Which country's law applies?

When you are involved in litigation in a case where not all the facts of the case are connected with the same country, there is a need to establish the law which will be applied by the court in making a decision on the substance of the matter.

As international trade and travel expand, so too does the risk that a company or an individual might be involved in a dispute having an international element. The international element could be because the parties are of different nationality or that they reside in different countries or that they have entered into a contract concerning a transaction taking place abroad.

In the event of a dispute, it is not enough to determine which court has international jurisdiction to hear and determine the case; it also has to be established which law will be applicable to determine the substance of the matter.

Please select the relevant country's flag to obtain detailed national information.

Last update: 18/01/2019

This page is maintained by the European Commission. The information on this page does not necessarily reflect the official position of the European Commission. The Commission accepts no responsibility or liability whatsoever with regard to any information or data contained or referred to in this document. Please refer to the legal notice with regard to copyright rules for European pages.

Welk recht is van toepassing? - België

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De bindende rechtsbronnen van het Belgisch nationaal recht zijn de wetgeving, de algemene rechtsbeginselen en het gewoonterecht. De wetgeving wordt noodzakelijkerwijs uitgevaardigd door een autoriteit, de algemene rechtsbeginselen hebben rechtskracht omdat de maatschappij overtuigd is van hun juridische waarde en het gewoonterecht wordt gevormd door de ongeschreven gewoonten en de algemeen aanvaarde praktijken.

In België kent men geen precedentwerking van voorafgaande rechterlijke beslissingen: volgens de leer is de jurisprudentie slechts een gezaghebbende bron van het recht. Rechterlijke uitspraken zijn enkel geldig tussen de partijen en zijn niet bindend voor andere rechters die uitspraak moeten doen in vergelijkbare zaken. Met uitzondering van het Grondwettelijk Hof kan geen enkel gerecht andere rechtbanken verplichten om een door de jurisprudentie bepaalde lijn te volgen. Zelfs een arrest van het Hof van Cassatie legt geen bindende richtlijnen op aan de rechtbank waarnaar het Hof de zaak voor heroverweging verwijst. De inhoud van een arrest van het Hof van Cassatie wordt alleen bindend voor de rechtbank die definitief moet beslissen wanneer dit Hof voor een tweede maal een arrest wijst in dezelfde zaak.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Opmerking:

De Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken beschikt over een database met een overzicht van de bilaterale en multilaterale verdragen sinds 1987:

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://diplomatie.belgium.be/nl/verdragen

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://diplomatie.belgium.be/fr/traites

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://diplomatie.belgium.be/de/vertrage

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://diplomatie.belgium.be/en/treaties

De tekst van vele van kracht zijnde verdragen in België is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is elektronisch te raadplegen (vanaf 1997): De link wordt in een nieuw venster geopend.http://justice.belgium.be/.

U kunt ook de tekst van vele verdragen, zelfs van vóór 1987, vinden op dezelfde website onder "geconsolideerde wetgeving" (2800 items op 1 augustus 2004).

België is in beginsel een soevereine staat die het hoogste gezag over zijn justitiabelen heeft. Gezien de toenemende internationalisering van de samenleving is België evenwel steeds meer gebonden aan de regelgeving van supranationale en internationale organisaties en instellingen. De Europese Unie (EU), de Verenigde Naties (VN), de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de Raad van Europa in het bijzonder drukken hun stempel op de Belgische wetgeving, enerzijds door het uitvaardigen van verdragen en verordeningen (rechtstreeks van toepassing of niet), en anderzijds door het opleggen van richtlijnen en juridische harmonisatiemaatregelen om de lidstaten van deze organisaties te verplichten hun nationale rechtsstelsels aan te passen.

De toepasselijke verdragen inzake de rechten van de mens zijn het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Europees Sociaal Handvest, beide uitgevaardigd door de Raad van Europa. De vergelijkbare teksten van de Verenigde Naties zijn respectievelijk het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

Als supranationale organisatie oefent de Europese Unie (EU) grote invloed uit op haar lidstaten, waaronder België. De belangrijkste rechtsinstrumenten van de EU zijn de verordeningen, die rechtstreeks van toepassing zijn, en de richtlijnen, die door de lidstaten zelf omgezet dienen te worden.

Talloze instellingen en organisaties zijn actief in de ontwikkeling van allerlei rechtsgebieden, zoals het internationaal privaatrecht, internationaal strafrecht en het internationaal handels- en economisch recht. Om er enkele te noemen: de Verenigde Naties, UNCITRAL, de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht, UNIDROIT, de Raad van Europa, de Europese Unie en de Europese Gemeenschap, de Internationale Commissie voor de burgerlijke stand, IMO (Internationale Maritieme organisatie), IATA (luchtvervoer), de Benelux enz.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Zowel de federale overheid als de autoriteiten van de gefedereerde entiteiten van België hebben elk binnen de grenzen van hun materiële bevoegdheden de mogelijkheid om bilaterale verdragen met andere landen of regio’s in de wereld af te sluiten. De meeste van deze verdragen zijn afgesloten met buurlanden of met landen waarmee België nauwe of belangrijke zakelijke relaties onderhoudt.

2 Toepassing van de conflictregels

De wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht (hierna "IPR-wetboek" genoemd) is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 27 juli 2004. Deze wet is te vinden op dde De link wordt in een nieuw venster geopend.website  "geconsolideerde wetgeving".

Deze tekst is gebaseerd op het IPR-wetboek. De bepalingen van deze wet met betrekking tot enerzijds de internationale bevoegdheid en anderzijds de uitwerking van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten zijn respectievelijk van toepassing op rechtsvorderingen ingesteld na de inwerkingtreding van de wet en op de rechterlijke beslissingen en authentieke akten van na de inwerkingtreding van de wet. Op gevallen die niet vallen onder de overgangsbepalingen van het IPR-wetboek, zijn uiteenlopende wetsbepalingen van toepassing alsook rechtspraak en rechtsleer. Zie met name:

- De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.law.kuleuven.be/ipr

- De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.ipr.be/

- De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.dipr.be/

Het IPR-wetboek kan overigens alleen worden toegepast indien internationale verdragen, het recht van de Europese Unie of bepalingen van specifieke wetgeving niet kunnen worden toegepast.

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De Belgische rechter past niet alleen de Belgische wetgeving toe; hij moet vaak een vonnis vellen op basis van buitenlands recht.

Het Belgisch internationaal privaatrecht bepaalt dat het buitenlandse recht wordt toegepast volgens de interpretatie uit het buitenland en dat de rechter om hulp van de partijen kan verzoeken indien hij niet zelf de inhoud van het buitenlandse recht kan vaststellen. Indien het voor de rechter kennelijk onmogelijk is om de inhoud van buitenlands recht tijdig vast te stellen, is het Belgisch recht van toepassing (zie artikel 15 van het IPR-wetboek).

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Sinds de aanneming van het wetboek van internationaal privaatrecht wordt herverwijzing in het algemeen niet meer geaccepteerd (artikel 16 van het IPR-wetboek). Het wetboek bevat echter een uitzondering met betrekking tot het recht dat van toepassing is op rechtspersonen (artikel 110 van het IPR-wetboek) en een bepaling voor mogelijke herverwijzing naar het Belgisch recht inzake de bekwaamheid van natuurlijke personen (zie hieronder).

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Er kan sprake zijn van een ‘conflit mobile’ wanneer de aanknopingsfactor varieert in de tijd (bijvoorbeeld de nationaliteit) of in de ruimte (bijvoorbeeld de gewone verblijfplaats).

Het wetboek van internationaal privaatrecht tracht de regel aan te wijzen die moet worden toegepast in de meest voorkomende situaties van ‘conflits mobiles’.

Met betrekking tot bijvoorbeeld de gevolgen van het huwelijk stelt het wetboek van internationaal privaatrecht als eerste aanknopingsfactor de gewone verblijfplaats van de echtgenoten vast op het moment dat de gevolgen worden ingeroepen (zie artikel 48 van het IPR-wetboek).

Met betrekking tot de afstamming stelt het wetboek dat het toepasselijk recht beheerst wordt door het recht van de staat van de nationaliteit van de persoon wiens afstammingsband in het geding is op het moment van de geboorte van het kind (artikel 62 van het IPR-wetboek).

De zakelijke rechten op een onroerend goed worden beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied dit onroerend goed zich bevindt op het moment dat zij worden ingeroepen. Het wetboek specificeert echter dat de verwerving en het verlies van die rechten worden beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied het goed zich bevindt op het tijdstip dat de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten, zich voordoen. (artikel 87 van het IPR-wetboek).

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

De normale conflictregels kunnen terzijde worden geschoven in een aantal gevallen zoals bepaald in het wetboek van internationaal privaatrecht.

1. Het door deze wet aangewezen recht is bij uitzondering niet van toepassing wanneer uit het geheel van de omstandigheden duidelijk blijkt dat de zaak slechts een zeer zwakke band heeft met België, maar zeer nauw is verbonden met een andere staat. In dat geval is het recht van die andere staat van toepassing (artikel 19 van het IPR-wetboek).

2. Dwingende bepalingen of bepalingen van openbare orde van Belgisch recht die erop gericht zijn een internationale situatie te regelen ongeacht het door de collisieregels aangewezen recht, zijn nog steeds van toepassing (artikel 20 van het IPR-wetboek).

3. De exceptie van internationale openbare orde maakt het mogelijk om bepaalde aspecten van het buitenlands recht niet toe te passen indien zij onaanvaardbare gevolgen voor de Belgische rechtsorde zouden hebben (zie artikel 21 van het IPR-wetboek).

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De Belgische rechter kan van de partijen verlangen om de inhoud en de draagwijdte van het buitenlands recht vast te stellen. De rechter kan ook het Europees Verdrag inzake informatie over het buitenlands recht, gesloten in Londen op 7 juni 1968, toepassen. Wanneer om een authentiek bewijs wordt gevraagd, wordt de partij verzocht een verklaring inzake de inhoud van vreemd recht te overleggen; dit is een document waarin de bevoegde buitenlandse autoriteit het authentieke bewijs levert van de regelgeving die in haar land van toepassing is of was.

3 De conflictregels

Wanneer uit de toepassing van bovenstaande teksten blijkt dat de Belgische rechter bevoegd is, dient hij te onderzoeken welk recht hij op het geschil moet toepassen. Daartoe past hij het Belgisch internationaal privaatrecht toe. Verschillende aanknopingsfactoren, die afhankelijk van het onderwerp van het geschil variëren, worden in dit kader gebruikt. Het IPR-wetboek is thematisch opgebouwd en verwijst per thema naar de relevante aanknopingsfactor. Sommige van deze thema's worden hierna behandeld.

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ook wel "Rome I" genoemd, is van toepassing. Het wetboek van internationaal privaatrecht breidt de toepassing van het Verdrag van Rome van 1980 uit naar de contractuele aangelegenheden die van het toepassingsgebied ervan waren uitgesloten. De aanpassing van het wetboek aan deze situatie, die voortvloeit uit de vervanging van het Verdrag van Rome door de verordening, zal binnenkort plaatsvinden.

Bepaalde aspecten die van het toepassingsgebied van de verordening zijn uitgesloten, zijn evenwel onderworpen aan bijzondere regels:

- hetzij door toepassing van internationale verdragen (zoals het Verdrag van Genève van 7 juni 1930 ter oplossing van bepaalde wetsconflicten met betrekking tot wissels en orderbriefjes en het Verdrag van Genève van 19 maart 1931 ter oplossing van wetsconflicten met betrekking tot cheques),

- hetzij door toepassing van specifieke bepalingen van het wetboek (zie met name artikel 124 met betrekking tot trusts en artikel 111 met betrekking tot statuten).

Op grond van artikel 25 van de verordening blijven bepaalde internationale verdragen van toepassing, te weten:

- het Verdrag van Boedapest van 21 juni 2001 inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren,

- het Internationale Verdrag van Londen van 28 april 1989 inzake hulpverlening,

- de internationale verdragen tot eenmaking van enige regels inzake aanvaringen en inzake hulp en berging op zee, ondertekend te Brussel op 23 september 1910, evenals het Protocol van ondertekening bij de genoemde verdragen.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, ook wel "Rome II" genoemd, is van toepassing. Het wetboek van internationaal privaatrecht breidt de toepassing ervan uit tot aangelegenheden die van het toepassingsgebied ervan zijn uitgesloten.

Sommige aangelegenheden die niet onder de verordening vallen, worden echter beheerst door specifieke bepalingen. Verbintenissen voortvloeiend uit eerroof of schending van de persoonlijke levenssfeer of van persoonlijkheidsrechten worden bijvoorbeeld naar keuze van de eiser beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied de schadelijke handeling of de schade zich heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen, tenzij de aansprakelijke persoon aantoont dat hij niet kon voorzien dat de schade zich in die staat zou voordoen (zie artikel 99).

Op grond van artikel 28 van de verordening blijven bepaalde internationale verdragen van toepassing, te weten:

- het Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg,

- het Internationaal Verdrag tot eenmaking van enige regels inzake de burgerlijke rechtspraak bij aanvaring, het Internationaal Verdrag tot eenmaking van enige regels inzake de strafrechtelijke bevoegdheid bij aanvaring en andere scheepvaartongevallen, het Internationaal Verdrag tot eenmaking van enige regels inzake conservatoir beslag op zeeschepen, te Brussel ondertekend op 10 mei 1952,

- het Internationale Verdrag inzake hulpverlening, gesloten op 28 april 1989 in Londen,

- het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, gesloten te München op 5 oktober 1973,

- het Internationale Verdrag van 29 mei 1933 tot eenmaking van enige regels inzake het conservatoir beslag op luchtvaartuigen,

- de internationale verdragen tot eenmaking van enige regels inzake aanvaringen en inzake hulpverlening en redding op zee, ondertekend te Brussel op 23 september 1910, evenals het Protocol van ondertekening bij de genoemde verdragen.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Behoudens afwijkende bepaling in het IPR-wetboek, is het toepasselijk recht in geschillen met betrekking tot de status en de bekwaamheid het recht van de staat waarvan de persoon de nationaliteit heeft (nationale wet). Dezelfde regel beheerst de geslachtsaanpassingen (artikel 35ter van het IPR-wetboek).

Met betrekking tot de bekwaamheid van natuurlijke personen voorziet het wetboek van internationaal privaatrecht in een gedeeltelijke herverwijzing; de bekwaamheid wordt beheerst door het Belgisch recht wanneer het buitenlands recht leidt tot de toepassing van dit recht (zie artikel 34 van het IPR-wetboek).

Overeenkomstig het algemene beginsel is het toepasselijk recht voor de bepaling van de naam en voornamen het recht van de staat waarvan de persoon de nationaliteit heeft (artikel 37, §1 van het IPR-wetboek) of van het recht van één van de staten waarvan de persoon de nationaliteit heeft indien de persoon meerdere nationaliteiten bezit (art. 37, §1 van het IPR-wetboek .

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Als algemene regel voor de vaststelling van het toepasselijk recht bepaalt artikel 62, §1, eerste lid, van het IPR-wetboek dat de vaststelling of ontkenning van de afstammingsband van een persoon wordt beheerst door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft bij de geboorte van het kind of, indien deze vaststelling het resultaat is van een vrijwillige handeling, bij het verrichten van die handeling.

Wanneer het door dit artikel aangewezen rechtsstelsel geen toestemming van het kind eist, worden de vereiste van en de voorwaarden voor diens toestemming evenals de wijze waarop zij wordt uitgedrukt, beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied het kind op het tijdstip van de toestemming zijn gewone verblijfplaats heeft (artikel 62, §1, tweede lid, van het IPR-wetboek).

3.4.2 Adoptie

De voorwaarden voor de totstandkoming van adoptie worden beheerst door het nationale recht van de adoptant of het gemeenschappelijke nationale recht van de adoptanten. Wanneer de adoptanten niet de nationaliteit van een zelfde staat hebben, wordt de adoptie beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied zij hun gewone verblijfplaats hebben of, bij gebreke hiervan, door het Belgisch recht (artikel 67 van het IPR-wetboek).

Het toepasselijk recht op de verschillende vereiste toestemmingen is dat van de staat van de gewone verblijfplaats van de geadopteerde. Indien de wet echter niet voorziet in de noodzaak van toestemming door de geadopteerde en van zijn ouders of wettelijke vertegenwoordigers of de instelling van adoptie niet kent, wordt de toestemming van de geadopteerde beheerst door het Belgisch recht (de artikel 68 van het IPR-wetboek).

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Met betrekking tot het toepasselijk recht op het huwelijk maakt het wetboek een onderscheid tussen:

1. huwelijksbelofte: het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de toekomstige echtgenoten of, bij gebreke hiervan, het recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben, of, bij gebreke hiervan, het Belgisch recht (artikel 45 van het IPR-wetboek);

2. totstandkoming van het huwelijk: het nationale recht van elke echtgenoot, met de mogelijke uitzondering van het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in de zin dat een bepaling van het buitenlands recht die een dergelijk huwelijk verbiedt, wordt afgewezen indien een van de echtgenoten de nationaliteit van een staat heeft of zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een staat heeft waarvan de wet een dergelijk huwelijk toestaat (artikel 46 van het IPR-wetboek);

3. vormvereisten: het recht van de staat op wiens grondgebied het huwelijk wordt voltrokken (artikel 47 van het IPR-wetboek);

4. gevolgen van het huwelijk: het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten of, bij gebreke daarvan, het recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben, of, bij gebreke daarvan, het Belgisch recht (artikel 48 van het IPR-wetboek).

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Met betrekking tot partnerschappen of geregistreerde samenlevingsvormen, maakt de Belgische wet een onderscheid tussen “relaties van samenleven” die tussen de samenwonenden een band scheppen die evenwaardig is aan het huwelijk en relaties waarbij dat niet het geval is.

In het eerste geval is het toepasselijk recht het recht dat van toepassing is op het huwelijk (zie hierboven). Daarentegen is op relaties van samenleven die tussen de samenwonenden geen band scheppen die evenwaardig is aan het huwelijk het recht van de staat van toepassing op wiens grondgebied de samenwonenden deze relatie van samenleven voor de eerste keer hebben laten registreren.

De niet-geregistreerde relatie van samenleven wordt niet specifiek aangeduid.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Voor de echtscheiding en de scheiding van tafel en bed werd de toepassing van de regels van Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed, ook wel "Rome III" genoemd, veralgemeend. De eventuele keuze van toepasselijk recht zal moeten worden uitgedrukt ten laatste bij de eerste verschijning voor het rechtscollege waarbij de vordering tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen verwijst in artikel 15 naar het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. De algemene regel verwijst naar het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. Er bestaan echter speciale regels tussen kinderen en ouders en jegens personen jonger dan 21 jaar in hun relaties met andere personen dan hun ouders evenals tussen echtgenoten of ex-echtgenoten of tussen personen van wie het huwelijk nietig is verklaard. Het Protocol voorziet tevens in de mogelijkheid een wet aan te wijzen.

Bovendien is het Verdrag van Den Haag van 24 oktober 1956 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen van toepassing op de betrekkingen van België met een staat die partij is zonder het bovengenoemde Protocol van Den Haag van 23 november 2007 te hebben geratificeerd.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

De partners kunnen zelf het recht kiezen dat hun huwelijksvermogensstelsel zal beheersen. De keuze van het toepasselijk recht is beperkt: het recht van de staat van de eerste gewone verblijfplaats van de partners na de voltrekking van het huwelijk of het nationale recht van een de echtgenoten (artikel 49 van het IPR-wetboek).

