Verordening Brussel I (herschikking)

Litouwen

Inhoud aangereikt door
Litouwen

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1. Hoe kan het in het geding roepen van een derde in algemene termen worden beschreven?

Op grond van het bepaalde in de artikelen 46 en 47 van het Litouwse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas) kunnen derden ervoor kiezen om al dan niet een zelfstandige vordering in te stellen in een aanhangige zaak.

Een derde die een zelfstandige vordering instelt in de aanhangige zaak, kan alleen op eigen initiatief aan de procedure deelnemen. Een dergelijke derde neemt zelfstandig deel aan de zaak en staat niet aan de zijde van de eiser of gedaagde. Een derde die een zelfstandige vordering instelt, kan totdat de rechter begint met de opsomming van de standpunten, worden toegelaten tot de procedure.

Een derde die geen zelfstandige vordering instelt in de aanhangige zaak, kan totdat de rechter begint met de opsomming van de standpunten, worden toegelaten aan de zijde van de eiser of gedaagde als een uitspraak in de zaak gevolgen kan hebben voor zijn rechten of verplichtingen. Hij kan ook tot de procedure worden toegelaten op grond van een gemotiveerd verzoek van de partijen of op initiatief van de rechter.

Derden worden van een zaak die is aangespannen, op de hoogte gesteld en worden uitgenodigd om aan de procedure voor een Litouwse rechter deel te nemen door middel van een dagvaarding of kennisgeving, waarbij een afschrift van de vordering wordt toegezonden. Krachtens artikel 133, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden de partijen die bij een zaak betrokken zijn (waaronder derden), door middel van een dagvaarding of kennisgeving op de hoogte gesteld van de datum en plaats van de terechtzitting of van afzonderlijke procedurele maatregelen. Het informeren van derden over een zaak is echter de taak van het gerecht en niet van de partijen. De partijen geven in hun vorderingen enkel aan dat er derden in het geding moeten worden geroepen.

Een derde die een zelfstandige vordering instelt, heeft dezelfde rechten en verplichtingen als de eiser.

Een derde die geen zelfstandige vordering instelt, heeft dezelfde procedurele rechten (waaronder het recht op onkostenvergoeding) en verplichtingen als de procespartijen, met uitzondering van het recht om de gronden en het onderwerp van de vordering te wijzigen, de eis te vermeerderen of verminderen, de vordering in te trekken, de vordering te erkennen of een schikking te treffen. Ook heeft hij niet het recht te verzoeken om tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing. Een derde die geen zelfstandige vordering instelt, kan niet handelen in strijd met de belangen van de partij aan wier zijde hij tot de procedure is toegelaten.

2. Wat zijn de belangrijkste gevolgen van rechterlijke beslissingen voor personen die als derde in het geding worden geroepen?

Dankzij de deelname van derden die een zelfstandige vordering instellen, kan in één zaak uitspraak worden gedaan over diverse samenhangende geschillen over dezelfde kwestie. In dat geval kunnen er geen verdere procedures aanhangig worden gemaakt tegen derden die een zelfstandige vordering hebben ingesteld (en kunnen die derden geen verdere procedures aanhangig maken tegen dezelfde gedaagde), aangezien het geschil tussen die partijen over die specifieke kwestie geacht wordt te zijn beslecht. Als iemand op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om als derde aan een lopende rechtszaak deel te nemen door een zelfstandige vordering in te stellen maar dit niet heeft gedaan, kan er op een later moment een afzonderlijke procedure tegen hem worden aangespannen in verband met dezelfde kwestie. De eerste uitspraak mag echter geen gevolgen hebben voor de rechten en verplichtingen van iemand die niet als derde aan de procedure heeft deelgenomen.

Als er in een zaak een beslissing wordt gegeven, mag de rechter niet tegelijkertijd ook uitspraak doen over de rechten en verplichtingen van een derde die geen zelfstandige vordering heeft ingesteld tegen een partij waartoe hij of zij in een materiële rechtsverhouding staat. Dit betekent dat een rechterlijke beslissing in een zaak waaraan derden deelnemen die geen zelfstandige vordering hebben ingesteld, geen belemmering opwerpt voor het aanhangig maken van een andere zaak tegen een derde die deelnam aan de oorspronkelijke zaak maar daarin geen zelfstandige vordering heeft ingesteld. In dat geval geldt de eerste rechterlijke beslissing echter als een voorlopige uitspraak. Dat wil zeggen dat in het geval van een andere zaak waarbij dezelfde partijen zijn betrokken (bijv. een vrijwaringsvordering), de omstandigheden zoals die in de eindbeslissing in de oorspronkelijke zaak zijn vastgesteld, niet in aanmerking hoeven te worden genomen (artikel 182, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Als iemand niet op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om als derde aan een lopende rechtszaak deel te nemen – met of zonder het instellen van een zelfstandige vordering – of als iemand daarvan wel op de hoogte is gesteld, maar niet aan de procedure heeft deelgenomen terwijl de rechter uitspraak heeft gedaan over zijn materiële rechten en verplichtingen, kan dit een grond opleveren om de zaak te heropenen. Als iemand niet heeft deelgenomen aan de procedure, geldt de betreffende rechterlijke uitspraak voor hem of haar doorgaans niet als een voorlopige uitspraak.

3. Zijn er bindende gevolgen wat de juridische beoordeling in het hoofdgeding betreft?

Zie het antwoord op vraag 2.

4. Zijn er bindende gevolgen met betrekking tot vastgestelde feiten die de derde in het hoofdgeding niet kon betwisten bv. omdat de partijen die feiten niet betwistten?

Zie het antwoord op vraag 2.

5. Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen, ongeacht of de derde al dan niet aan het hoofdgeding heeft deelgenomen?

Nee. De gerechtelijke beslissing in de eerste (hoofd)procedure kan geen gevolgen hebben voor de rechten en verplichtingen van iemand die in het geding is geroepen maar niet als derde aan de procedure heeft deelgenomen. Als iemand niet op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om als derde aan een lopende rechtszaak deel te nemen – met of zonder het instellen van een zelfstandige vordering – of als iemand daarvan wel op de hoogte is gesteld, maar niet aan de procedure heeft deelgenomen terwijl de rechter uitspraak heeft gedaan over zijn materiële rechten en verplichtingen, kan dit een grond opleveren om de zaak te heropenen.

6. Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen voor de relatie tussen de derde en de tegenpartij van de kennisgevende partij?

Zie het antwoord op vraag 2.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

In Litouwen, het hof van beroep van Litouwen (Lietuvos apeliacinis teismas).

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

In Litouwen, het hof van beroep van Litouwen (Lietuvos apeliacinis teismas).

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

In Litouwen, beroep in cassatie bij het hooggerechtshof van Litouwen (Lietuvos Aukščiausiasis Teismas).

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

In Litouwen, artikel 783, lid 3, artikel 787 en artikel 789, lid 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas).

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

In Litouwen, de artikelen 46 en 47 van het Litouwse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas).

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen de Republiek Litouwen, de Republiek Estland en de Republiek Letland inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen, ondertekend te Tallinn op 11 november 1992;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Litouwen en de Republiek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie-, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 26 januari 1993.
Laatste update: 27/02/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Feedback

Met onderstaand formulier kunt u ons opmerkingen en feedback sturen over onze nieuwe website