Verordening Brussel I (herschikking)

Hongarije

Inhoud aangereikt door
Hongarije

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1. Wat houdt het in het geding roepen van een derde in op grond van Hongaars procesrecht?

Een partij die in het ongelijk is gesteld en een vordering wil instellen tegen een derde, of tegen wie door een derde een vordering is ingesteld, kan die derde een kennisgeving sturen waarmee hij in het geding wordt geroepen. Een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen, kan niet alleen worden verzonden door een verzoeker of gedaagde, maar ook door een tussenkomende partij of een in het geding geroepen derde.

2. Termijnen voor het in het geding roepen van een derde als procedurele handeling

Een gedaagde kan een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen, indienen binnen dertig dagen na ontvangst van een vordering, en de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van een materiële tegenvordering. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op toegewezen eiswijzigingen en tegenvorderingen.

Iemand die na het begin van de procedure tussenkomt, d.w.z. de tussenkomende partij of de in het geding geroepen derde, kan binnen dertig dagen na tussenkomst in de procedure zelf een derde in het geding roepen. In zaken die als bijzonder ernstig worden beschouwd (met een betwist bedrag boven 400 miljoen HUF), bedraagt de termijn voor de kennisgevingen van de kennisgevende partij en de in het geding geroepen derde niet dertig, maar vijftien dagen. Een kennisgeving die na het verstrijken van de termijn door de kennisgever wordt ingediend, is nietig. Met andere woorden: deze wordt door de rechter geacht niet te zijn verzonden.

3. Verzending van een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen

De kennisgevende partij heeft twee verplichtingen bij het in het geding roepen van een derde. Ten eerste moet de kennisgevende partij een schriftelijke kennisgeving verzenden aan de betrokken derde waarin hij de gronden voor de kennisgeving uiteenzet en een kort overzicht geeft van de stand van het geding. Ten tweede moet de kennisgeving worden ingediend bij het gerecht – schriftelijk of mondeling op de terechtzitting – waarbij ook de gronden voor de kennisgeving worden vermeld. Als de kennisgeving bij het gerecht wordt ingediend, moet de kennisgevende partij documenten bijvoegen waaruit blijkt dat de in het geding geroepen derde de kennisgeving heeft ontvangen en waaruit ook de datum van ontvangst blijkt.

Als de in het geding geroepen derde het gerecht niet binnen dertig dagen na de kennisgeving waarvoor de kennisgevende partij bewijs heeft geleverd, een verklaring toezendt over deelname aan de procedure, wordt de in het geding geroepen derde geacht de kennisgeving niet te hebben aanvaard. Een verklaring die na het verstrijken van de termijn wordt ingediend, is nietig.

Als de in het geding geroepen derde de kennisgeving aanvaardt, kan hij aan de zijde van de kennisgever als tussenkomende partij deelnemen aan de procedure. Hiervan kan schriftelijk of mondeling op de terechtzitting kennis worden gegeven.

Overigens zijn op de toelating van de in het geding geroepen derde als tussenkomende partij en de juridische status van de in het geding geroepen derde de regels inzake tussenkomst van toepassing.

4. Rechtsgevolgen van het in het geding roepen van een derde:

Als de in het geding geroepen derde de kennisgeving aanvaardt, kan hij aan de zijde van de kennisgever als (uitgenodigde) tussenkomende partij deelnemen aan de procedure. Het Hongaarse burgerlijk procesrecht onderscheidt twee situaties in het geval van tussenkomende partijen.

- Indien de rechterlijke beslissing zich niet uitstrekt tot de rechtsverhouding tussen de tussenkomende partij en de wederpartij, kan de tussenkomende partij (oorspronkelijk: de in het geding geroepen derde) zelfstandig alle rechtshandelingen verrichten die kunnen worden verricht door de partij die door de tussenkomende partij wordt ondersteund, met uitzondering van schikkingen, de erkenning van rechten en het doen van afstand van rechten. De handelingen van de tussenkomende partij hebben alleen gevolgen voor zover de ondersteunde partij die handelingen niet verricht en zij niet in strijd zijn met de handelingen van de ondersteunde partij.