Bij gebreke van een keuze van het toepasselijk recht wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het recht van de staat van de eerste gewone verblijfplaats van de partners na de voltrekking van het huwelijk. Indien deze verblijfplaatsen zich niet in dezelfde staat bevinden, is het recht van toepassing van de staat waarvan beide partners ten tijde van de voltrekking van het huwelijk de nationaliteit hebben. In andere gevallen is het recht van de staat van toepassing op wiens grondgebied het huwelijk is gesloten (artikel 51 van het IPR-wetboek).

3.7 Erfrecht

Op dit gebied geldt Verordening (EU) nr. 650/2012 van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

3.8 Goederenrecht

Het criterium van de ligging van het onroerend goed wordt ook gebruikt om het toepasselijk recht te bepalen (zie artikel 87 van het IPR-wetboek).

3.9 Insolventie

In faillissementszaken is Verordening nr. 1346/2000 van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures van toepassing. In deze verordening is het uitgangspunt een universele primaire insolventieprocedure, eventueel gevolgd door secundaire territoriale procedures.

Laatste update: 06/08/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar

Welk recht is van toepassing? - Tsjechië

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De belangrijkste nationale conflictregels staan in wet nr. 91/2012 Rec. inzake het internationaal privaatrecht.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Selectie van de belangrijke internationale multilaterale verdragen waarin het toepasselijk recht is geregeld:

Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, Warschau 1929

Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR), 1956

Verdrag van Guadalajara tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer verricht door een ander dan de contractuele vervoerder, 1961

Verdrag van Wenen inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade, 1963

Verdrag van ‘s-Gravenhage inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, 1971

Verdrag inzake de overeenkomst voor het internationaal vervoer van reizigers en bagage over de weg (CVR), 1973

Verdrag inzake de verjaring bij internationale koop van roerende zaken, 1974

Verdrag van de Verenigde Naties inzake het vervoer van goederen over zee, 1978

Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, 1980

Verdrag van de Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, 1980

Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer, 1980

Verdrag van ‘s-Gravenhage inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 1996

Verdrag van Montreal tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, 1999

Verdrag van ‘s-Gravenhage inzake de internationale bescherming van volwassenen, 2000

Haags protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, 2007 (waarbij de Europese Unie in haar geheel overeenkomstsluitende partij is)

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Selectie van de belangrijke bilaterale internationale verdragen waarin het toepasselijk recht is geregeld:

Verdrag tussen de Republiek Tsjecho-Slowakije en de Volksrepubliek Albanië inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1959

Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjecho-Slowakije en de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië inzake de regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1964 (van toepassing op alle staten van het voormalig Joegoslavië)

Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjecho-Slowakije en de Volksrepubliek Bulgarije inzake rechtshulp en de regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1976

Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjecho-Slowakije en de Volksrepubliek Mongolië inzake rechtshulp en de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1976

Verdrag tussen de Republiek Tsjecho-Slowakije en de Republiek Cuba inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1980

Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjecho-Slowakije en de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken inzake rechtshulp en de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1982 (van toepassing op de Russische Federatie en vele andere staten van de voormalige Sovjet-Unie)

Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjecho-Slowakije en de Socialistische Republiek Vietnam inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1982

Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjecho-Slowakije en de Volksrepubliek Polen inzake rechtshulp en de regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1987

Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjecho-Slowakije en de Volksrepubliek Hongarije inzake rechtshulp en de regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, 1989

Verdrag tussen de Tsjechische Republiek en Roemenië inzake rechtshulp in burgerlijke zaken, 1994

Verdrag tussen de Tsjechische Republiek en Oekraïne inzake rechtshulp in burgerlijke zaken, 2001

Verdrag tussen de Tsjechische Republiek en de Republiek Oezbekistan inzake rechtshulp en de rechtsbetrekkingen in burgerlijke en strafzaken, 2002

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Deze kwestie is geregeld in artikel 23 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

De rechter past het buitenlandse recht ambtshalve en zonder verzoek toe. Hij past het buitenlandse recht toe zoals dit wordt toegepast op het grondgebied waarop het geldt. Hij past de bepalingen toe die van toepassing zouden zijn op de beslissing op het grondgebied waarop dit recht geldt, ongeacht de systematische indeling of de openbare aard ervan, op voorwaarde dat deze bepalingen niet strijdig zijn met de dwingende bepalingen van het Tsjechische recht.

De inhoud van het toe te passen buitenlandse recht wordt ambtshalve en zonder verzoek vastgesteld. De rechter of gezagsdrager die uitspraak doet in zaken die onder het voornoemde recht vallen, treft alle maatregelen die nodig zijn om deze inhoud te kunnen vaststellen.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Deze kwestie is algemeen geregeld in artikel 21 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

Renvoi wordt aanvaard, behalve in situaties die onder het verbintenissenrecht en het arbeidsrecht vallen. Als de partijen het toepasselijk recht hebben gekozen, kunnen de conflictregels van dit recht uitsluitend in acht worden genomen als dit voortkomt uit een overeenstemming tussen de partijen.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Het relevante aanknopingspunt wordt doorgaans beoordeeld wat betreft het moment waarop het juridisch relevante feit heeft plaatsgevonden. Desalniettemin kunnen concrete conflictregels een stabilisering bevatten wat betreft een bepaald moment: zie bijvoorbeeld de regelgeving inzake zakelijke rechten in punt 3.8.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Deze kwestie is algemeen geregeld in artikel 24 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

Er kan in zeer uitzonderlijke gevallen worden afgeweken van het gebruik van het recht dat van toepassing is conform de wet inzake het internationaal privaatrecht, als het na de behoorlijke bestudering van alle omstandigheden van het onderhavige geval en vooral van de legitieme verwachtingen van de partijen wat betreft de toepassing van een ander recht gegrond wordt geacht dat dit gebruik ongeschikt is en in strijd is met een redelijke en rechtvaardige bepaling voor de relaties tussen de partijen. Op deze voorwaarden en zonder afbreuk te doen aan de rechten van derden wordt het recht gebruikt waarvan de toepassing overeenkomt met een dergelijke bepaling.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Deze kwestie is geregeld in artikel 23 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

De inhoud van het toe te passen buitenlandse recht wordt ambtshalve en zonder verzoek vastgesteld. De rechter of gezagsdrager die uitspraak doet in zaken die onder het voornoemde recht vallen, treft alle maatregelen die nodig zijn om deze inhoud te kunnen vaststellen.

Als de rechter of een gezagsdrager die uitspraak doet in zaken die onder het voornoemde recht vallen de inhoud van het buitenlandse recht niet kent, kan hij ook om advies van het ministerie van Justitie vragen om deze inhoud vast te stellen.

Als het niet lukt om het buitenlandse recht binnen een redelijke termijn vast te stellen of als dit niet mogelijk is, dan is het Tsjechische recht van toepassing.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

De bepalingen met betrekking tot verbintenissen uit overeenkomst van de wet inzake het internationaal privaatrecht staan in artikelen 87 en 89. Deze zijn beperkt tot verbintenissen uit overeenkomst of aspecten hiervan die niet onder de werkingssfeer van de bepalingen van de Europese Unie of de internationale verdragen vallen, tenzij deze bepalingen en verdragen toestaan dat hiervan wordt afgeweken ten gunste van de voornoemde wet. Het gaat dus om restwetgeving.

De overeenkomsten worden beheerst door het recht van het land waarmee de overeenkomst de nauwste banden heeft, tenzij de overeenkomstsluitende partijen hebben gekozen welk recht er van toepassing is. De keuze voor het recht dient uitdrukkelijk te worden geuit of dient zonder twijfel voort te vloeien uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het onderhavige geval.

Verzekeringsovereenkomsten worden beheerst door het recht van het land waarin de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft. De overeenkomstsluitende partijen kunnen kiezen welk recht er van toepassing is op hun verzekeringsovereenkomst.

Voor verzekeringsovereenkomsten die onder de zogenaamde verordening "Rome I” vallen, gebruikt de voornoemde wet de mogelijkheden die aan de lidstaten zijn toegekend in artikel 7, lid 3 van deze verordening om ieder toepasselijk recht te kiezen binnen de door deze verordening toegestane limieten.

Overeenkomstig artikel 90 van de voornoemde wet worden juridische relaties die voortvloeien uit een eenzijdige rechtshandeling beheerst door het recht van het land waarin de persoon die deze eenzijdige rechtshandeling heeft verricht zijn gewone verblijfplaats of zetel heeft op het moment waarop hij deze rechtshandeling verricht, tenzij hij kiest voor de toepassing van een ander recht.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

De wet inzake het internationaal privaatrecht bevat met name wat betreft de werkingssfeer van de zogenaamde verordening "Rome II” in artikel 101 uitsluitend conflictregels voor niet-contractuele verbintenissen die voortkomen uit inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van laster. Deze verplichtingen worden beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied de inbreuk heeft plaatsgevonden. De getroffen persoon kan desalniettemin kiezen voor de toepassing van het recht van het land waarin a) de getroffen persoon zijn gewone verblijfplaats of zetel heeft, b) de pleger van de inbreuk zijn gewone verblijfplaats of zetel heeft, of c) het resultaat van deze inbreuk tot uiting is gekomen, gesteld dat de pleger van de inbreuk dit heeft kunnen voorzien.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Deze kwestie is geregeld in artikel 29 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

De juridische subjectiviteit en bevoegdheid worden beheerst door het recht van het land waarin de persoon zijn gewone verblijfplaats heeft, behoudens andersluidende bepalingen waarin de voornoemde wet voorziet. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen is het voldoende dat de natuurlijk persoon die een rechtshandeling verricht hiertoe bevoegd is conform het geldende recht op de plaats waar deze natuurlijk persoon de rechtshandeling verricht.

De bepaling van de naam van de natuurlijk persoon wordt beheerst door het recht van de staat waarvan deze persoon de nationaliteit heeft. Deze persoon kan echter een beroep doen op de toepassing van het recht van het land op wiens grondgebied hij zijn gewone verblijfplaats heeft.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Artikel 54 van de wet inzake het internationaal privaatrecht regelt de vaststelling van en het bezwaar tegen vaderschap en moederschap. Deze worden geregeld door het recht van de staat waarvan het kind door zijn geboorte de nationaliteit heeft verkregen. Als het kind bij zijn geboorte meerdere nationaliteiten heeft gekregen, doet de rechter uitspraak conform het Tsjechische recht. Als dit in het belang van het kind is, past de rechter het recht toe van het land waar de moeder van het kind haar gewone verblijfplaats had op het moment van de verwekking. Als het kind zijn gewone verblijfplaats in de Tsjechische Republiek heeft en als dit in zijn belang is, wordt het Tsjechische recht toegepast voor het vaststellen van het vaderschap en moederschap en om hier bezwaar tegen te maken. Om het vaderschap of moederschap geldig vast te stellen, is het voldoende om te werk te gaan in overeenstemming met het recht van het land waarin de erkenningsverklaring van vaderschap of moederschap is gedaan. Als er in een ander land bezwaar is gemaakt tegen het vaderschap of moederschap van een persoon en het vaderschap of moederschap van een andere persoon via gerechtelijke of buitengerechtelijke weg is vastgesteld conform het recht van dit land, is dit voldoende om het vaderschap of moederschap van deze andere persoon geldig vast te stellen.

Het recht dat van toepassing is op de relaties tussen ouders en kinderen op het gebied van onderhoudsverplichtingen wordt bepaald overeenkomstig het Haagse protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (2007). Het recht dat van toepassing is op de andere rechten en plichten op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van de persoon en de zaken van een kind wordt bepaald conform het Verdrag van ‘s-Gravenhage inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (1996).

3.4.2 Adoptie

Deze kwestie is geregeld in artikelen 61 en 62 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

Voor adoptie dient er te worden voldaan aan de voorwaarden die zijn bepaald door het recht van de staat waarvan het geadopteerde kind de nationaliteit heeft en die van de staat waarvan de adoptant de nationaliteit heeft. Als de twee adopterende echtgenoten verschillende nationaliteiten hebben, dient er te worden voldaan aan de voorwaarden van de twee rechten volgens de nationaliteit van beide echtgenoten en het recht van de staat waarvan het geadopteerde kind de nationaliteit heeft. Als het nodig is om in overeenstemming met deze regels een buitenlands recht toe te passen dat adoptie niet of uitsluitend onder zeer moeilijke omstandigheden toestaat, wordt het Tsjechische recht toegepast als de adoptant of ten minste een van de adopterende echtgenoten of het geadopteerde kind hun gewone verblijfplaats in de Tsjechische Republiek heeft.

De gevolgen van de adoptie worden beheerst door het recht van de staat waarvan alle partijen op het moment van de adoptie de nationaliteit hebben, of door het recht van de staat waarin alle partijen op het moment van de adoptie hun gewone verblijfplaats hebben, of door het recht van de staat waarvan het geadopteerde kind de nationaliteit heeft.

Voor de relaties tussen het geadopteerde kind en de adoptant of adoptanten op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid, onderwijs en onderhoudsverplichtingen wordt op vergelijkbare wijze het recht toegepast dat wordt vastgesteld conform de internationale verdragen aangaande de relatie tussen ouders en kinderen die zijn vermeld in punt 3.4.1.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Deze kwestie is geregeld in artikelen 48 en 49 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

De huwelijkse staat van een persoon en de geldigheidsvereisten voor het huwelijk worden beheerst door het recht van de staat waarvan deze persoon de nationaliteit heeft.

De vorm van het huwelijk wordt beheerst door het geldende recht op de plaats waar het huwelijk is gesloten.

Huwelijken op een van de ambassades van de Tsjechische Republiek in het buitenland worden beheerst door het Tsjechische recht.

De persoonlijke relaties van de echtgenoten worden beheerst door het recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben. Als zij verschillende nationaliteiten hebben, worden deze relaties beheerst door het recht van de staat waarin beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben en bij gebreke hiervan door het Tsjechische recht.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Artikel 67 van de wet inzake het internationaal privaatrecht regelt het recht dat van toepassing is op het geregistreerd partnerschap en op vergelijkbare relaties en de gevolgen daarvan, de bevoegdheid om deze te sluiten, de wijze van het sluiten en ontbinden hiervan, de ongeldigheid en het bestaan ervan, evenals het recht dat van toepassing is op het stelsel van persoonlijke en vermogensrechtelijke relaties van de partners.

Al deze kwesties worden beheerst door het recht van de staat waarin het geregistreerd partnerschap of een vergelijkbare relatie wordt of is gesloten.

Het Tsjechisch recht heeft geen conflictregels voor ongehuwd samenwonen.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Artikel 50 van de wet inzake het internationaal privaatrecht regelt het recht dat van toepassing is op echtscheidingen en de nietigverklaring van huwelijken of voor het bepalen of een huwelijk al dan niet bestaat. De Tsjechische Republiek doet niet mee aan de nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed en is derhalve niet gebonden aan Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad.

Echtscheidingen worden beheerst door het recht van de staat waaronder de persoonlijke relaties van de echtgenoten vallen op het moment dat de procedure wordt ingesteld. (De persoonlijke relaties van de echtgenoten worden beheerst door het recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben. Als zij verschillende nationaliteiten hebben, worden deze relaties beheerst door het recht van de staat waarin beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben en bij gebreke hiervan door het Tsjechische recht.) Als deze conflictregel voorschrijft dat er een buitenlandse wet toegepast dient te worden dat echtscheiding niet of uitsluitend onder zeer moeilijke omstandigheden toestaat, wordt het Tsjechische recht toegepast, als ten minste een van de echtgenoten de Tsjechische nationaliteit heeft of als ten minste een van de echtgenoten zijn gewone verblijfplaats in de Tsjechische Republiek heeft.

Voor het verklaren van de nietigheid van het huwelijk of om vast te stellen of dit bestaat, worden de huwelijkse staat en de vorm van het huwelijk beoordeeld in overeenstemming met de nationale rechten die hierop van toepassing zijn op het moment dat het huwelijk is gesloten.

Het Tsjechisch recht heeft geen conflictregels voor scheiding van tafel en bed.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

De onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten en tussen ex-echtgenoten worden beheerst door het recht dat is vastgesteld conform het Haagse protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (2007).

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Deze kwestie is geregeld in artikel 49 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt beheerst door het recht van de staat waarin beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben of bij gebreke daarvan door het recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben of bij gebreke daarvan door het Tsjechische recht.

De huwelijksovereenkomsten worden beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten op het moment dat de overeenkomst is gesloten. In geval van een huwelijksovereenkomst kunnen de echtgenoten overeenkomen dat hun huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van de staat waarvan een van de echtgenoten de nationaliteit heeft of waarin een van de echtgenoten zijn gewone verblijfplaats heeft, of als het gaat om een onroerende zaak door het recht van de staat waarin de onroerende zaak zich bevindt, of door het Tsjechische recht. De overeenkomst dient te worden opgesteld in een notariële akte of een vergelijkbare akte als deze overeenkomst in het buitenland wordt gesloten.

3.7 Erfrecht

Het recht dat van toepassing is op de erfopvolging van personen die op of na 17 augustus 2015 zijn overleden, wordt beheerst door Verordening (EU) nr. 650/2012 inzake erfopvolging.

Deze kwestie is geregeld in artikelen 76 en 77 van de wet inzake het internationaal privaatrecht. Deze bepalingen zijn van toepassing op de erfopvolging van personen die tot 16 augustus 2015 zijn overleden (behoudens als een internationaal bilateraal verdrag andersluidende bepalingen bevat wat betreft het toepasselijk recht).

De juridische relaties van erfopvolging worden beheerst door het recht van de staat waarin de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het moment van zijn overlijden. Als de overledene de Tsjechische nationaliteit had en ten minste een van zijn erfgenamen zijn gewone verblijfplaats in de Tsjechische Republiek heeft, is het Tsjechische nationale recht van toepassing.

De bevoegdheid om een testament op te stellen of in te trekken en de gevolgen van wilsgebreken en wilsuitingen worden beheerst door het recht van de staat waarvan de overledene de nationaliteit heeft op het moment van de uiting van zijn wil of waarin hij op dat moment zijn gewone verblijfplaats heeft. Hetzelfde recht is van toepassing wat betreft de bevoegdheid om andere uiterste wilsbeschikkingen op te stellen of in te trekken en om vast te stellen welke andere uiterste wilsbeschikkingen er zijn toegestaan.

Wat betreft de vorm is een testamentaire beschikking geldig als de vorm overeenstemt met het recht a) van de staat waarvan de erflater de nationaliteit had, ofwel op het moment dat hij deze heeft opgesteld ofwel op het moment van zijn overlijden, b) van de staat op wiens grondgebied hij deze heeft opgesteld, c) van de staat waarin de erflater zijn gewone verblijfplaats had; ofwel op het moment dat hij deze heeft opgesteld ofwel op het moment van zijn overlijden, d) dat dient te worden gebruikt voor situaties op het gebied van erfopvolging of dat gebruikt zou moeten worden voor deze situaties op het moment van het opstellen van het testament, of e) van de staat waarin de onroerende zaak zich bevindt, als het om een onroerende zaak gaat. Deze regels gelden eveneens voor de vorm van de intrekking van testamentaire beschikkingen. Deze zijn ook van toepassing voor de vormen van erfovereenkomsten en andere uiterste wilsbeschikkingen, waarbij een van de partijen bij de overeenkomst als erflater wordt beschouwd. Dit geldt eveneens voor de vorm van de intrekking van erfovereenkomsten en andere uiterste wilsbeschikkingen.

