht is niet vatbaar voor cassatie en treedt in kracht van gewijsde op het moment dat ze wordt gewezen of, in geval van een schriftelijke procedure, op de datum dat ze officieel is opgesteld.

Laatste update: 07/02/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.