- Indien, naar geldend recht, de rechterlijke beslissing zich ook uitstrekt tot de rechtsverhouding tussen de tussenkomende partij en de wederpartij, kan de tussenkomende partij (oorspronkelijk: de in het geding geroepen derde) zelfstandig alle rechtshandelingen verrichten die kunnen worden verricht door de partij die zij ondersteunt, met uitzondering van schikkingen, de erkenning van rechten en het doen van afstand van rechten, en hebben zulke handelingen ook gevolgen als zij strijdig zijn met de handelingen van de ondersteunde partij. Tijdens de behandeling van de zaak beoordeelt de rechter de gevolgen van zulke strijdige handelingen, rekening houdend met de overige aspecten van de zaak.

De vraag of een rechterlijke beslissing zich uitstrekt tot de rechtsverhouding tussen de tussenkomende partij en de wederpartij, valt echter niet onder de discretionaire bevoegdheid van de rechter, maar vloeit uitsluitend voort uit wettelijke bepalingen.

Een voorbeeld van zulk een wettelijke bepaling is artikel 32, lid 2, van Wet LXII van 2009 betreffende de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen, waarin het volgende is bepaald: "Onder de reikwijdte van een wettelijk bindende beslissing tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde valt tevens de verzekerde, alsmede de exploitant en de bestuurder in de in artikel 35, lid 1, genoemde gevallen, indien de rechter aldus beslist in een rechtszaak tussen de benadeelde en de verzekeringsmaatschappij, de schaderegelaar, het Nationaal Bureau of de beheerder van het Schadevergoedingsfonds." (Het genoemde artikel 35, lid 1, luidt als volgt: "De benadeelde kan bij de beheerder van het Schadevergoedingsfonds een vordering instellen tot vergoeding van schade of letsel die/dat op het grondgebied van Hongarije is veroorzaakt door een motorrijtuig dat in strijd met de verzekeringsplicht niet is verzekerd, door een niet-geïdentificeerde bestuurder of door een niet-geïdentificeerd voertuig of tijdens de in artikel 26 bedoelde schorsingsperiode, behoudens de in artikel 36 vermelde uitzonderingen. De beheerder van het Schadevergoedingsfonds biedt dekking voor vorderingen tot de in artikel 13, lid 1, genoemde bedragen. De beheerder van het Schadevergoedingsfonds vergoedt tevens schade aan de benadeelde die is veroorzaakt door een motorrijtuig dat niet in gebruik is genomen of buiten gebruik is gesteld.")

Aanvaarding van een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen, betekent niet dat de in het geding geroepen derde een verplichting jegens de kennisgevende partij erkent. Over de rechtsverhouding tussen de kennisgevende partij en de in het geding geroepen derde kan in de hoofdprocedure (waarvoor de in het geding geroepen derde is uitgenodigd) geen beslissing worden genomen.

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Zie het informatieblad Procedures voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

In Hongarije, de kantonrechtbanken (Járásbíróság) gevestigd in de regionale rechtbank (Törvényszék). In het district Pest: de kantonrechtbank van Boeda, in Boedapest: de centrale kantonrechtbank van Boeda.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

In Hongarije, de regionale rechtbanken (Törvényszék). In Boedapest: de regionale rechtbank van de hoofdstad (Fővárosi Törvényszék),

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in Hongarije, de Kúria (via een verzoek om toetsing van de beslissing bij een rechterlijke instantie van eerste aanleg).

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

- in Hongarije: artikel 57 van Wetgevingsdecreet nr. 13 van 1979 inzake internationaal privaatrecht.

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

- in Hongarije: de artikelen 58-60 (betreffende het in het geding roepen van derden) van Wet III van 1952 inzake het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • het Verdrag tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Volksrepubliek Bulgarije inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Sofia op 16 mei 1966;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Cyprus en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp in burgerlijk en strafzaken, ondertekend te Boedapest op 30 november 1981;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp en regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Bratislava op 28 maart 1989, dat nog van kracht is met betrekking tot de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek;
  • de Overeenkomst tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Franse Republiek inzake rechtshulp in burgerrechtelijke en familierechtelijke aangelegenheden, inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, inzake rechtshulp in strafzaken en inzake uitlevering, ondertekend te Boedapest op 31 juli 1980;
  • de Overeenkomst tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Helleense Republiek inzake rechtshulp in burgerlijk en strafzaken, ondertekend te Boedapest op 8 oktober 1979;
  • het Verdrag tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië inzake wederzijdse rechtshulp, ondertekend op 7 maart 1968, met betrekking tot de Republiek Kroatië en de Republiek Slovenië;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Boedapest op 6 maart 1959;
  • het Verdrag tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Volksrepubliek Roemenië inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Boekarest op 7 oktober 1958.
Laatste update: 27/02/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.