De erflater kan in zijn testament bepalen dat situaties met betrekking tot erfopvolging worden beheerst door het recht van de staat waarin hij zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment waarop hij dit opstelt, inclusief wat betreft het onroerend vermogen van de nalatenschap, of hij kan bepalen dat de situaties met betrekking tot erfopvolging worden beheerst door het recht van de staat waarvan hij de nalatenschap heeft op het moment dat hij dit opstelt. De overeenkomstsluitende partijen bij een erfovereenkomst kunnen een van deze rechten kiezen als toepasselijk recht voor situaties met betrekking tot erfopvolging, waarbij een van de partijen van de overeenkomst als erflater wordt beschouwd. Dit geldt mutatis mutandis eveneens voor de andere uiterste wilsbeschikkingen.

De verordening inzake erfopvolging bepaalt dat voor zover er volgens het op grond van deze verordening op de erfopvolging toepasselijke recht geen erfgenaam of legataris is voor enige zaken uit de nalatenschap uit hoofde van een uiterste wilsbeschikking, noch een natuurlijk persoon uit hoofde van de wet erfgenaam is, de toepassing van het aldus aangewezen recht niet belet dat een lidstaat, of een daartoe door die lidstaat aangewezen entiteit, zich op grond van zijn nationale recht de zaken van de nalatenschap die zich op zijn grondgebied bevinden toe-eigent, op voorwaarde dat de schuldeisers van de nalatenschap gerechtigd zijn om hun vorderingen op de zaken van de nalatenschap te verhalen. Het Tsjechische recht regelt deze kwestie in artikel 1634 van het Tsjechisch Burgerlijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat de nalatenschap aan de staat toekomt als er geen enkele erfgenaam bestaat, noch een persoon in de erfgerechtigde graad, en de staat wordt derhalve beschouwd als erfgenaam uit hoofde van de wet. Jegens andere personen heeft de staat dezelfde positie als een erfgenaam die legitieme portie van de boedel ontvangt. Artikel 78 van de wet inzake het internationaal privaatrecht bepaalt dat de zaken en rechten van de overledene die zich op het grondgebied van de Tsjechische Republiek bevinden aan de Tsjechische Republiek toekomen als er geen enkele erfgenaam is. De Tsjechische gerechten zijn bevoegd op dit gebied. Een staat of een andere territoriale eenheid of een orgaan dat is ingesteld om zich met deze gevallen bezig te houden, wordt niet als erfgenaam beschouwd, tenzij zij als erfgenaam zijn aangewezen in een testamentaire beschikking.

3.8 Goederenrecht

Deze kwestie is geregeld in artikelen 69 t/m 79 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

Doorgaans worden de zakelijke rechten op onroerende en roerende zaken beheerst door het recht van de plaats waar deze zaken zich bevinden. Op basis van dit recht wordt eveneens bepaald welke zaken onroerend of roerend zijn. Het voornoemde recht bevat bijzondere conflictregels voor bepaalde soorten zaken en voor bepaalde aspecten van de zaken, zie hieronder:

De zakelijke rechten op schepen en luchtvaartuigen die zijn geregistreerd in een openbaar register, het ontstaan en de vernietiging hiervan worden beheerst door het recht van de staat onder wiens autoriteit dit register wordt bijgehouden.

Het ontstaan en de vernietiging van zakelijke rechten op roerende zaken worden beheerst door het recht van de staat waar deze zaak zich bevindt op het moment waarop het feit dat het ontstaan en de vernietiging van dit recht veroorzaakt zich heeft voorgedaan.

Het ontstaan en de vernietiging van het eigendomsrecht op de roerende zaken die worden overgedragen krachtens een overeenkomst worden beheerst door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst waarop het ontstaan en de vernietiging van het eigendomsrecht is gebaseerd.

Als een rechtshandeling die de basis dient te vormen voor het ontstaan of de vernietiging van de zakelijke rechten op de roerende zaken is verricht na de aanvang van het vervoer van een dergelijke zaak en gedurende het vervoer ervan, worden dit ontstaan en deze vernietiging beheerst door het recht van de plaats waarvandaan deze zaak is vervoerd. Indien het ontstaan en de vernietiging van de zakelijke rechten op deze zaken echter zijn gerealiseerd door de verwerking van het bewijsstuk dat dient te worden overgelegd voor het bezorgen en gebruiken van deze zaken, is het recht van de plaats waar dit bewijsstuk zich bevindt op het moment dat deze wordt behandeld van toepassing.

De bepalingen met betrekking tot de inschrijving in de openbare boeken en op vergelijkbare lijsten die gelden op de plaats waar de onroerende of roerende zaken zich bevinden, zijn zelfs van toepassing als het juridische bewijsstuk voor het ontstaan, de vernietiging, de beperking of de overdracht van een ingeschreven recht wordt beoordeeld conform een ander recht.

De acquisitieve verjaring wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de plaats waar de zaken zich bevonden op het moment dat de verjaringstermijn is gaan lopen. De bezitter kan desalniettemin een beroep doen op het recht van de staat op wiens grondgebied de acquisitieve verjaring is gerealiseerd, voor zover er aan alle voorwaarden voor de acquisitieve verjaring is voldaan in overeenstemming met het recht van deze staat vanaf het moment dat deze zaak op zijn grondgebied is gekomen.

3.9 Insolventie

Deze kwestie is geregeld in artikel 111 van de wet inzake het internationaal privaatrecht. Behoudens zaken die onder de Verordening betreffende insolventieprocedures vallen, worden de conflictregels van deze verordening mutatis mutandis toegepast.

Laatste update: 06/03/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Ests) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar

Welk recht is van toepassing? - Estland

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Kwesties met betrekking tot het toepasselijke recht worden voornamelijk beheerst door de wet inzake het internationaal privaatrecht (De link wordt in een nieuw venster geopend.la rahvusvahelise eraõiguse seadus, hierna de "IPR-wet" genoemd). Vóór de inwerkingtreding van deze wet op 1 juli 2002 waren kwesties betreffende het toepasselijke recht geregeld in de wet inzake het algemene deel van het burgerlijk wetboek (tsiviilseadustiku üldosa seadus). In plaats daarvan wordt nu in bijna alle zaken op grond van de wet inzake het verbintenissenrecht (võlaõigusseadus), de wet inzake het algemene deel van het burgerlijk wetboek en artikel 24 van de uitvoeringswet van de wet inzake het internationaal privaatrecht (rahvusvahelise eraõiguse seaduse rakendamise seadus), de IPR-wet toegepast.

Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de regels van het Unierecht voorrang hebben boven de nationale rechtsregels, alsook met het beginsel van artikel 123 van de Grondwet van de Republiek Estland, dat inhoudt dat bij tegenstrijdigheden tussen Estlandse wetten of andere rechtsinstrumenten en een internationaal verdrag, het internationale verdrag wordt toegepast. Estland heeft ook vier verdragen inzake rechtshulp gesloten: met Rusland, Oekraïne, Polen en met Letland en Litouwen. Ook in deze verdragen zijn kwesties betreffende het toepasselijke recht geregeld.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

  • Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, ondertekend te Den Haag op 5 oktober 1961;
  • Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ondertekend te Rome op 19 juni 1980;
  • Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ondertekend te Den Haag op 19 oktober 1996;
  • Protocol inzake het recht van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ondertekend te Den Haag op 23 november 2007.

Aanvullende informatie is te vinden De link wordt in een nieuw venster geopend. in het Officiële Publicatieblad.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

  • Overeenkomst tussen de Republiek Letland, de Republiek Estland en de Republiek Litouwen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen, ondertekend te Tallinn op 11 november 1992;
  • Overeenkomst tussen de Republiek Estland en de Russische Federatie inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, gezins- en strafzaken, ondertekend te Moskou op 26 januari 1993;
  • Overeenkomst tussen de Republiek Estland en Oekraïne inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Kiev op 15 februari 1995;
  • Overeenkomst tussen de Republiek Estland en de Republiek Polen inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Tallinn op 27 november 1998.

Aanvullende informatie is te vinden De link wordt in een nieuw venster geopend. in het Officiële Publicatieblad.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Indien vreemd recht van toepassing is op grond van een wet, een internationale overeenkomst of een transactie, past de rechter dat recht toe ongeacht of daartoe een verzoek is ingediend. De verplichting van de rechter om het vreemde recht toe te passen, is dus niet afhankelijk van het feit of een van de partijen het vreemde recht inroept (artikel 2, lid 1, van de IPR-wet).

In verschillende civiele procedures met betrekking tot zaken waarbij de partijen de mogelijkheid hadden het toepasselijke recht te kiezen, heeft de Estlandse rechter niettemin het Estlandse recht toegepast in plaats van het vreemde recht, uitgaande van het principe dat de partijen uitdrukkelijk afstand hadden gedaan van hun recht om het vreemde recht te kiezen.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Wanneer in de IPR-wet is bepaald dat het recht van een andere staat van toepassing is, zijn de regels van het internationaal privaatrecht van dat land van toepassing. Wanneer volgens deze regels het Estlandse recht van toepassing is, worden de regels van het Estlandse materiële recht toegepast (artikel 6, lid 1, van de IPR-wet).

Hieruit volgt dat wanneer het vreemde recht terugverwijst naar het Estlandse recht, de bepalingen van het Estlandse materiële recht van toepassing zijn.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Het ontstaan en tenietgaan van zakelijke rechten wordt beheerst door het recht van het land waar de zaak zich bevond op het tijdstip dat het betrokken zakelijke recht ontstond of teniet ging (artikel 18, lid 1, van de IPR-wet). Dit betekent dat wanneer een zaak na het ontstaan of tenietgaan van een zakelijk recht wordt verplaatst, het toepasselijke recht op die zaak ook wijzigt. De handelingsbevoegdheid en de handelingsbekwaamheid van een natuurlijk persoon worden beheerst door het recht van het land waar de persoon zijn verblijfplaats heeft (artikel 12, lid 1, van de IPR-wet). Wanneer de betrokken persoon zijn verblijfplaats in een ander land vestigt, wijzigt daarmee tevens het recht dat van toepassing is op zijn handelingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid. Het Estlandse internationaal privaatrecht bepaalt niettemin dat een wijziging van de verblijfplaats geen invloed heeft op de reeds verworven handelingsbekwaamheid (artikel 12, lid 3, van de IPR-wet).

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Vreemd recht wordt niet toegepast indien dat recht duidelijk in strijd is met de belangrijkste beginselen van het Estlandse recht (de openbare orde). In dergelijk gevallen wordt het Estlandse recht toegepast (artikel 7 van de IPR-wet).

Het feit dat het vreemde recht een bepaling bevat die niet in het Estlandse recht is vastgelegd, is daarbij niet bepalend; krachtens de exceptie van openbare orde wordt het Estlandse recht in plaats van het vreemde recht toegepast wanneer dit vreemde recht duidelijk in strijd is met de belangrijkste beginselen van het Estlandse recht.

In de wetgeving inzake contractuele verbintenissen is eveneens bepaald dat de bepalingen van het desbetreffende hoofdstuk van de IPR-wet de toepassing van dergelijke bepalingen van het Estlandse recht onverlet laat, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst (artikel 31 van de IPR-wet). Verder is in artikel 32, lid 3, van de IPR-wet bepaald dat dat wanneer partijen gekozen hebben om een overeenkomst aan vreemd recht te onderwerpen, ongeacht of zij daarbij hebben gekozen voor de bevoegdheid van een buitenlandse rechtbank, dit feit geen afbreuk doet, indien alle relevante elementen betreffende de overeenkomst op het ogenblik van de rechtskeuze slechts aan een enkel land zijn verbonden, aan de toepassing van de rechtsregels van dat land, waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken (dwingende bepalingen).

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Hoewel de rechter volgens een algemeen beginsel het vreemde recht moet toepassen dat op grond van een wet, een internationale overeenkomst of een transactie toepasselijk is, ongeacht of daartoe een verzoek is gedaan (artikel 2, lid 1, van de IPR-wet), kunnen de autoriteiten en de rechtbanken voor de vaststelling van de inhoud van het vreemde recht medewerking vragen van de partijen en overheidsinstanties.

De partijen kunnen stukken indienen bij de rechtbank voor de vaststelling van de inhoud van het vreemde recht, maar de rechter is niet gebonden de door de partijen ingediende stukken in overweging te nemen (artikel 4, lid 2, van de IPR-wet). Bovendien kan de rechter informatie opvragen bij het Estlandse ministerie van Justitie of het ministerie van Buitenlandse Zaken en de hulp inroepen van deskundigen (artikel 4, lid 3, van de IPR-wet).

Partijen in een civiele procedure zijn alleen verplicht de inhoud van recht dat buiten Estland van kracht is, internationaal recht of gewoonterecht, aan te tonen indien de rechter dit recht niet kent overeenkomstig artikel 234 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (tsiviilkohtumenetluse seadustik, hierna "WvRv"genoemd). De rechter kan bij de vaststelling van de inhoud van het recht ook gebruik maken van andere informatiebronnen en alle maatregelen nemen die nodig zijn voor het verkrijgen van de in de vorige alinea bedoelde informatie, met verwijzing naar artikel 4 van de IPR-wet.

De mogelijkheid van de rechters om informatie te vragen aan de partijen voor de vaststelling van de inhoud van het vreemde recht vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor in het civiele procesrecht. Het beginsel van hoor en wederhoor is met name vastgelegd in artikel 5, leden 1 en 2, van het WvRv, waarin is bepaald dat een rechtsvordering wordt beoordeeld op basis van de door de partijen aangedragen feiten en ingediende verzoeken op grond van de conclusies, en dat de partijen dezelfde rechten en mogelijkheden hebben om hun conclusies te staven en de beweringen van de wederpartij te weerleggen of te betwisten. Als gevolg hiervan kiest elke partij dus zelf welke feiten zij aandraagt ter ondersteuning van haar conclusies en welke bewijselementen zij overlegt voor het aantonen van die feiten.

In de wet is tevens bepaald dat in uitzonderingsgevallen het Estlandse recht moet wordt toegepast, wanneer het ondanks alle inspanningen onmogelijk is om de inhoud van het vreemde recht binnen een redelijke termijn vast te stellen (artikel 4, lid 4, van de IPR-wet).

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Evenals bij andere internationaal privaatrechtelijke kwesties wordt het recht dat van toepassing is op overeenkomsten in Estland ook bepaald op grond van de IPR-wet, tenzij in internationale rechtsinstrumenten anders is bepaald. Het recht dat een overeenkomst beheerst, kan worden bepaald op basis van de overeenkomst tussen partijen of, indien de partijen krachtens de IPR-wet geen rechtskeuze hebben, op basis van recht dat volgens de in de IPR-wet vastgestelde criteria van toepassing is.

De partijen hebben ingevolge de IPR-wet de mogelijkheid hebben het toepasselijke recht te kiezen, maar daarbij is bepaald dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen in onderlinge overeenstemming hebben gekozen. Bovendien is in de IPR-wet bepaald dat de partijen het toepasselijke recht kunnen kiezen dat de gehele overeenkomst beheerst of slechts een gedeelte daarvan, mits die overeenkomst als zodanig in delen kan worden opgesplitst (artikel 32, leden 1 en 2, van de IPR-wet). Het recht dat de partijen in onderlinge overeenstemming hebben gekozen, geldt onverminderd de dwingende bepalingen van het toepasselijke recht. In artikel 32, lid 3, van de IPR-wet is voorts bepaald dat wanneer partijen gekozen hebben een overeenkomst aan vreemd recht te onderwerpen, ongeacht of zij daarbij hebben gekozen voor de bevoegdheid van een buitenlandse rechtbank, dit feit geen afbreuk doet, indien alle relevante elementen betreffende de overeenkomst op het ogenblik van de rechtskeuze slechts aan een enkel land zijn verbonden, aan de toepassing van de rechtsregels van dat land, waarvan geenszins bij overeenkomst kan worden afgeweken (dwingende bepalingen).

Indien de partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden. Wanneer de overeenkomst in delen kan worden opgesplitst en een deel van de overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land, wordt het betrokken deel beheerst door het recht van dat andere land (artikel 33, lid 1, van de IPR-wet).

Teneinde vast te stellen met welk land een overeenkomst de nauwste band heeft, wordt de overeenkomst ingevolge de wet geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst, zijn woonplaats heeft of waar de administratieve zetel is gevestigd. Wanneer een overeenkomst is gesloten in het kader van een handels- of beroepsactiviteit door de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, wordt de overeenkomst geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar het hoofdkantoor van die partij is gevestigd. Wanneer de kenmerkende prestatie volgens de overeenkomst verricht dient te worden in een andere vestiging, wordt de overeenkomst geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar die andere vestiging is gevestigd (artikel 33, lid 2, van de IPR-wet).

In het geval van onroerende zaken en vervoersovereenkomsten wordt afgeweken van de algemeen geldende regel met betrekking tot de plaats van uitvoering van de overeenkomst. Wanneer een recht op een onroerende zaak of een recht van gebruik van een onroerende zaak voorwerp is van een overeenkomst, wordt de overeenkomst geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar de onroerende zaak is gelegen. Een vervoersovereenkomst wordt geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar, op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst, het hoofdkantoor van de vervoerder is gevestigd. Behalve het hoofdkantoor van de vervoerder moet ook de plaats van vertrek of bestemming van het vervoer in dat land liggen, of, in het geval van overeenkomsten inzake goederenvervoer, moet het hoofdkantoor van de verzender in dat land zijn gevestigd of de plaats van laden of lossen daar liggen (artikel 33, leden 4 en 5, van de IPR-wet).

Voor consumenten-, arbeids- en verzekeringsovereenkomsten zijn bijzondere regels vastgesteld (de artikelen 34 tot 37 van de IPR-wet).

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

In de Estlandse wet zijn verschillende aanknopingspunten vastgelegd waarbij de aard van de niet-contractuele verbintenis bepalend is bij het vaststellen van het recht dat van toepassing is.

Een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking die voortvloeit uit de nakoming van een verbintenis wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de feitelijke of vermoedelijke rechtsbetrekking op grond waarvan die verbintenis is nagekomen; een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking die voortvloeit uit de schending van het recht van een ander persoon wordt beheerst door het recht van het land waar de schending heeft plaatsgevonden. In overige gevallen van ongerechtvaardigde verrijking geldt dat de betreffende vordering wordt beheerst door het recht van het land waar de ongerechtvaardigde verrijking heeft plaatsgevonden (artikel 48¹, leden 1 tot 3, van de IPR-wet).

Vorderingen op grond van zaakwaarneming worden beheerst door het recht van het land waar de zaakwaarnemer de betreffende handeling heeft verricht, en vorderingen die voortvloeien uit de nakoming van een verbintenis van een ander persoon worden beheerst door het recht dat van toepassing is op die verbintenis (artikel 49, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

Een vordering op grond van onrechtmatige daad wordt in de regel beheerst door het recht van het land waar het schadeveroorzakende feit is gepleegd of zich heeft voorgedaan. Wanneer het gevolg zich niet voordoet in het land waar het schadeveroorzakende feit is gepleegd of zich heeft voorgedaan, wordt de betreffende vordering, op verzoek van de benadeelde, beheerst door het recht van het land waar het gevolg van de betrokken handeling of gebeurtenis zich heeft voorgedaan (artikel 50, leden 1 en 2, van de IPR-wet). Er is evenwel een beperking vastgesteld met betrekking tot de vergoeding die verschuldigd is als gevolg van de onrechtmatig daad. Indien een vordering op grond van een onrechtmatige daad wordt beheerst door vreemd recht, kan de in Estland opgelegde schadevergoeding in geen geval substantieel hoger zijn dan de in de Estlandse wet vastgestelde vergoeding voor soortgelijke schade (artikel 52 van de IPR-wet).

Het is de partijen ingevolge de wet toegestaan overeen te komen het Estlandse recht toe te passen nadat de gebeurtenis heeft plaatsgevonden of de handeling is verricht die de niet-contractuele verbintenis heeft doen ontstaan. De rechtskeuze laat de rechten van derden onverlet (artikel 54 van de IPR-wet).

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Het Estlandse recht kent geen afzonderlijke regels om te bepalen welk recht van toepassing is op namen van personen.

De bepaling van de woonplaats van een natuurlijk persoon wordt beheerst door het Estlandse recht (artikel 10 van de IPR-wet); de nationaliteit van een persoon wordt bepaald op grond van het recht van het land waaraan die nationaliteit verbonden is; indien een natuurlijk persoon meerdere nationaliteiten heeft, is het recht van het land waarmee de persoon het nauwst verbonden is van toepassing; of, in het geval van een vluchteling, een staatloze persoon of een persoon van wie de nationaliteit niet kan worden vastgesteld, geldt dat de woonplaats van de betrokken persoon als uitgangspunt wordt genomen om te bepalen welk recht van toepassing is (artikel 11, leden 1 en 3, van de IPR-wet).

De handelingsbevoegdheid en de handelingsbekwaamheid van een natuurlijk persoon worden beheerst door het recht van het land waar de persoon zijn verblijfplaats heeft. Een wijziging van de verblijfplaats heeft geen invloed op de reeds verworven handelingsbekwaamheid (artikel 12, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

Er geldt een bijzondere regel in het geval waarin een persoon zich kan beroepen op beperkte handelingsbekwaamheid; rechtshandelingen op grond van het familierecht of het erfrecht en rechtshandelingen met betrekking tot in het buitenland gelegen onroerende zaken vallen niet onder deze regel (artikel 12, lid 4, van de IPR-wet). Indien een rechtshandeling wordt verricht door een persoon die handelingsonbekwaam of beperkt handelingsbekwaam is overeenkomstig het recht van het land waar hij zijn verblijfplaats heeft, geldt over het algemeen dat die persoon zich niet kan beroepen op het ontbreken van handelingsbekwaamheid wanneer hij wel handelingsbekwaam is overeenkomstig het recht van het land waar hij de betrokken rechtshandeling heeft verricht. Deze algemene regel geldt niet in het geval waarin de andere partij wist of had moeten weten dat de betreffende persoon handelingsonbekwaam was (artikel 12, lid 3, van de IPR-wet).

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Familierechtelijke betrekkingen tussen ouders en kinderen worden beheerst door het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats heeft (artikel 65 van de IPR-wet). De wederzijdse rechten en verplichtingen van ouders en kinderen vloeien voort uit de afstamming van het betrokken kind, die wordt vastgesteld op de in de wet voorziene wijze. Er bestaan met betrekking tot de afstamming geen afzonderlijke regels om te bepalen welk recht van toepassing is.

De vaststelling of ontkenning van het ouderschap wordt beheerst door het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats had op het tijdstip van de geboorte; in bijzondere gevallen kan ook het recht van het land waar de ouder zijn verblijfplaats heeft of het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats heeft op het tijdstip van de ontkenning van het ouderschap, van toepassing zijn (artikel 62 van de IPR-wet).

3.4.2 Adoptie

Adoptie wordt beheerst door het recht van het land waar de adoptant zijn verblijfplaats heeft. Adoptie door echtgenoten wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk op het tijdstip van de adoptie (artikel 63, lid 1, van de IPR-wet). Dit betekent dat adoptie door echtgenoten in principe wordt beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke woonplaats hebben (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); in de wet wordt echter een opsomming gegeven van de andere aanknopingspunten die achtereenvolgens van toepassing zijn wanneer de echtgenoten geen gemeenschappelijke woonplaats hebben (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

Het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats heeft, is eveneens van toepassing wanneer volgens dat recht de toestemming van het kind of van een derde waarmee dat kind een familierechtelijke band heeft, voor de adoptie is vereist (artikel 63, lid 2, van de IPR-wet).

In de wet is uitdrukkelijk bepaald dat wanneer de adoptie wordt beheerst door vreemd recht of de adoptie plaatsvindt op grond van een in het buitenland gegeven rechterlijke beslissing, de adoptie in Estland dezelfde werking heeft als ingevolge het recht op grond waarvan de adoptie tot stand is gekomen (artikel 64 van de IPR-wet). Er dient benadrukt te worden dat bij de adoptie van een kind dat zijn verblijfplaats in Estland heeft, tevens moet worden voldaan aan de andere in het Estlandse recht vastgestelde voorwaarden voor adoptie, conform de vereisten van het recht van het land van verblijf van respectievelijk het kind of de echtgenoten (artikel 63, lid 3, van de IPR-wet).

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

De algemene rechtsgevolgen van een huwelijk worden in beginsel beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke verblijfplaats hebben (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); in de wet wordt echter een opsomming gegeven van de andere aanknopingspunten die achtereenvolgens van toepassing zijn wanneer de echtgenoten geen gemeenschappelijke woonplaats hebben: de gemeenschappelijke nationaliteit, de meest recente gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten wanneer een van de echtgenoten nog steeds in dat land verblijft of, bij gebreke daarvan, het recht van het land waarmee de echtgenoten op andere wijze het nauwst verbonden zijn (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

Wanneer een huwelijk in Estland wordt gesloten, wordt de bijbehorende procedure beheerst door het Estlandse recht. Een in het buitenland gesloten huwelijk wordt in Estland geacht geldig te zijn indien het is gesloten conform de in het recht van dat land vastgestelde procedure en er is voldaan aan de materiële voorhuwelijkse voorwaarden volgens het recht van het land waar beide echtgenoten hun verblijfplaats hebben (artikel 55, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

De voorhuwelijkse voorwaarden, de huwelijksbeletselen en de rechtsgevolgen van het huwelijk worden beheerst door het recht van het land waar de aanstaande echtgenoten hun verblijfplaats hebben (artikel 56, lid 1, van de IPR-wet). Een eerder huwelijk van een aanstaande echtgenoot vormt geen beletsel indien dat huwelijk is ontbonden krachtens een in Estland genomen of erkende beslissing, zelfs indien de betreffende beslissing niet in overeenstemming is met het recht van het land van verblijf van de aanstaande echtgenoot (artikel 56, lid 3, van de IPR-wet).

In de regelgeving die van toepassing is op de voorhuwelijkse voorwaarden is een bijzondere regel opgenomen voor Estlandse burgers. Hierin is bepaald dat wanneer een Estlandse burger niet voldoet aan een voorhuwelijkse voorwaarde ingevolge het recht van het land van verblijf, het Estlandse recht van toepassing is wanneer de betrokken persoon wel voldoet aan de voorwaarden voor het sluiten van een huwelijk krachtens het Estlandse recht (artikel 56, lid 2, van de IPR-wet).

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Het Estlandse interne recht bevat geen regels om te bepalen welk recht van toepassing is op ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap. De regels van de IPR-wet die zijn vastgesteld voor soortgelijke rechtsbetrekkingen kunnen worden gebruikt om het toepasselijke recht te bepalen. Afhankelijk van de aard van het ongehuwd samenwonen of het geregistreerd partnerschap kunnen bijvoorbeeld de regels inzake contractuele verbintenissen of familierechtelijke betrekkingen relevant zijn.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Echtscheiding wordt ingevolge de IPR-wet beheerst door het recht dat van toepassing is op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk op het tijdstip waarop de echtscheidingsprocedure wordt ingeleid (artikel 60, lid 1, en artikel 57 van de IPR-wet). Echtscheiding wordt dus in eerste instantie beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke verblijfplaats hadden (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); in de wet wordt echter een opsomming gegeven van de andere aanknopingspunten die achtereenvolgens van toepassing zijn wanneer de echtgenoten geen gemeenschappelijke woonplaats hebben: de gemeenschappelijke nationaliteit, de meest recente gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten wanneer een van de echtgenoten nog steeds in dat land verblijft of, bij gebreke daarvan, het recht van het land waarmee de echtgenoten het nauwst verbonden zijn (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

In afwijking hiervan is vastgesteld dat in plaats van het vreemde recht het Estlandse recht kan worden toegepast wanneer echtscheiding niet is toegestaan op grond van het recht dat van toepassing is op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk (artikel 57 van de IPR-wet) of wanneer echtscheiding alleen is toegestaan onder zeer strikte voorwaarden. Deze uitzondering geldt alleen mits een van de echtgenoten zijn verblijfplaats in Estland heeft of de Estlandse nationaliteit heeft, of de Estlandse nationaliteit had of zijn verblijfplaats in Estland had op het tijdstip van sluiting van het huwelijk (artikel 60, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Er zijn geen Estlandse internationaal privaatrechtelijke regels van toepassing op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familierechtelijke betrekkingen, maar er wordt wel verwezen naar de relevante internationale rechtsinstrumenten.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Echtgenoten kunnen kiezen welk recht hun huwelijksvermogensregime beheerst. Wanneer de echtgenoten het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben gekozen, wordt dat recht dus toegepast. De echtgenoten kunnen het huwelijksvermogensregime echter niet aan het recht van elk willekeurig land onderwerpen. De rechtskeuze van de echtgenoten is beperkt tot het recht van het land waar zij hun verblijfplaats hebben of het recht van de nationaliteit van een van de echtgenoten. Wanneer een van de echtgenoten meerdere nationaliteiten heeft, kan hij kiezen voor een van de rechtsstelsels van de landen waarvan hij onderdaan is (artikel 58, lid 1, van de IPR-wet).

In Estland is de rechtskeuze onderworpen aan dwingende vormvereisten. Het gekozen recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten dient te worden vastgelegd in een authentieke akte. Indien het toepasselijke recht niet in Estland is gekozen, is de rechtskeuze wat de vorm betreft geldig wanneer is voldaan aan de vormvereisten betreffende huwelijkse voorwaarden van het gekozen rechtsstelsel (artikel 58, lid 2, van de IPR-wet).

Wanneer de echtgenoten geen rechtskeuze hebben gemaakt met betrekking tot het huwelijksvermogensregime, wordt dit regime beheerst door het recht dat van toepassing was op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk op het tijdstip van sluiting van het huwelijk (artikel 58, lid 3, en artikel 57 van de IPR-wet). De algemene rechtsgevolgen van een huwelijk worden in de eerste plaats beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke woonplaats hebben (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); bij gebreke van een gemeenschappelijke woonplaats, is het recht van het land van de meest recente gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten van toepassing wanneer een van de echtgenoten nog steeds in dat land verblijft, en bij gebreke daarvan, het recht van het land waarmee de echtgenoten het nauwst zijn verbonden (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

3.7 Erfrecht

Nalatenschappen worden beheerst door het recht van het land waar de erflater (de cujus) zijn laatste verblijfplaats had en dit recht met name het volgende bepaalt: 1) de soorten en de gevolgen van testamentaire beschikkingen; 2) de bekwaamheid en de onwaardigheid om te erven; 3) de omvang van de nalatenschap; 4) de kring van erfgenamen en legatarissen evenals hun betrekkingen; 5) de aansprakelijkheid voor de schulden van de erflater (de artikelen 24 en 26 van de IPR-wet).

3.8 Goederenrecht

Het ontstaan of het tenietgaan van zakelijke rechten wordt beheerst door het recht van het land waar de zaak zich bevindt op het tijdstip van het ontstaan of tenietgaan van het betrokken zakelijke recht. Er geldt een beperking die bepaalt dat een zakelijk recht niet kan worden uitgeoefend als dit strijdig is met de belangrijkste beginselen van het recht van het land waar de betrokken zaak is gelegen (artikel 18, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

3.9 Insolventie

Het Estlandse recht is van toepassing op insolventieprocedures die in Estland worden gevoerd. Dit volgt uit het feit dat in de insolventiewet (pankrotiseadus) is bepaald dat in een insolventieprocedure de bepalingen van het Estlandse wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing zijn, tenzij in de insolventiewet anders is bepaald (artikel 3, lid 2, van deze wet); in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is bepaald dat de rechter de zaak onderzoekt op basis van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering (tsiviilmenetlusseadus) (artikel 8, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Laatste update: 06/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Ierland

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

In Ierland is de common law (het recht op basis van jurisprudentie) de belangrijkste bron voor conflictregels, waardoor deze kunnen veranderen en zich kunnen ontwikkelen. Omdat jurisprudentie op dit gebied echter zeldzaam is, is het moeilijk om een definitieve conclusie te formuleren over het recht dat van toepassing is op bepaalde gebieden, en met name het familierecht. Net als de wetgeving inzake bevoegdheid worden de traditionele wetten inzake conflictregels steeds meer vervangen door internationale verdragen en wetgeving van de Europese Unie (EU).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Haags Verdrag van 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen

Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Er zijn geen bilaterale verdragen bekend met bepalingen inzake conflictregels waarbij Ierland partij is.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De algemene regel is dat conflictregels uitsluitend worden toegepast als ten minste een van de partijen hierom verzoekt.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

De Ierse gerechten behandelen zelden zaken waarin het nodig is om de rechtsleer in aanmerking te nemen.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

In dit rechtsgebied is geen vaste aanpak aangenomen.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Hoewel er op dit punt geen jurisprudentie is, is het onwaarschijnlijk dat Ierland buitenlands recht toepast dat in strijd is met de Ierse openbare orde.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De Ierse gerechten vereisen dat de inhoud van het buitenlandse recht als feit wordt vastgesteld. De partij die zich hierop beroept, dient dit te verdedigen en de inhoud van het buitenlandse recht naar tevredenheid van de rechter als feit vast te stellen. In geval van strijdigheden tussen het bewijsmateriaal dat de partijen hebben ingediend, kan de rechter de geloofwaardigheid van de deskundigen toetsen en rekening houden met primaire bewijzen (bijvoorbeeld buitenlandse wetten en rechtszaken), met name als deze van toepassing zijn op concepten die bekend zijn bij een Ierse rechter. Als de Ierse conflictregels aangeven dat het buitenlandse recht moet worden toegepast, maar geen van de partijen het bewijs van de inhoud van dit recht aanbrengt, beschouwt de rechter dit behoudens andersluidend bewijs gewoonlijk als vergelijkbaar met het Ierse recht.

Om de inhoud van het buitenlandse recht aan te tonen, wordt doorgaans gebruik gemaakt van getuigenissen van deskundigen en de partijen kunnen niet volstaan met het overleggen van de tekst van een buitenlandse autoriteit, wet of rechtszaak aan de rechter. Een ieder die in een buitenlands rechtssysteem als jurist is gekwalificeerd of die voldoende praktijkervaring met dit systeem heeft, kan bewijzen over het buitenlandse recht overleggen. De rechter doet normaal gesproken zelf geen onderzoek naar het buitenlandse recht.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Ierland heeft het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ondertekend. Het land heeft dit verdrag in zijn wetgeving geïmplementeerd door het aannemen van de Contractual Obligations (Applicable Law) Act in 1991. De bepalingen van het verdrag zijn van toepassing in situaties met een wetsconflict voor verbintenissen uit overeenkomst. Bepaalde soorten overeenkomsten, zoals verbintenissen uit overeenkomst die voortkomen uit een familieband, vallen echter niet onder de werkingssfeer van het verdrag.

Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (“Rome I”) is direct van toepassing in Ierland. Het land heeft echter niet ingestemd met de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1259/2010 (“Rome II”) die zorgt voor een nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed in de deelnemende lidstaten.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

In het familierecht of voor echtscheidingsverzoeken achten de Ierse rechters het principe van lex fori geschikt, daar dit zekerheid biedt. In Ierland bestaat er geen wetgeving inzake wetsconflicten in procedures wegens een onrechtmatige daad en is er erg weinig jurisprudentie. De Ierse rechters houden rekening met het principe van lex fori, dat bepaalt dat het recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt van toepassing is, en met het principe van lex loci delicti dat het recht voorstelt van het land waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. De rechters kunnen eveneens rekening houden met het recht betreffende de aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad dat toegepast dient te worden en dat een flexibele aanpak aanbeveelt, waardoor de rechter rekening kan houden met alle aanknopingscriteria en een besluit kan nemen met betrekking tot de bevoegdheid.

Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (“Rome II”) is direct van toepassing in Ierland.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Kinderen worden geregistreerd op de woonplaats van hun vader als de ouders op het moment van de geboorte gehuwd waren. Als dit niet het geval was of als de vader op het moment van de geboorte overleden was, is de woonplaats van het kind gelijk aan die van de moeder. Deze regel blijft van toepassing tot het kind 18 jaar is, op welke leeftijd het meerderjarig wordt en bevoegd is om een woonplaats naar keuze te kiezen.

Het is uitsluitend mogelijk om een woonplaats te kiezen, als de persoon daadwerkelijk in het desbetreffende rechtsgebied verblijft en voornemens is om hier voor onbepaalde tijd of permanent te verblijven. Als een van deze elementen niet langer van toepassing is, komt de persoon terug bij zijn oorspronkelijke woonplaats. Gehuwde vrouwen kiezen onafhankelijk van hun echtgenoot hun eigen woonplaats.

3.4 Afstamming en adoptie

In de Status of Children Act van 1987 is het concept onwettigheid afgeschaft. Overeenkomstig deze wet dient de band tussen een persoon en zijn vader en moeder te worden vastgesteld, ongeacht of deze gehuwd zijn of waren.

Als de ouders van een kind tijdens de geboorte van een kind noch tijdens zijn verwekking gehuwd zijn, wordt het kind echter niet als wettig beschouwd. Het kind kan echter wettig worden als de ouders in een later stadium trouwen. Er bestaan geen verschillen tussen de grondwettelijke status van een wettig en een geëcht kind. Er zijn ook geen verschillen in het recht van een kind om door zijn ouders te worden onderhouden en zijn recht om van een van beide ouders te erven, ongeacht of deze gehuwd zijn.

Als de Ierse rechters hun bevoegdheid uitoefenen in een zaak uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (“Brussel II bis”), passen zij doorgaans het Ierse recht toe.

Als zij bevoegd zijn in een adoptiezaak, wordt het Ierse recht eveneens toegepast.

De hogere gerechten zijn impliciet bevoegd om beschikkingen te wijzen die de grondwettelijke rechten van een kind dat een Iers staatsburger is versterken, ongeacht zijn gewone verblijfplaats. Ieder besluit dat de rechter neemt om zijn bevoegdheid uit te oefenen, berust op de geschiktheid of gepastheid van dit besluit gezien de omstandigheden en de regel van de internationale hoffelijkheid van gerechten uit het internationaal privaatrecht.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

Het 34e amendement van de Ierse grondwet, dat op 22 mei 2015 is aangenomen, bepaalt dat er wettige huwelijken kunnen worden gesloten tussen twee personen, ongeacht hun geslacht. Dientengevolge kunnen personen die bevoegd en vrij zijn om te trouwen dit sinds de uitvaardiging en inwerkingtreding van de Marriage Bill van 2015 doen ongeacht hun biologische geslacht. Een huwelijk wordt in Ierland niet als geldig beschouwd als een van de partijen transseksueel is en het huwelijk sluit nadat hij recentelijk een ander geslacht heeft gekregen. Conform het internationaal privaatrecht wordt een in het buitenland gesloten huwelijk uitsluitend erkend als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De partijen dienen de formaliteiten te hebben vervuld, die zijn vastgelegd in het rechtsgebied waarin het huwelijk is voltrokken (lex loci celebrationis). De partijen zijn bevoegd om te trouwen overeenkomstig de regels van het rechtsgebied waar zij woonachtig zijn. Een huwelijk dat in het buitenland is gesloten, dient vergelijkbaar te zijn met gebruikelijke huwelijken in Ierland. Een huwelijk dat mogelijk polygaam is, wordt bijvoorbeeld niet erkend.

Beschikkingen die zijn gewezen krachtens artikel 5 van de Civil Partnership and Certain Rights and Obligations of Cohabitants Act van 2010 erkennen het recht dat bepaalde geregistreerde partnerschappen in het Ierse recht op dezelfde wijze worden behandeld als een civiel partnerschap dat in Ierland geregistreerd is, mits het desbetreffende koppel bevoegd is om in Ierland een civiel partnerschap aan te gaan.

Voor de bevoegdheid op het gebied van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of vernietiging is Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (“Brussel II bis”) direct van toepassing in Ierland. Indien er volgens verordening Brussel II bis geen andere lidstaat bevoegd is, zijn de Ierse rechters bevoegd als ten minste een van de partijen in dit land woont op het moment dat de procedure wordt ingesteld.

Als een Ierse rechter bevoegd is in een echtscheidingsprocedure, past hij zijn eigen recht toe in procedures die onder het familierecht vallen en op bijkomende en daarmee samenhangende kwesties.

Als verordening Brussel II bis niet van toepassing is, wordt een buitenlandse echtscheiding erkend als deze is toegekend in het land waar een van de echtgenoten woonde op het moment dat de procedure werd ingesteld.

3.5.1 Onderhoudsverplichtingen

Alimentatievorderingen worden op dit moment behandeld conform Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.

Kort gezegd is het doel van de verordening betreffende onderhoudsverplichtingen het bieden van gemeenschappelijke regels op het gebied van bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning, tenuitvoerlegging, samenwerking en standaarddocumenten om de effectieve inning van alimentatie in de Europese Unie te vergemakkelijken. Daar een van de belangrijkste doelen van de verordening is dat een onderhoudsgerechtigde in een lidstaat eenvoudig een besluit kan verkrijgen dat automatisch en zonder formaliteiten uitvoerbaar is in een andere lidstaat, bevat deze maatregelen met betrekking tot jurisdictiegeschillen, collisie, erkenning en uitvoerbaarheid, tenuitvoerlegging, rechtsbijstand en is deze bedoeld voor samenwerking tussen centrale autoriteiten. De verplichting om de voorwaarden van de oorspronkelijke beschikking toe te passen zonder wijzigingen aan te brengen, blijkt duidelijk uit de bepalingen van de verordening en de essentie van een beslissing die in een lidstaat is gewezen kan in geen geval worden gewijzigd in een lidstaat waar de erkenning en tenuitvoerlegging later vereist zijn. De verordening ontzegt een rechter van een lidstaat waarbij de zaak niet aanhangig is gemaakt dus het recht om nieuwe of bijbehorende beschikkingen te wijzen.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Als de partijen geen andere wens hebben geuit, wordt een tussen hen gesloten huwelijksovereenkomst geïnterpreteerd conform het recht van de echtelijke woning. Indien er geen huwelijksovereenkomst bestaat, wordt het toepasselijke recht eveneens bepaald door de echtelijke woning. Als de echtgenoten een woning delen, wordt deze gelijkgesteld aan de echtelijke woning. Als dit niet het geval is, wordt de echtelijke woning waarschijnlijk vastgesteld in overeenstemming met het toepasselijke recht waarmee de partijen en het huwelijk de nauwste banden hebben.

3.7 Erfrecht

Het recht dat de onroerende nalatenschap beheerst, is doorgaans het recht van de plaats waar de zaak zich bevindt, terwijl het recht van het land waar de overleden persoon woonde op het moment van zijn overlijden de verdeling en erfopvolging van zijn roerende zaken beheerst.

De hoedanigheid van de erflater wordt bepaald door het recht van zijn woonplaats, hoewel sommige mensen van mening zijn dat de lex situs van toepassing zou moeten zijn op onroerende zaken.

Als de erflater van woonplaats verandert tussen de datum waarop het testament wordt opgesteld en de datum van overlijden, verschillen de meningen of zijn hoedanigheid moet worden getoetst met toepassing van het recht van de woonplaats op het moment dat het testament is opgesteld of op het moment van overlijden.

Een testament is officieel geldig krachtens de Succession Act van 1965 als de vorm overeenstemt met een van de volgende rechten: het recht van de plaats waar de erflater de testamentaire beschikking heeft opgesteld; het recht van het land waarvan de erflater de nationaliteit heeft; het recht van zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats, ofwel op het moment dat de testamentaire beschikking wordt opgesteld, ofwel op het moment van overlijden van de erflater; of het recht van de plaats van eventueel betrokken onroerende zaken.

3.8 Goederenrecht

Het Ierse recht maakt onderscheid tussen roerende en onroerende zaken en past het recht toe van de plaats waar de zaken zich bevinden om te bepalen of het desbetreffende belang op een roerende of een onroerende zaak rust.

Doorgaans is het toepasselijke recht in geval van onroerende zaken het recht van de plaats waar de zaak zich bevindt.

3.9 Insolventie

Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (de “verordening inzake insolventie”) bevat regels over het rechtsgebied dat van toepassing is voor insolventieprocedures binnen de EU [1]. Conform artikel 3 van deze verordening zijn de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, bevoegd om de insolventieprocedure te openen. Dientengevolge worden insolventieprocedures die in Ierland zijn geopend vastgesteld door Ierse rechters in overeenstemming met het Ierse recht dat de indiening, de verificatie en de toelating van dergelijke procedures beheerst. De toepasselijke belangrijkste wetgeving is de Companies Act van 2014, de Personal Insolvency Acts van 2012-2015 en de Bankruptcy Act van 1988.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.irishstatutebook.ie/1995/en/act/pub/0026/sec0027.html




[1] Vanaf 26 juni 2017 vervangen door Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures (herschikking)

Laatste update: 11/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Griekenland

Wanneer een rechtsverhouding tussen particulieren aanknopingspunten heeft met meer dan een staat (een internationaal element) en er een geschil ontstaat, passen de Griekse rechters niet automatisch het Griekse recht toe maar onderzoeken zij welk recht er op basis van het internationaal privaatrecht moet worden toegepast (het toepasselijke recht). Internationaal privaatrecht is een instrument dat is gebaseerd op verwijzingsregels om vast te stellen welk recht van toepassing is, d.w.z. de bepalingen van het recht van een land. Dit kan het recht zijn van het land waar de rechtsvordering werd ingesteld of dat van een ander land. De verwijzingsregels zijn gebaseerd op een of meer aanknopingspunten. Bij een internationaal geschil wordt aan de hand van het relevante aanknopingspunt vastgesteld welke specifieke regel van internationaal privaatrecht van toepassing is om te bepalen welk recht de betrokken zaak beheerst, dat wil zeggen het Griekse recht of het recht van een ander land.

1 Bronnen van geldend recht

De Griekse wetten vormen de belangrijkste bron voor de vaststelling van het toepasselijke recht. Daarnaast heeft Griekenland ook bilaterale en multilaterale internationale verdragen ondertekend, die, na ratificatie, op dezelfde wijze van toepassing zijn als het Griekse interne recht. Bovendien valt onder het begrip recht ook het recht van de Europese Unie en met name de verordeningen. Aangezien er alsmaar meer en ook meer diverse soorten internationale particuliere transacties zijn, speelt de Griekse jurisprudentie en die van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ondanks het feit dat rechtspraak geen formele rechtsbron is, een belangrijke rol bij het opvullen van de bestaande lacunes in het internationaal privaatrecht dat wordt gebruikt om het toepasselijke recht vast te stellen.

1.1 Regels van nationaal recht

De belangrijkste bepalingen zijn opgenomen in het Griekse burgerlijk wetboek (de artikelen 4 tot 33), maar ook andere wetten bevatten een aantal bepalingen, zoals wet 5325/1932 betreffende wissels en orderbriefjes (de artikelen 90 tot 96) en wet 5960/1933 betreffende cheques (de artikelen 70 tot 76).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Belangrijke multilaterale verdragen zijn onder meer:

Verdrag van Genève van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, geratificeerd door Griekenland bij wet 559/1977;

Verdrag van Den Haag van 5 oktober 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, geratificeerd door Griekenland bij wet 1325/1983;

Verdrag van Den Haag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, geratificeerd door Griekenland bij wet 1334/1983;

Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, geratificeerd door Griekenland bij wet 4020/2011.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Belangrijke bilaterale verdragen zijn onder meer:

Overeenkomst tussen Griekenland en Albanië inzake wederzijdse rechtshulp in burgerlijke en strafzaken van 17 mei 1993, geratificeerd door Griekenland bij wet 2311/1995;

Vriendschaps-, handels- en scheepvaartverdrag tussen Griekenland en de Verenigde Staten van Amerika van 3 augustus 1951, geratificeerd door Griekenland bij wet 2893/1954.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Wanneer krachtens de verwijzingsregels van het Griekse internationaal privaatrecht het recht van een ander land van toepassing is, moet de Griekse rechter daar ambtshalve rekening mee houden, d.w.z. zonder dat de procespartijen zelf naar dit rechtsstelsel moeten verwijzen, en moet hij de toepasselijke bepalingen van het vreemde recht onderzoeken (artikel 337 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Wanneer het Griekse internationaal privaatrecht bepaalt dat het recht van een ander land van toepassing is, wordt alleen verwezen naar de materiële regels van dit recht en niet naar de regels van het internationaal privaatrecht van dat land (artikel 32 van het burgerlijk wetboek), op grond waarvan het Griekse recht of het recht van een ander derde land van toepassing kan zijn.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Vaak wijzigt het aanknopingspunt in de loop van een rechtsverhouding (bijvoorbeeld een onderneming die haar hoofdkantoor van het ene naar het andere land verplaatst) waardoor ook het toepasselijke recht wijzigt. Er zijn regels waarin expliciet wordt bepaald welk recht in dat geval uiteindelijk van toepassing is. Wanneer dergelijke regels ontbreken, past de rechter het recht toe dat aanvankelijk (vóór de wijziging van het aanknopingspunt) of later (na de wijziging van het aanknopingspunt) van toepassing was, dan wel een combinatie van beide rechtsstelsels, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Indien krachtens het Griekse internationaal privaatrecht (verwijzingsregels) buitenlands recht moet worden toegepast, maar de toepassing ervan evenwel in strijd is met de fundamentele morele en rechtsopvattingen die binnen de Griekse rechtsorde (artikel 33 van het burgerlijk wetboek) heersen op het moment dat de zaak wordt onderzocht, zal de Griekse rechter de desbetreffende bepalingen van het buitenlandse recht niet toepassen maar wel de andere buitenlandse bepalingen (negatieve functie). Indien er als gevolg van de niet-toepassing van het buitenlandse recht evenwel een rechtsvacuüm ontstaat, zal dit worden verholpen door het Griekse recht toe te passen (positieve functie).

Een middel om de belangen van de Griekse rechtsorde te beschermen, is de vaststelling van rechtstreeks toepasselijke bepalingen. Dergelijke bepalingen regelen bijzonder belangrijke interne rechtskwesties van de staat en worden ook rechtstreeks toegepast door de Griekse rechters in internationale zaken die niet in het kader van het Griekse internationaal privaatrecht kunnen worden opgelost.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Een Griekse rechter mag elk door hem geschikt geacht middel gebruiken om het buitenlandse toepasselijke recht te onderzoeken. Zijn kennis kan berusten op juridisch informatie waarover hij zelf beschikt of hij kan hiernaar zoeken in het kader van (multilaterale en bilaterale) internationale verdragen, op grond waarvan de lidstaten er zich wederzijds toe hebben verbonden elkaar informatie te verstrekken, of hij kan informatie opvragen bij nationale en buitenlandse wetenschappelijke instellingen. Wanneer het moeilijk of onmogelijk is de inhoud van het buitenlandse recht vast te stellen, kan de Griekse rechter de partijen ook om hulp vragen, zonder zich echter te beperken tot het door hen voorgelegde bewijsmateriaal (artikel 337 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De Griekse rechter past bij wijze van uitzondering het Griekse recht toe in plaats van het buitenlandse toepasselijke recht, wanneer het ondanks alle inspanningen onmogelijk is om de inhoud van het buitenlandse recht vast te stellen.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Welk recht er van toepassing is op overeenkomsten en rechtshandelingen die zijn gesloten met ingang van 17 december 2009, wordt door de Griekse rechters meestal vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I). Volgens de algemene regel is het recht dat de partijen hebben gekozen het toepasselijke recht.

Voor overeenkomsten en rechtshandelingen die tot stand zijn gekomen tussen 1 april 1991 en 16 december 2009 wordt het toepasselijke recht vastgesteld op basis van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980, waarin dezelfde algemene regel als in de bovengenoemde verordening is vastgesteld.

Het recht dat van toepassing is op alle categorieën contractuele verbintenissen en rechtshandelingen die expliciet buiten het toepassingsgebied van de bovengenoemde verordening en het bovengenoemde verdrag vallen, alsook op de contractuele verbintenissen en rechtshandelingen die zijn aangegaan vóór 1 april 1991, wordt vastgesteld op basis van artikel 25 van het burgerlijk wetboek, waarin dezelfde algemene regel als in de bovengenoemde verordening is vastgesteld.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Welk recht er vanaf 11 januari 2009 van toepassing is op verbintenissen die voortvloeien uit onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking, zaakwaarneming en precontractuele aansprakelijkheid wordt door de Griekse rechters vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II). Conform de algemene regel is het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing.

Voor gebeurtenissen die niet onder het toepassingsgebied van bovengenoemde verordening vallen, en de gebeurtenissen die zich vóór 11 januari 2009 hebben voorgedaan, wordt het toepasselijke recht vastgesteld op basis van artikel 26 van het burgerlijk wetboek, waarin dezelfde algemene regel als in de bovengenoemde verordening is vastgesteld.

Verbintenissen die voortvloeien uit ongerechtvaardigde verrijking die dateert van vóór 11 januari 2009, worden volgens de Griekse jurisprudentie beheerst door het recht van de staat die, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak, het meest in aanmerking komt.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

- Natuurlijke personen

Naam, woonplaats

Aangezien een natuurlijke persoon wordt geïdentificeerd aan de hand van zijn naam en woonplaats, wordt het recht dat op hem van toepassing is telkens bepaald in het kader van de specifieke betrekking die moet worden geregeld. Zo worden aspecten met betrekking tot de naam en woonplaats van echtgenoten geregeld door het recht betreffende persoonlijke betrekkingen (artikel 14 van het burgerlijk wetboek), terwijl aspecten met betrekking tot minderjarige kinderen worden geregeld door het recht betreffende afstamming (de artikelen 18 tot 21 van het burgerlijk wetboek).

Bekwaamheid

Het recht dat van toepassing is op kwesties met betrekking tot de bekwaamheid van personen (Grieken of buitenlanders) om rechten en verplichtingen te hebben, rechtshandelingen te verrichten, zich partij te stellen en persoonlijk deel te nemen aan processen, is het recht van de nationaliteit van de betrokken persoon (de artikelen 5 en 7 van het burgerlijk wetboek, artikel 62, eerste alinea, en artikel 63, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Indien een onderdaan van een derde land overeenkomstig zijn nationaal recht niet bekwaam is om rechtshandelingen te verrichten of om persoonlijk te verschijnen, en hij deze bekwaamheid conform het Griekse recht wel heeft (behalve wat betreft de in het kader van het familie-, erf- en goederenrecht verrichte rechtshandelingen betreffende onroerende zaken die niet in Griekenland zijn gelegen), is het Griekse recht van toepassing (artikel 9 van het burgerlijk wetboek en artikel 66 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

- Rechtspersonen

Het recht dat van toepassing is op kwesties met betrekking tot de handelings- en rechtsbekwaamheid van rechtspersonen, is het recht van het land waar het hoofdkantoor van de rechtspersoon is gevestigd (artikel 10 van het burgerlijk wetboek). Volgens de Griekse rechtspraak moet daarbij worden gekeken naar de feitelijke zetel en dus niet naar de statutaire zetel.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

De ouder-kindrelatie betreft de familiebanden tussen ouders en kinderen en de daarmee samenhangende rechten en verplichtingen.

Om vast te stellen of een kind al dan niet binnen een huwelijk is geboren (artikel 17 van het burgerlijk wetboek), is het volgende recht van toepassing:

  • het recht van de staat dat op het ogenblik van de geboorte van het kind de persoonlijke betrekkingen tussen de moeder van het kind en haar echtgenoot regelt, conform artikel 14 van het burgerlijk wetboek;
  • wanneer het huwelijk vóór de geboorte van het kind is ontbonden: het recht van de staat dat op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk de persoonlijke betrekkingen tussen de moeder van het kind en haar echtgenoot regelt, conform artikel 14 van het burgerlijk wetboek.

De betrekkingen tussen ouders en de binnen het huwelijk geboren kinderen worden beheerst door het volgende recht, ook in het geval van ontbinding van het huwelijk:

de Griekse rechter onderzoekt welk recht er van toepassing is op de ouderlijke verantwoordelijkheid en de maatregelen ter bescherming van kinderen op basis van het Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, geratificeerd door Griekenland bij wet 4020/2011, mits het gaat om de toepassing van het recht van een staat die partij is bij dit verdrag.

Wanneer het een staat betreft die het bovengenoemde Verdrag niet heeft ondertekend of wanneer een bepaald aspect daarin niet is geregeld, is overeenkomstig artikel 18 van het burgerlijk wetboek het volgende recht van toepassing:

  • wanneer zij onderdaan zijn van dezelfde staat: het recht van die staat;
  • wanneer zij na de geboorte een nieuwe gemeenschappelijke nationaliteit hebben verworven: het recht van de staat van hun meest recente gemeenschappelijke nationaliteit;
  • wanneer zij vóór de geboorte onderdaan zijn van verschillende staten en hun nationaliteit na de geboorte niet wijzigt of wanneer zij vóór de geboorte onderdaan zijn van dezelfde staat, maar de nationaliteit van de ouders of het kind na de geboorte wijzigt: het recht van de staat waar zij op het tijdstip van de geboorte hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden;
  • wanneer zij geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben: het recht van de staat waarvan het kind onderdaan is.

De betrekkingen tussen de vader en moeder en een buiten het huwelijk geboren kind worden beheerst door het volgende recht (de artikelen 19 en 20 van het burgerlijk wetboek):

  • wanneer zij onderdaan zijn van dezelfde staat: het recht van die staat;
  • wanneer zij na de geboorte een nieuwe gemeenschappelijke nationaliteit hebben verworven: het recht van de staat van hun meest recente gemeenschappelijke nationaliteit;
  • wanneer zij vóór de geboorte onderdaan zijn van verschillende staten en hun nationaliteit na de geboorte niet wijzigt of wanneer zij vóór de geboorte onderdaan zijn van dezelfde staat, maar de nationaliteit van de ouders of het kind na de geboorte wijzigt: het recht van de staat waar zij op het tijdstip van de geboorte hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden;
  • wanneer zij geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben: het recht van de staat waarvan de vader of de moeder onderdaan is.

Het recht dat van toepassing is op de onderhoudsverplichtingen van ouders jegens hun kinderen:

welk recht er van toepassing is, wordt door de Griekse rechter sinds 18 juni 2011 bepaald op basis van Verordening (EG) nr. 4/2009, zoals vastgesteld bij het Protocol van Den Haag van 23 november 2007. Conform de algemene regel is het recht van het land waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft van toepassing.

3.4.2 Adoptie

Het toepasselijke recht inzake de voorwaarden voor de totstandkoming en herroeping van een internationale adoptie is het recht van de staat waarvan alle bij de adoptie betrokken personen de nationaliteit hebben (artikel 23 van het burgerlijk wetboek). Wat de vorm van de adoptie betreft, geldt dat het toepasselijke recht het recht is als bedoeld in artikel 11 van het burgerlijk wetboek, dat wil zeggen het recht dat de inhoud van de adoptie beheerst, of het recht van de plaats waar de adoptie tot stand is gekomen, of het recht van de nationaliteit van alle betrokken partijen. Wanneer de bij de adoptie betrokken personen niet dezelfde nationaliteit hebben, moet worden voldaan aan alle voorwaarden van alle betrokken nationale rechtsstelsels en mogen er in die rechtsstelsels geen belemmeringen voor de geldigheid van de adoptie bestaan.

De betrekkingen tussen de adoptieouders en het adoptiekind worden beheerst door het volgende recht:

  • wanneer zij na de adoptie onderdaan zijn van dezelfde staat: het recht van die staat;
  • wanneer zij op het ogenblik van de adoptie een nieuwe gemeenschappelijke nationaliteit verwerven: het recht van hun meest recente gemeenschappelijke nationaliteit;
  • wanneer zij vóór de adoptie niet dezelfde nationaliteit hebben en hun nationaliteit na de adoptie niet wijzigt of wanneer zij vóór de adoptie dezelfde nationaliteit hebben, maar de nationaliteit van een van de bij de adoptie betrokken personen na de adoptie wijzigt: het recht van de staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats op het tijdstip van de adoptie;
  • wanneer zij geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben: het recht van de staat waarvan de adoptieouder onderdaan is of, bij adoptie door beide echtgenoten, het recht dat hun persoonlijke betrekkingen beheerst.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Materiële voorwaarden

De huwelijksvoorwaarden en –beletsels worden beheerst door het recht van de staat waarvan de aanstaande echtgenoten onderdaan zijn wanneer zij dezelfde nationaliteit hebben, of, wanneer zij niet dezelfde nationaliteit hebben, door het recht van een van de staten waarvan zij onderdaan zijn (artikel 13, lid 1, eerste alinea, van het burgerlijk wetboek).

Formele voorwaarden

De formele geldigheid van het huwelijk wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de aanstaande echtgenoten onderdaan zijn wanneer zij dezelfde nationaliteit hebben of, wanneer zij niet dezelfde nationaliteit hebben, door het recht van een van de staten waarvan zij onderdaan zijn, dan wel door het recht van de staat waar het huwelijk is voltrokken (artikel 13, lid 1, tweede alinea, van het burgerlijk wetboek). Krachtens het Griekse recht moeten bepaalde formaliteiten worden vervuld voordat een huwelijk kan worden voltrokken; andere samenlevingsvormen dan het huwelijk worden in Griekenland erkend als zij ook in het betrokken buitenlandse recht als geldig worden erkend en de samenlevende personen geen Grieken zijn.

Persoonlijke betrekkingen tussen echtgenoten

Onder persoonlijke betrekkingen tussen echtgenoten wordt verstaan andere betrekkingen dan de vermogensrechtelijke betrekkingen die uit het huwelijk voortvloeien, zoals de samenlevingsplicht, andere rechten en verplichtingen, waaronder de onderhoudsverplichting.

Het recht dat van toepassing is op de persoonlijke betrekkingen tussen echtgenoten (artikel 14 van het burgerlijk wetboek), uitgezonderd de onderhoudsverplichting, is:

  • wanneer zij na het huwelijk onderdaan zijn van dezelfde staat: het recht van die staat;
  • wanneer zij tijdens het huwelijk een nieuwe gemeenschappelijke nationaliteit hebben verworven: het recht van de staat van hun meest recente gemeenschappelijke nationaliteit;
  • wanneer de echtgenoten tijdens het huwelijk onderdaan waren van dezelfde staat en één van hen later onderdaan van een andere staat is geworden: het recht van de staat van hun meest recente gemeenschappelijke nationaliteit, mits de andere echtgenoot nog steeds onderdaan is van die staat;
  • wanneer de echtgenoten vóór het huwelijk niet dezelfde nationaliteit hebben en hun nationaliteit na het huwelijk niet wijzigt, dan wel wanneer zij vóór het huwelijk dezelfde nationaliteit hebben maar de nationaliteit van één van hen tijdens het huwelijk wijzigt: het recht van de staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats;
  • wanneer zij tijdens het huwelijk geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben: het recht van de staat waarmee de echtgenoten het nauwst verbonden zijn.

Onderhoudsverplichting tussen echtgenoten

Het toepasselijke recht wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van het Verdrag van Den Haag van 2 oktober 1973, dat is geratificeerd door Griekenland bij wet 3137/2003 en waarin het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, wordt aangewezen als het toepasselijke recht.

Huwelijksvermogensregime

Het huwelijksvermogensregime regelt de uit het huwelijk voortvloeiende vermogensrechten en andere verplichtingen.

Het toepasselijke recht is het recht dat de persoonlijke betrekkingen tussen de echtgenoten regelt onmiddellijk nadat het huwelijk is voltrokken (artikel 15 van het burgerlijk wetboek).

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

In Griekenland wordt naast het huwelijk ook een andere vorm van samenwoning erkend, conform het bepaalde in wet 3719/2008. Volgens een uitdrukkelijke bepaling van deze wet is de wet van toepassing op alle partnerschappen die in Griekenland of ten overstaan van de Griekse consulaire autoriteiten zijn gesloten, ongeacht of de partijen al dan niet de Griekse nationaliteit hebben, en zulks met betrekking tot zowel de vorm van het partnerschap als het geheel van betrekkingen tussen de partijen. Indien het geregistreerde partnerschap in het buitenland is aangegaan, wordt, wat de vorm van het partnerschap betreft, het in artikel 11 van het burgerlijk wetboek bedoelde recht toegepast, dat wil zeggen het recht dat de inhoud beheerst, of het recht van de staat waar het partnerschap is gesloten, of het recht van de staat waarvan van alle betrokken partijen onderdaan zijn. Met betrekking tot de betrekkingen tussen de partijen geldt echter dat het toepasselijke recht het recht is van de plaats waar het partnerschap is gesloten.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Welk recht er van toepassing is op echtscheiding en scheiding van tafel en bed wordt vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 1259/2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (Rome III). De algemene regel is dat de echtgenoten kunnen overeenkomen het op echtscheiding en scheiding van tafel en bed toepasselijke recht aan te wijzen, mits dit een van de volgende rechtsstelsels is: a) het recht van de staat waar de echtgenoten op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst hun gewone verblijfplaats hebben, of b) het recht van de staat waar de echtgenoten laatstelijk hun gewone verblijfplaats hadden, indien een van hen op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst daar nog verblijft, of c) het recht van de staat waarvan een van de echtgenoten op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst de nationaliteit heeft, of d) het recht van de staat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

In Verordening (EG) nr. 1259/2010 is uitdrukkelijk bepaald deze niet van toepassing is op onderhoudsverplichtingen tussen gescheiden echtgenoten, aangezien die kwestie is geregeld overeenkomstig artikel 8 van het Verdrag van Den Haag van 2 oktober 1973, dat is geratificeerd door Griekenland bij wet 3137/2003. In dit artikel wordt het recht van de staat dat is toegepast op de procedure betreffende de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, aangewezen als het toepasselijke recht.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Zie hierboven onder punt 3.5.1, laatste alinea.

3.7 Erfrecht

Welk recht er van toepassing is op nalatenschapskwesties, anders dan de vorm en de herroeping van een testament, wordt vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 650/2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

Indien er een testament is opgesteld, is dit testament wat de vorm betreft geldig indien het voldoet aan de eisen van een van de volgende rechtsstelsels (artikel 1 van het Verdrag van Den Haag van 5 oktober 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen):

  • het recht van de plaats waar de testateur beschikte;
  • het recht van de staat waarvan de testateur de nationaliteit bezat, hetzij op het ogenblik dat hij beschikte, hetzij op het ogenblik van het overlijden;
  • het recht van de staat waar de testateur zijn woonplaats of gewone verblijfplaats had, hetzij op het ogenblik dat hij beschikte, hetzij op het ogenblik van het overlijden;
  • indien het testament betrekking heeft op onroerende zaken: het recht van de plaats waar de onroerende zaken zijn gelegen.

3.8 Goederenrecht

Het recht dat van toepassing is op de vermogensrechtelijke aspecten van onroerende zaken is overeenkomstig artikel 27 van het burgerlijk wetboek het recht van de staat waar deze zaken zijn gelegen.

Met betrekking tot de contractuele aspecten van onroerende zaken wordt het toepasselijke recht vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I). Als algemene regel geldt dat het recht dat de partijen hebben gekozen het toepasselijke recht is.

Het recht dat van toepassing is met betrekking tot de vorm van de bovenvermelde transacties, is het recht van de staat waar de onroerende zaken zijn gelegen (artikel 12 van het burgerlijk wetboek).

3.9 Insolventie

De insolventieprocedure en de gevolgen daarvan worden conform Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures beheerst door het recht van de lidstaat waar de betreffende procedure is geopend.

Laatste update: 06/06/2017

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Spaans) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.

Welk recht is van toepassing? - Spanje

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De conflictregels zijn hoofdzakelijk vastgelegd in de inleidende titel van het burgerlijk wetboek (artikel 9 tot 12). Regels betreffende het toepasselijke recht zijn echter ook te vinden in een aantal bijzondere wetten, zoals de wet inzake internationale adoptie.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Ten aanzien van het toepasselijke recht zijn in Spanje de volgende EU-verordeningen van kracht:

- Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures;

- Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten (Rome I);

- Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II);

- Verordening (EG) nr. 1259/2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (Rome III);

- Verordening (EG) nr. 650/2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

Spanje is bovendien partij bij verschillende verdragen die betrekking hebben op wetsconflicten. De belangrijkste toepasselijke multilaterale verdragen op dit gebied zijn:

- Overeenkomst inzake het recht dat van toepassing is op geslachtsnamen en voornamen, ondertekend te München op 5 september 1980;

- Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ondertekend te Den Haag op 19 oktober 1996;

- Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ondertekend te Den Haag op 23 november 2007;

- Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, ondertekend te Den Haag op 5 oktober 1961;

- Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, ondertekend te Den Haag op 4 mei 1971;

- Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens producten, ondertekend te Den Haag op 2 oktober 1973.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Ten aanzien van het toepasselijke recht geldt het tussen het Koninkrijk Spanje en de Republiek ten oosten van de Uruguay gesloten Verdrag betreffende het conflictenrecht inzake onderhoudsverplichtingen jegens kinderen en de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen en gerechtelijke beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen, ondertekend te Montevideo op 4 november 1987.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Overeenkomstig artikel 12, lid 6, van het burgerlijk wetboek passen de rechtbanken en autoriteiten de conflictregels van het Spaanse recht ambtshalve toe.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

In artikel 12, lid 2, van het burgerlijk wetboek is bepaald dat de verwijzing naar vreemd recht betrekking heeft op het materiële recht, zonder dat in aanmerking wordt genomen dat de verwijzingsregels van dat recht verder kunnen doorverwijzen naar een ander rechtsstelsel dat niet het Spaanse rechtsstelsel is. Dit betekent dat alleen renvoi in de eerste graad of terugverwijzing wordt aanvaard.

Renvoi in de tweede graad is niet toegestaan, behalve in het geval van wisselbrieven, cheques en orderbriefjes met betrekking tot de handelingsbekwaamheid om via deze instrumenten verplichtingen aan te gaan.

Indien een EU-verordening of een internationale overeenkomst van toepassing is, zijn de specifieke regels van die instrumenten ten aanzien van renvoi van toepassing.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

In het Spaanse recht bestaat geen algemene regel om problemen op te lossen die zich voordoen wanneer de omstandigheden die worden gehanteerd als aanknopingspunt voor de conflictregels wijzigen. Zo is wat de wettelijke leeftijd van meerderjarigheid betreft in artikel 9, lid 1, van het burgerlijk wetboek bepaald dat de wijziging van het aanknopingspunt geen invloed zal hebben op de reeds bereikte meerderjarigheid. Ten aanzien van deze kwestie is bepaald dat het recht wordt toegepast dat van kracht was op het tijdstip waarop de rechtssituatie ontstond, zelfs als het aanknopingspunt later wijzigt.

Indien een EU-verordening of een internationale overeenkomst van toepassing is, zijn de specifieke regels van deze instrumenten ten aanzien van de wijziging van het aanknopingspunt van toepassing.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

In artikel 12, lid 3, van het burgerlijk wetboek is bepaald dat vreemd recht niet wordt toegepast wanneer het in strijd is met de openbare orde. Toepassing van vreemd recht is dus uitgesloten als dat leidt tot een resultaat dat duidelijk in strijd is met de fundamentele beginselen van het Spaanse recht. De beginselen die zijn neergelegd in de grondwet worden als essentieel beschouwd.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De inhoud en de geldigheid van het vreemd recht moet door de partijen worden aangetoond, en de rechter kan gebruik maken van alle onderzoeksmiddelen die hij noodzakelijk acht voor de vaststelling ervan. Het systeem wordt gekenmerkt door een combinatie van het principe van door de betrokken partij aangevoerde argumenten en bewijselementen en de rechter die kan meewerken aan de vaststelling daarvan. Indien de inhoud van het vreemd recht in uitzonderlijke gevallen niet kan worden vastgesteld, wordt het Spaanse recht toegepast.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Het recht dat contractuele verbintenissen beheerst, wordt over het algemeen vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad (verordening Rome I). De gevallen waarop de verordening Rome I niet van toepassing is, worden opgelost overeenkomstig artikel 10, lid 5, van het burgerlijk wetboek. In artikel 10, lid 5, van het burgerlijk wetboek wordt de vrije rechtskeuze erkend, op voorwaarde dat het toepasselijke recht uitdrukkelijk is gekozen en de betreffende zaak een bepaalde band heeft met dit recht. Is dat niet het geval dan wordt het gemeenschappelijke nationale recht van de partijen toegepast; bij gebreke daarvan, is het recht van hun gewone verblijfplaats van toepassing en, in laatste instantie, het recht van de plaats waar de overeenkomst tot stand is gekomen.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Deze materie wordt geregeld in Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 (Rome II). Ten aanzien van verkeersongevallen op de weg en de aansprakelijkheid van de fabrikant, worden de conflictregels van de verdragen van Den Haag van respectievelijk 1971 en 1973 toegepast.

Kwesties die niet in de bovenstaande verordeningen zijn geregeld, vallen onder artikel 10, lid 9, van het burgerlijk wetboek, waarin is bepaald dat een onrechtmatige daad wordt beoordeeld krachtens het toepasselijke recht van de staat waar het rechtsfeit zich voordoet. Zaakwaarneming zonder opdracht wordt beheerst door het recht van de plaats waar de zaakwaarnemer zijn hoofdvestiging heeft en ongerechtvaardigde verrijking wordt beheerst door het recht van de plaats waar de vermogensoverdracht ten gunste van de verrijkte zich voordoet.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Ingevolge artikel 9 van het burgerlijk wetboek wordt het toepasselijke recht met betrekking tot deze kwesties bepaald door de nationaliteit van een natuurlijke persoon. Er bestaan regels die gelden voor de gevallen van dubbele nationaliteit en onbepaalde nationaliteit. In het geval van dubbele nationaliteit moet worden vastgesteld of het een dubbele nationaliteit is op grond van het Spaanse recht of een dubbele nationaliteit die het Spaanse recht niet kent. Er zijn met betrekking tot dubbele nationaliteit verdragen gesloten met Chili, Peru, Paraguay, Nicaragua, Guatemala, Bolivia, Ecuador, Costa Rica, Honduras, Dominicaanse Republiek, Argentinië en Colombia. De bepalingen van deze internationale verdragen zijn van toepassing. Als de nationaliteit echter niet kan worden vastgesteld op grond van deze verdragen, wordt voorrang gegeven aan de nationaliteit van het land waar de betrokkene zijn laatste gewone verblijfplaats had en, bij gebreke daarvan, aan de laatst verworven nationaliteit. Indien in de Spaanse wetgeving niet is voorzien in de dubbele nationaliteit en een van beide nationaliteiten de Spaanse nationaliteit is, zal deze voorrang hebben. Het beginsel van non‑discriminatie op grond van nationaliteit moet echter wel in acht worden genomen indien het twee nationaliteiten van lidstaten betreft. Bij personen met een onbepaalde nationaliteit wordt het recht van hun gewone verblijfplaats toegepast als hun persoonlijke recht. Ten aanzien van staatloze personen is in artikel 12 van het Verdrag van New York van 28 september 1954 bepaald dat het toepasselijke recht het recht is van het land waar de staatloze zijn woonplaats heeft of, bij gebreke daarvan, van het land waar hij zijn verblijfplaats heeft.

Het toepasselijke recht met betrekking tot de naam van natuurlijke personen wordt beheerst door de Overeenkomst van München van 1980. De voornamen en achternamen van een natuurlijk persoon worden beheerst door het recht van de staat waarvan hij onderdaan is.

3.4 Afstamming en adoptie

In artikel 9, lid 4, van het burgerlijk wetboek is bepaald dat het recht dat van toepassing is op de vaststelling van de natuurlijke afstamming het recht is van de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip van de vaststelling van de afstamming. Bij gebreke van een gewone verblijfplaats of indien vaststelling van de afstamming krachtens dit recht niet mogelijk is, wordt het nationale recht van het kind op dat tijdstip toegepast. Indien de vaststelling van de afstamming op grond van dit recht niet mogelijk is of indien het kind geen nationaliteit heeft, is het Spaanse materiële recht van toepassing.

Het recht dat van toepassing is op de totstandkoming van adoptie wordt beheerst door een bijzondere wet: wet 54/2007 inzake internationale adoptie. In artikel 18 van de wet inzake internationale adoptie is bepaald dat een door een Spaanse bevoegde autoriteit uitgesproken adoptie wordt beheerst door het Spaanse materiële recht wanneer de geadopteerde op het tijdstip van de totstandkoming van de adoptie zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft of wanneer hij naar Spanje is of wordt overgebracht met als doel zijn verblijfplaats in Spanje te vestigen.

Het recht dat van toepassing is op de inhoud van de ouder-kindrelatie, die ontstaat door geboorte of adoptie, en op de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt bepaald op grond van het Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996. In artikel 17 van dit verdrag is bepaald dat de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beheerst door het recht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

Er bestaan regels voor de voltrekking van een huwelijk en de gevolgen daarvan. Wat de vorm van de voltrekking betreft, wordt in het burgerlijk wetboek bepaald dat een huwelijk in Spanje of in het buitenland kan worden voltrokken: 1) door een rechter, burgemeester of de in het burgerlijk wetboek aangewezen ambtenaar; 2) op de in de wet vastgestelde religieuze wijze. In het burgerlijk wetboek is bovendien bepaald dat Spaanse staatsburgers buiten Spanje in het huwelijk kunnen treden volgens de vorm die is vastgesteld in het recht van het land waar het huwelijk wordt voltrokken. Als geen van beide partijen Spaans staatsburger is, kunnen zij een huwelijk in Spanje sluiten volgens de vormvereisten die voor Spaanse staatsburgers gelden of volgens die van het persoonlijke recht van een van de partijen. De huwelijksbevoegdheid en de toestemming worden beheerst door het nationale recht van elk van de partijen (artikel 9, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

De gevolgen van het huwelijk worden krachtens artikel 9, lid 2, van het burgerlijk wetboek beheerst door het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten ten tijde van de voltrekking van het huwelijk. Als zij geen gemeenschappelijk nationaal recht hebben, worden de gevolgen van het huwelijk beheerst door het persoonlijke recht of het recht van de gewone verblijfplaats van een van beide partijen, dat door hen wordt gekozen en vastgelegd in een authentieke akte die voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking wordt gepasseerd. Als er geen rechtskeuze is gedaan, is het recht van het land waar de partijen onmiddellijk na het huwelijk hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats vestigen van toepassing, en bij gebreke daarvan, het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken.

Echtscheiding en scheiding van tafel en bed vallen onder Verordening (EG) nr. 1259/2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (Rome III). De nietigverklaring van een huwelijk wordt krachtens artikel 107, lid 1, van het burgerlijk wetboek beheerst door het recht dat van toepassing is op de huwelijksvoltrekking.

In het Spaanse internationaal privaatrecht is niets bepaald over ongehuwd samenwonen (in beginsel worden in aanmerking komende bepalingen naar analogie toegepast).

Het Protocol van Den Haag van 2007 inzake het recht van toepassing op onderhoudsverplichtingen is van toepassing op onderhoudsverplichtingen.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

De regels die de gevolgen van een huwelijk beheersen (artikel 9, lid 2, van het burgerlijk wetboek), omvatten zowel de persoonlijke als de vermogensrechtelijke gevolgen. Het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten ten tijde van de huwelijksvoltrekking is dan ook van toepassing. Bij gebreke van een dergelijk recht, worden de gevolgen van het huwelijk beheerst door het persoonlijke recht of het recht van de gewone verblijfplaats van een van de partijen, dat door hen wordt gekozen en vastgelegd in een authentieke akte die voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking wordt gepasseerd. Als er geen rechtskeuze is gedaan, is het recht van het land waar zich de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevond onmiddellijk voorafgaand aan de voltrekking van toepassing, en bij gebreke daarvan, het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken.

Overeenkomsten of schikkingen die het huwelijksvermogensregime regelen, wijzigen of vervangen, zijn geldig als zij in overeenstemming zijn met het recht dat de gevolgen van het huwelijk beheerst of met het recht van de nationaliteit of van de gewone verblijfplaats van een van de partijen op het tijdstip van de totstandkoming (artikel 9, lid 3, van het burgerlijk wetboek).

3.7 Erfrecht

In Spanje zijn de regels van Verordening (EG) nr. 650/2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, van toepassing. Overeenkomstig deze verordening is het recht van de staat waar de erflater op het tijdstip van het overlijden zijn gewone verblijfplaats had van toepassing, tenzij hij het recht van zijn nationaliteit als toepasselijk recht had gekozen.

De vorm van testamenten wordt beheerst door het Verdrag van Den Haag van 1961.

3.8 Goederenrecht

Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het burgerlijk wetboek worden bezit, eigendom en andere rechten op onroerende zaken en de publiciteit over die rechten beheerst door het recht van het land waar de onroerende zaak zich bevindt. Deze bepaling is eveneens van toepassing op roerende zaken. Met het oog op vestiging en overdracht van rechten worden goederen in transito verondersteld zich op de plaats van verzending te bevinden, tenzij de verzender en de ontvanger uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn overeengekomen dat deze zich op de plaats van bestemming bevinden. Alle rechten met betrekking tot schepen, luchtvaartuigen en treinen worden beheerst door het recht van de vlaggenstaat of het land van registratie. Rechten op auto’s en andere wegvoertuigen worden beheerst door het recht van de plaats waar zij zich bevinden. De uitgifte van effecten wordt beheerst door het recht van de plaats waar zij worden uitgegeven.

3.9 Insolventie

Op gevallen die niet onder De link wordt in een nieuw venster geopend.Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures vallen, is De link wordt in een nieuw venster geopend.wet 22/2003 van 9 juli inzake faillissementen (Ley Concursal) van toepassing. In artikel 200 van deze wet is de algemene regel vastgesteld dat de opening, het verloop en de beëindiging van insolventieprocedures in Spanje worden beheerst door het Spaanse recht. In de faillissementswet zijn eveneens regels van internationaal privaatrecht opgenomen die bepalen welk recht van toepassing is op de verschillende rechtsbetrekkingen in het kader van de insolventieprocedure.

Laatste update: 09/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Kroatië

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

In Kroatië zijn het internationaal privaatrecht en het procesrecht grotendeels gecodificeerd bij de wet tot regeling van wetsconflicten met derde landen op bepaalde gebieden ("wet inzake wetsconflicten"; ZRS) (Staatscourant van de Republiek Kroatië, nr. 53/91).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, Den Haag 1954;

Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, Den Haag 1961;

Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, Den Haag 1971;

Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens producten, Den Haag 1973.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

De Republiek Kroatië is krachtens een verklaring van voortgezette gebondenheid partij bij meerdere internationale bilaterale verdragen, zoals verdragen inzake wederzijdse rechtshulp, consulaire overeenkomsten, handels- een scheepvaartverdragen. Met een aantal landen zijn verdragen inzake wederzijdse rechtshulp gesloten, die tevens een regeling voor de oplossing van wetsconflicten bevatten:

het Verdrag met Oostenrijk inzake uitwisseling van juridische informatie van 1954, Wenen, 16 december 1954;

het Verdrag met Bulgarije inzake wederzijdse rechtshulp van 1956, Sofia, 23 maart 1956.

het Verdrag met de Republiek Tsjechië tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken Belgrado, 20 januari 1964;

het Verdrag met Griekenland inzake uitwisseling van juridische informatie van 1959, Athene, 18 juni 1959;

het Verdrag met Hongarije inzake uitwisseling van juridische informatie van 1968.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

In het geval van rechtskwesties met een internationaal element passen de rechtbanken het internationaal privaatrecht op drie manieren toe, namelijk op grond van: conflictregels, voorrangsregels en speciale materiële regels.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

In het Kroatische internationaal privaatrecht is in artikel 6 van de wet inzake wetsconflicten bepaald dat indien krachtens de bepalingen van die wet, het recht van een derde staat moet worden toegepast, de regels van die derde staat die het toepasselijke recht aanwijzen in aanmerking zullen worden genomen.

Indien de regels van een derde staat tot bepaling van het toepasselijke recht naar het recht van de Republiek Kroatië verwijzen, wordt het Kroatische recht toegepast zonder dat rekening wordt gehouden met de regels die naar een ander toepasselijk recht verwijzen.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

De wet inzake wetsconflicten regelt deze kwestie over het algemeen niet, maar deze wet bevat wel bijzondere bepalingen die in dergelijke gevallen van toepassing zijn. Zo is bijvoorbeeld in artikel 35, lid 1, bepaald dat het toepasselijke recht in geval van een echtscheiding het recht is van de staat waarvan de echtgenoten onderdaan zijn op het tijdstip van inleiding van de gerechtelijke procedure. Voorts is in artikel 45, lid 1, bepaald dat de gevolgen van adoptie worden beoordeeld op grond van het recht van de staat waarvan de geadopteerde en de adoptant onderdaan zijn op het tijdstip dat de adoptie tot stand komt.

In het algemeen dient bij elk specifiek geval te worden vastgesteld of een juridische situatie is beëindigd, permanent is of nog in ontwikkeling is. Indien een conflictregel een permanente situatie beheerst, wordt het ontstaan van die situatie in juridische zin beheerst door het dan geldende toepasselijke recht, en indien dat leidt tot een wijziging van het statuut, worden de gevolgen van een dergelijke juridische situatie beoordeeld in overeenstemming met het nieuwe recht dat vanaf dat tijdstip van toepassing is.

Ten aanzien van de verkrijging van eigendomsrechten en andere zakelijke rechten, die worden beoordeeld overeenkomstig het recht van de plaats waar de zaak zich bevindt, geldt dat een eigendomsrecht dat is verkregen ingevolge een eerder statuut, geldig blijft ook als het nog niet is verkregen op grond van het nieuwe statuut. Indien het eigendomsrecht op een roerende zaak echter niet op grond van een eerdere wet is verkregen, omdat een dergelijke juridische modus niet bestaat, vindt de verkrijging plaats zodra de roerende zaak op het grondgebied aankomt van de staat die voor de verkrijging een dergelijke modus niet vereist.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

a) Openbare orde

In artikel 4 van de wet inzake wetsconflicten is bepaald dat het recht van een vreemde staat niet wordt toegepast indien de gevolgen van de toepassing in strijd zijn met de fundamentele beginselen die zijn vastgesteld in de Grondwet van de Republiek Kroatië.

Behalve de genoemde bepaling van artikel 4 van de wet inzake wetsconflicten, die moet worden geïnterpreteerd als een maatregel tot bescherming van de fundamentele rechten, de vrijheden, de mensenrechten en de burger, vallen onder het begrip openbare orde ook de bepalingen van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950.

De exceptie van de openbare orde zorgt niet alleen voor een bescherming van het nationale recht tegen de toepassing van vreemd materieel recht. Of het gegrond is een beroep te doen op de bescherming van de nationale openbare orde hangt onder meer af van de vraag of het te beslechten geschil nauw verband houdt met het nationale grondgebied en het aldaar toepasselijke recht, dat wil zeggen de lex fori (het recht van het land waar de rechtsvordering wordt ingesteld). Een dergelijke band bestaat wanneer de toepassing van het vreemde recht meer blijvende gevolgen heeft op het nationale grondgebied.

b) Voorrangsregels

Soms worden situaties die zich voordoen in een internationale context beheerst door speciale lex fori-regels, die meestal worden aangeduid als voorrangsregels. Deze regels zijn opgenomen in dezelfde wet als de conflictregels, maar ze kunnen soms ook in andere wetten worden gevonden.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De rechtbank of een andere bevoegde instantie dient ambtshalve de inhoud van het vreemd recht vast te stellen overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de wet inzake wetsconflicten. In artikel 13, leden 2 en 3, van de wet inzake wetsconflicten is bepaald dat een rechtbank of een andere bevoegde instantie informatie over het vreemde recht kan opvragen bij het Kroatische ministerie van Justitie. Maar ook de procespartijen kunnen een authentieke akte indienen betreffende de inhoud van het vreemde recht.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

De wet inzake wetsconflicten (ZRS) is de bron van de conflictregels.

In artikel 19 van deze wet is bepaald dat het recht dat van toepassing is op overeenkomsten, het is recht dat de contractpartijen hebben gekozen, tenzij in de genoemde wet of een internationaal verdrag anders is bepaald.

In artikel 20 is bepaald dat indien er geen toepasselijk recht is gekozen en de bijzondere omstandigheden van de zaak niet naar een ander recht verwijzen, het volgende recht moet worden toegepast:

1. voor een verkoopovereenkomst betreffende roerende zaken - het recht van het land waar de verkoper zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

2. voor een dienstverleningsovereenkomst of een bouwcontract - het recht van het land waar de dienstverlener (of de ondernemer) zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

3. voor een procuratieovereenkomst- het recht van het land waar de procuratiehouder zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

4. voor een agentuurovereenkomst - het recht van het land waar de agent zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

5. voor een commissie-overeenkomst - het recht van het land waar de commissionair zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

6. voor een vervoersovereenkomst - het recht van het land waar de vervoerder zijn woonplaats of hoofdvestiging had op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

7. voor een huurovereenkomst betreffende roerende zaken - het recht van het land waar de verhuurder zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

8. voor een leningsovereenkomst - het recht van het land waar de geldverstrekker zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

9. voor een gebruiksovereenkomst - het recht van het land waar de lener zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

10. voor een overeenkomst inzake bewaargeving - het recht van het land waar de bewaarnemer zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

11. voor een overeenkomst inzake entrepot - het recht van het land waar de entrepothouder zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

12. voor een vervoersovereenkomst - het recht van het land waar de vervoerder zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

13. voor een verzekeringsovereenkomst - het recht van het land waar de verzekeraar zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

14. voor een auteursovereenkomst - het recht van het land waar de auteur zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

15. voor een schenkingsovereenkomst - het recht van het land waar de schenker zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod;

16. voor beurstransacties - het recht van het land waar het beurskantoor is gevestigd;

17. voor een overeenkomst inzake onafhankelijke bankgaranties - het recht van het land waar de borg zijn hoofdvestiging heeft op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst;

18. voor een overeenkomst inzake de overdracht van technologie (o.a. licenties) - het recht van het land waar de begunstigde van de overdracht zijn hoofdvestiging heeft op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst;

19. voor reële vorderingen op grond van een arbeidsovereenkomst - het recht van de staat waar de arbeid wordt of is verricht;

20. voor alle overige overeenkomsten - het recht van het land waar de aanbieder zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft op het tijdstip van aanvaarding van het aanbod.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Bepalingen over het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen zijn zowel opgenomen in de wet inzake wetsconflicten als in de internationale verdragen (Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, Den Haag 1971).

De wet inzake wetsconflicten bevat bepalingen betreffende het recht dat van toepassing is op ongerechtvaardigde verrijking, zaakwaarneming, niet-contractuele verbintenissen die niet voortvloeien uit aansprakelijkheid voor schade, en buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade.

Het recht dat buitencontractuele aansprakelijkheid beheerst, is of het recht van het land waar het feit heeft plaatsgevonden, of het recht van het land waar de gevolgen zich hebben voorgedaan, afhankelijk van welk recht voor de benadeelde partij het gunstigst is. Indien een feit waaruit een verplichting tot schadevergoeding voortvloeit, zich voordoet aan boord van een schip op volle zee of aan boord van een vliegtuig, wordt het recht van de vlaggenstaat of het recht van het land van inschrijving van het vliegtuig, beschouwd als het recht van het land waar het feit heeft plaatsgevonden dat de verplichting tot schadevergoeding heeft doen ontstaan.

Ongerechtvaardigde verrijking wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de rechtsbetrekking die is ontstaan, die naar verwachting zou zijn ontstaan of die had moeten ontstaan en die de verrijking heeft veroorzaakt. Wat zaakwaarneming betreft is het recht van het land waar de waarneming heeft plaatsgevonden van toepassing. Verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van zaken zonder opdracht tot waarneming en buitencontractuele verplichtingen die niet voortkomen uit aansprakelijkheid voor schade worden beheerst door het recht van het land waar de feiten zich hebben voorgedaan die de verplichting hebben doen ontstaan.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Het recht dat van toepassing is op de rechts- en handelingsbekwaamheid van een natuurlijke persoon is het recht van de staat waarvan hij onderdaan is.

Een natuurlijke persoon die handelingsonbekwaam is op grond van het recht van de staat waarvan hij onderdaan is, is bekwaam handelingen te verrichten wanneer hij handelingsbekwaam is op grond van het recht van de staat waar de verplichting is ontstaan.

3.4 Afstamming en adoptie

De betrekkingen tussen ouders en kinderen worden beheerst door het recht van de staat waarvan zij onderdaan zijn.

Indien de ouders en kinderen een verschillende nationaliteit hebben, is het recht van de staat waar zij hun woonplaats hebben van toepassing.

Indien de ouders en kinderen een verschillende nationaliteit hebben en niet in dezelfde staat woonachtig zijn, is het recht van de Republiek Kroatië van toepassing als het kind of een van de ouders een Kroatische staatsburger is.

De erkenning, vaststelling of ontkenning van het vader- of moederschap wordt beheerst het recht van de staat waarvan de persoon die voorwerp is van de erkennings-, vaststellings- of ontkenningsprocedure van het vader- of moederschap, onderdaan was op het tijdstip van de geboorte van het kind.

3.4.1 Adoptie

De voorwaarden omtrent adoptie en de herroeping van adoptie worden beheerst door het recht van de staat waarvan de adoptant en de geadopteerde onderdaan zijn.

Wanneer de adoptant en de geadopteerde een verschillende nationaliteit hebben, worden de voorwaarden omtrent de adoptie en de herroeping van adoptie die zijn vastgesteld in de rechtsstelsels van de staten waarvan zij ieder onderdaan zijn, cumulatief toegepast.

Indien echtgenoten gezamenlijk een kind adopteren is, behalve het recht van de staat waarvan de geadopteerde onderdaan is, tevens het recht van de staat waarvan ieder van de echtgenoten onderdaan is van toepassing op de voorwaarden voor de totstandkoming of de herroeping van de adoptie.

De formele vereisten inzake adoptie worden beheerst door het recht van de staat waar de adoptie tot stand komt.

De gevolgen van de adoptie worden beheerst door het recht van de staat waarvan de adoptant en de geadopteerde op het tijdstip van de adoptie onderdaan zijn.

Indien de adoptant en de geadopteerde een verschillende nationaliteit hebben, is het recht van de staat van hun woonplaats van toepassing.

Indien de adoptant en de geadopteerde een verschillende nationaliteit hebben en niet in dezelfde staat woonachtig zijn, is het recht van de Republiek Kroatië van toepassing als een van hen een Kroatische staatsburger is.

Indien noch de adoptant noch de geadopteerde onderdaan is van de Republiek Kroatië, is het recht van de staat waarvan de geadopteerde onderdaan is van toepassing.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Het recht dat de voorwaarden voor het sluiten van een huwelijk beheerst, is voor iedere persoon het recht van de staat waarvan hij onderdaan is op het tijdstip van voltrekking van het huwelijk.

Ook al is voldaan aan de voorwaarden voor het sluiten van een huwelijk op grond van het recht van de staat van de persoon die in het huwelijk wil treden ten overstaan van de bevoegde autoriteiten van de Republiek Kroatië, wordt geen toestemming gegeven voor het huwelijk indien er op grond van het Kroatische recht beletselen bestaan ten aanzien van deze persoon, zoals het bestaan van een eerder huwelijk, verwantschap of handelingsonbekwaamheid.

De formele vereisten betreffende het huwelijk worden beheerst door het recht van de staat waar het huwelijk wordt voltrokken.

Het recht dat van toepassing is op de ongeldigheid van het huwelijk (non-existentie of nietigheid) is het recht op grond waarvan het huwelijk is voltrokken.

Echtscheiding wordt beheerst door het recht van de staat waarvan beide echtgenoten onderdaan zijn op het tijdstip waarop de aanvraag tot echtscheiding wordt ingediend. De rechtsstelsels van de staten waarvan elk van de partijen onderdaan is, worden cumulatief toegepast.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Vermogensrechtelijke betrekkingen van personen die ongehuwd samenwonen, worden beheerst door het recht van de staat waarvan zij onderdaan zijn.

Indien deze personen een verschillende nationaliteit hebben, is het recht van de staat van hun gemeenschappelijke woonplaats van toepassing.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Echtscheiding wordt beheerst door het recht van de staat waarvan beide echtgenoten onderdaan zijn op het tijdstip waarop de aanvraag tot echtscheiding wordt ingediend. De rechtsstelsels van de staten waarvan elk van de partijen onderdaan is, worden cumulatief toegepast.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen jegens familieleden, andere dan ouders en kinderen, of op onderhoudsverplichtingen die zijn aangegaan op grond van het huwelijk (verwantschap), is het recht van de staat waarvan de onderhoudsplichtige onderdaan is.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

De persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen tussen echtgenoten wordt beheerst door het recht van de staat waarvan zij onderdaan zijn.

Indien de echtgenoten een verschillende nationaliteit hebben, is het recht van de staat waar zij woonachtig zijn van toepassing. Indien de echtgenoten een verschillende nationaliteit hebben en niet in dezelfde staat woonachtig zijn, is het recht van hun laatste gemeenschappelijke woonplaats van toepassing.

Indien het toepasselijke recht niet op bovengenoemde manier kan worden vastgesteld, is het recht van de Republiek Kroatië van toepassing. Huwelijkse voorwaarden worden beheerst door het recht dat van toepassing was op de persoonlijke betrekkingen en het wettelijke huwelijksvermogensregime op het tijdstip dat het huwelijk werd voltrokken.

Indien in de wet is bepaald dat de echtgenoten kunnen kiezen welk recht de huwelijkse voorwaarden beheerst, is het recht dat zij hebben gekozen het toepasselijke recht.

3.7 Erfrecht

Erfopvolging wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de erflater onderdaan was op het tijdstip van het overlijden.

Het recht dat van toepassing is op de bekwaamheid om een testament te maken is het recht van de staat waarvan de testateur onderdaan was op het tijdstip dat het testament werd opgemaakt.

Een testament is formeel geldig wanneer voldaan is aan de vormvoorschriften van:

1) het recht van de staat waar het testament is opgesteld;

2) het recht van de staat waarvan de testateur onderdaan was, hetzij op het tijdstip waarop zijn testament werd gepasseerd, hetzij op het tijdstip van het overlijden;

3) het recht van de staat waar de testateur zijn woonplaats had, hetzij op het tijdstip waarop zijn testament werd gepasseerd, hetzij op het tijdstip van het overlijden;

4) het recht van de staat waar de testateur zijn woonplaats had, hetzij op het tijdstip zijn testament werd gepasseerd, hetzij op het tijdstip van het overlijden;

5) het recht van de Republiek Kroatië;

6) met betrekking tot onroerende zaken - eveneens het recht van de staat waar de onroerende zaak is gelegen.

3.8 Goederenrecht

Op overeenkomsten met betrekking tot onroerende zaken is het uitsluitend recht van de staat op het grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen van toepassing.

3.9 Insolventie

In de faillissementswet is in artikel 303 het fundamentele beginsel vastgelegd dat de gevolgen van een faillissementsprocedure worden bepaald op grond van het recht van de staat waar de procedure is ingeleid.

Laatste update: 12/11/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Cyprus

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Wanneer een grensoverschrijdende zaak voor de rechter wordt gebracht, zijn de regels die bepalen welk recht in Cyprus van toepassing is in de eerste plaats de regels van het EU-recht, met name Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) en Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).

Voor het overige laten de Cypriotische rechtbanken zich leiden door hun eigen jurisprudentie, aangezien er geen relevante nationale wetten of gecodificeerde regels bestaan. Bij gebrek aan relevante Cypriotische jurisprudentie passen de rechtbanken het Engelse "common law" toe krachtens artikel 29, lid 1, onder c), van de wet op de rechtbanken (wet 14/60).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Het Verdrag van Den Haag van 1 juli 1985 inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts, zoals geratificeerd door de Republiek Cyprus bij ratificatiewet 15 (III) van 2017.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Niet van toepassing.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De rechter is niet verplicht deze regels op eigen initiatief toe te passen. De kwestie mag alleen aan de orde worden gesteld door een partij in de zaak, die met succes moet bewijzen dat het recht van een andere staat in de plaats komt van het recht van Cyprus. Als de rechtbank niet overtuigd is, is de wetgeving van Cyprus van toepassing.

Aangezien bovengenoemde praktijk een kwestie van bewijs en procedure is, wordt ze niet beïnvloed door de bovengenoemde Verordeningen (EG) nr. 593/2008 en (EG) nr. 864/2007.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

De Verordeningen (EG) nr. 593/2008 en (EG) nr. 864/2007 staan de toepassing van de verwijzingsregel ("terugverwijzing") niet toe. In gevallen die niet onder de verordeningen vallen, kan de verwijzingsregel evenwel op de onderstaande wijze worden toegepast.

De rechtbank die een zaak behandelt waarvoor is vastgesteld dat het recht van een andere staat moet worden toegepast, moet ofwel alleen de interne nationale regels van dat recht toepassen, ofwel dat recht in zijn geheel, met inbegrip van de internationale regels die krachtens dat recht van toepassing zijn.

De moeilijkheid in het laatste geval vloeit voort uit het feit dat de regels inzake het recht dat volgens het rechtsstelsel van de andere betrokken staat van toepassing is, de rechter kunnen verwijzen naar het recht van Cyprus, dat hij moet toepassen ("terugverwijzing "). In dat geval heeft de rechtbank twee mogelijkheden: ofwel aanvaardt ze de verwijzingsregel en past ze het recht van Cyprus toe ("gedeeltelijke terugverwijzing"), ofwel verwerpt ze de verwijzingsregel en past ze het recht van de andere staat in zijn geheel toe ("gehele terugverwijzing").

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Om problemen te voorkomen die zich zouden kunnen voordoen als gevolg van een wijziging van het aanknopingspunt (bijvoorbeeld de woonplaats, de plaats waarnaar de roerende zaak of de trust is overgebracht enz.), wordt gewoonlijk de regel inzake toepasselijk recht gebruikt om de datum te bepalen waarop het aanknopingspunt wordt vastgesteld. Zie bijvoorbeeld artikel 7 van het Haags Trustverdrag van 1 juli 1985.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Het recht van een andere staat mag niet worden toegepast, zelfs niet als de regels inzake toepasselijk recht voorschrijven dat het moet worden toegepast, indien de toepassing ervan onverenigbaar is met de openbare orde in de Republiek Cyprus. Volgens de jurisprudentie omvat "openbare orde" de essentiële beginselen van gerechtigheid, openbare zedelijkheid en ethiek (Pilavachi & Co Ltd tegen International Chemical Co Ltd (1965) 1 CLR 97).

Het recht van een andere staat mag ook niet worden toegepast op belastingen, heffingen en rechten.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De regel die is vastgesteld in de zaak Royal Bank of Scotland plc tegen Geodrill Co Ltd e.a. (1993) 1 JSC 753 is van toepassing, volgens welke een partij die aanvoert dat een buitenlandse wet op haar zaak van toepassing is, eerst deze claim moet indienen en er vervolgens ten genoegen van de rechter deskundigenbewijs voor moet leveren. Als de rechter niet door dat bewijs wordt overtuigd of als geen van de partijen een dergelijke claim indient, is het recht van Cyprus van toepassing.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) is van toepassing op alle verbintenissen uit overeenkomst en rechtshandelingen wanneer de vraag aan de orde is welk recht er moet worden toegepast.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) is in de meeste gevallen van toepassing. De algemene regel van die verordening is dat het toepasselijke recht moet worden bepaald op basis van de plaats waar de schade zich voordoet (lex loci damni), ongeacht het land of de landen waar de indirecte gevolgen zich kunnen voordoen. De verordening bevat ook specifieke regels voor de bepaling van het toepasselijke recht voor specifieke soorten niet‑contractuele verbintenissen, zoals oneerlijke concurrentie en productaansprakelijkheid.

Wat trusts betreft, is de (ratificatie)wet van 2017 die van toepassing is op trusts en op de erkenning ervan (wet 15(III)/2017), waarbij het Haags Trustverdrag 1985 werd geratificeerd, van toepassing. Volgens de ratificatiewet en het verdrag moet een trust worden beheerst door het door de trustee gekozen recht. Anders moet een trust worden beheerst door het recht waarmee hij het nauwst verbonden is.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Naam

De wet op de relatie tussen ouders en kinderen (wet 216/90) is van toepassing op de bepaling van de naam. Volgens wet 216/90 wordt de naam van een kind bepaald door een gemeenschappelijke verklaring van zijn ouders binnen drie maanden na de geboortedatum. Als de ouders nalaten een dergelijke verklaring af te leggen, krijgt het kind de naam van de vader. De naam van de moeder moet worden gegeven aan een buitenechtelijk kind tenzij, of totdat, het kind door de vader wordt erkend.

Woonplaats

De woonplaats van een persoon wordt bepaald overeenkomstig hoofdstuk 195 van de wet inzake testamenten en erfenissen, waarin is vastgesteld dat elke persoon op elk moment hetzij de bij de geboorte verkregen woonplaats ("woonplaats van oorsprong") heeft, hetzij een woonplaats die hij op eigen initiatief heeft verkregen of behouden ("gekozen woonplaats").

In het geval van een wettig kind dat tijdens het leven van de vader is geboren, is de woonplaats van oorsprong van het kind vanaf de geboorte de woonplaats van de vader.

In het geval van een buitenechtelijk kind of een kind dat na het overlijden van de vader is geboren, is de woonplaats van oorsprong van het kind vanaf de geboorte de woonplaats van de moeder.

Bevoegdheid

De huwelijksbevoegdheid van een persoon is onderworpen aan de huwelijkswet (wet 104(I)/2013). In artikel 14 van die wet is bepaald dat een persoon niet huwelijksbevoegd is als hij jonger dan achttien jaar is of als hij op de datum waarop het huwelijk wordt gesloten niet in staat is om toestemming te geven als gevolg van een geestelijke stoornis of achterstand, of een hersenaandoening of -ziekte of een andere aandoening of ziekte, of een verslaving, waardoor hij niet in staat is te begrijpen en zich bewust te zijn van wat hij doet.

Zelfs als een van de partners of beide partners jonger dan achttien jaar is/zijn, worden de partners evenwel huwelijksbevoegd geacht indien zij ten minste zestien jaar oud zijn of indien hun voogden schriftelijk met het huwelijk hebben ingestemd of indien er ernstige redenen zijn die het huwelijk rechtvaardigen. Als bovengenoemde instemming wordt geweigerd of als er geen voogd is, moet de vraag of iemand huwelijksbevoegd is, worden beantwoord door de familierechtbank van het district waar de betrokkene woont.

Wat betreft de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten, is in artikel 11 van hoofdstuk 149 van de wet op de overeenkomsten bepaald dat een persoon bevoegd is om overeenkomsten te sluiten als hij geestelijk gezond is en deze bevoegdheid hem niet rechtens is ontnomen. De wet bepaalt dat een gehuwde persoon niet kan worden beschouwd als zijnde onbevoegd om een overeenkomst te sluiten om de enkele reden dat hij jonger dan achttien jaar is.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

De rechtsverhouding tussen een ouder en een kind, met inbegrip van ouderlijke verantwoordelijkheid, onderhoudsplicht en communicatie, wordt geregeld door het Cypriotische recht, met name de wet op de relatie tussen ouders en kinderen (wet 216/90).

Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II bis) en Verordening (EG) nr. 4/2009, alsmede het Verdrag van 's-Gravenhage van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, zijn ook van toepassing op de aangelegenheden waarop zij betrekking hebben.

3.4.2 Adoptie

Wanneer voor Cypriotische rechtbanken adoptieprocedures worden gevoerd, is het Cypriotische recht van toepassing, ongeacht of de adoptiezaak grensoverschrijdend is.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Aangelegenheden die verband houden met het sluiten en ontbinden van een huwelijk worden in Cyprus bij de huwelijkswet van 2003 (wet 104(I)/2003) geregeld. Zij vallen ook onder het VN-Verdrag inzake de huwelijkstoestemming, de minimumleeftijd waarop een huwelijk mag worden aangegaan en de registratie van huwelijken, zoals geratificeerd door de Republiek Cyprus bij wet 16(III)/2003.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Aangelegenheden in verband met echtscheiding vallen onder artikel 111 van de grondwet en, wat religieuze huwelijken betreft, onder de wet van 1990 betreffende verzoeningspogingen en de geestelijke ontbinding van het huwelijk (wet 22/1990) alsook onder de huwelijkswet (wet 104(I)/2003).

Het Haags Verdrag van 1971 inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, zoals geratificeerd door de Republiek Cyprus bij wet 14(III)/1983, is van toepassing op aangelegenheden die verband houden met de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Onderhoudsverplichtingen

Krachtens de huwelijksvermogenswet (wet 232/1991), zoals gewijzigd, geldt het onderstaande.

Als de echtgenoten niet meer samenwonen, kan de rechter op verzoek van een echtgenoot de andere echtgenoot verplichten om aan de verzoekende echtgenoot alimentatie te betalen.

De onderhoudsverplichtingen tussen ex-echtgenoten zijn van toepassing wanneer een van hen niet in staat is om uit eigen inkomen of vermogen in zijn eigen onderhoud te voorzien en:

a) indien zijn leeftijd of gezondheidstoestand op het moment dat de echtscheiding definitief wordt of bij het verstrijken van de hieronder vermelde termijnen zodanig is dat hij geen beroep kan uitoefenen of voortzetten waarmee hij in zijn eigen onderhoud kan voorzien;

b) indien hij de zorg heeft voor een minderjarig of meerderjarig kind of een andere persoon ten laste die als gevolg van een lichamelijke of geestelijke handicap niet in staat is voor zichzelf te zorgen, waardoor de persoon die alimentatie vraagt geen passende baan kan vinden;

c) hij geen vaste en passende baan kan vinden of een beroepsopleiding nodig heeft gedurende ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de echtscheiding definitief is geworden;

d) in alle andere gevallen waarin de toekenning van alimentatie op het moment dat de echtscheiding definitief wordt, om billijkheidsredenen noodzakelijk is.

Alimentatie kan om belangrijke redenen worden geweigerd of beperkt, met name als het huwelijk van korte duur was of als de echtgenoot die recht zou kunnen hebben op alimentatie de echtscheiding of beëindiging van de samenwoning aan zichzelf heeft te wijten of zijn eigen armoede heeft veroorzaakt.

Daarnaast moet het recht op alimentatie vervallen of moet het bevel tot betaling van alimentatie dienovereenkomstig worden gewijzigd wanneer de omstandigheden dat vereisen.

Onderhoudsverplichtingen voor een minderjarig kind

Krachtens de wet op de relatie tussen ouders en kinderen (wet 216/90) rusten de onderhoudsverplichtingen voor een minderjarig kind gezamenlijk op de ouders, waarbij wordt gekeken naar hun financiële middelen. Deze ouderlijke plicht kan zelfs nadat het kind de volwassen leeftijd heeft bereikt, worden gehandhaafd op grond van een beslissing en een gerechtelijke regeling indien dat door uitzonderlijke omstandigheden is gerechtvaardigd (bijvoorbeeld als het kind wilsonbekwaam is, gehandicapt is, in dienst is bij de nationale garde of les volgt in een onderwijsinstelling of een school voor beroepsonderwijs).

Ook een minderjarig kind dat over een vermogen beschikt, heeft recht op alimentatie van zijn ouders.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

De algemene regel van artikel 13 van wet 232/1991 geldt: het huwelijk doet geen afbreuk aan de autonomie van de echtgenoten met betrekking tot het vermogen. Krachtens artikel 14 van wet 232/1991 mag een echtgenoot in geval van ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk echter aanspraak maken op het vermogen van de andere echtgenoot, mits de echtgenoot die de vordering heeft ingesteld op enigerlei wijze heeft bijgedragen tot de toename van het vermogen van de andere echtgenoot. Degene die de vordering instelt, kan de rechter verzoeken dat het gedeelte van de toename dat het resultaat is van zijn bijdrage, aan hem wordt betaald.

De bijdrage van een echtgenoot aan de toename van het vermogen van de andere echtgenoot wordt geacht gelijk te zijn aan een derde van de toename, tenzij een kleinere of grotere bijdrage wordt bewezen.

De toename van het vermogen van de echtgenoten omvat niet hetgeen zij op grond van een schenking, erfenis, legaat of andere donatie hebben verkregen.

3.7 Erfrecht

Erfopvolging en alle zaken die verband houden met erfenissen, met uitzondering van het formulier dat wordt gebruikt om een testament op te stellen en te herroepen, worden geregeld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 650/2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

Overeenkomstig artikel 22 van bovengenoemde verordening kan een persoon als het recht dat zijn erfopvolging beheerst, het recht kiezen van de staat waarvan hij op het moment van de rechtskeuze of bij overlijden de nationaliteit bezit. De rechtskeuze gebeurt door een expliciete verklaring.

Als er een testament bestaat, is het Haags Verdrag van 5 oktober 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen van toepassing. Overeenkomstig artikel 1 van dat verdrag is een testamentaire beschikking naar vorm geldig indien de vorm ervan in overeenstemming is met het interne recht:

a) van de plaats waar de erflater zijn testamentaire beschikking heeft gemaakt, of

b) van de staat waarvan de erflater de nationaliteit bezat op het moment dat hij zijn testamentaire beschikking maakte of op het moment van zijn overlijden, of

c) van de plaats waar de erflater zijn woonplaats of gewone verblijfplaats had op het moment dat hij zijn testamentaire beschikking maakte of op het moment van zijn overlijden, of

d) voor zover het om onroerende goederen gaat, van de plaats waar deze zich bevinden.

3.8 Goederenrecht

Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I), waarin is bepaald dat een overeenkomst wordt beheerst door het door de partijen gekozen recht, is van toepassing op relaties die verplichtingen scheppen die verband houden met onroerende goederen. Bij gebreke van een rechtskeuze is artikel 4 van de verordening van toepassing, waarin voor elk geval uitdrukkelijk wordt aangegeven welk recht van toepassing is.

Wat overeenkomsten inzake zakelijke rechten betreft, past de rechter overeenkomstig de jurisprudentie van de rechtbanken van Cyprus het recht toe van het land waar het onroerend goed is gelegen (lex situs).

3.9 Insolventie

Het toepasselijke recht wordt bepaald conform Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures. Het is het recht van de staat op het grondgebied waarvan een dergelijke procedure wordt gestart.

Laatste update: 18/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Luxemburg

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Luxemburg kent geen wetboek van internationaal privaatrecht. De bepalingen met betrekking tot conflictregels in het nationale recht zijn verspreid over verschillende wetboeken en speciale wetten. Deze materie wordt voornamelijk geregeld in internationale multilaterale verdragen en in secundaire wetgeving van de Europese Unie.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Een aanzienlijk aantal conflictregels vloeit voort uit internationale multilaterale verdragen waarbij Luxemburg partij is. Het merendeel van deze verdragen is opgesteld in het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.

Een lijst van deze verdragen is te vinden op de website van de De link wordt in een nieuw venster geopend.Haagse Conferentie.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Bepaalde bilaterale verdragen bevatten conflictregels. Raadpleeg voor nadere gegevens de website De link wordt in een nieuw venster geopend.Legilux.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Op het gebied van de staat van personen past de rechter de conflictregels ambtshalve toe. Dit is niet het geval wanneer er sprake is van een vrije rechtskeuze, zoals bij contractuele kwesties, omdat de partijen dan vrij kunnen kiezen welk recht van toepassing is. Hier past de rechter de conflictregels uitsluitend ambtshalve toe als de wet duidelijk is ontdoken.

De rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, past automatisch zijn nationale recht toe als de partijen niet om toepassing van een buitenlands recht hebben verzocht.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

In Luxemburg staat de jurisprudentie renvoi (herverwijzing of verderverwijzing) tot op zekere hoogte toe in zaken die niet zijn geregeld in internationale verdragen of Europese verordeningen waarin dit uitdrukkelijk is uitgesloten. Als het renvoi dat voortvloeit uit de toepassing van de conflictregels het nationale recht van de aangezochte rechter aanwijst, wordt het toegestaan, maar eindigt het daar. Het wordt beschouwd als verderverwijzing naar het materiële recht van die rechter.

Renvoi is uitgesloten in zaken waarin de partijen vrij kunnen kiezen welk recht van toepassing is.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Van wijziging van aanknopingspunt of conflit mobile is sprake wanneer een situatie achtereenvolgens aan twee verschillende rechtsstelsels wordt onderworpen als gevolg van een wijziging van het aanknopingspunt dat aangeeft welk recht van toepassing is. Conflit mobile wordt gedefinieerd als een rechtsconflict in de tijd dat wordt veroorzaakt door de verplaatsing in de ruimte van het aanknopingspunt.

In Luxemburg wordt het nieuwe recht toegepast op de toekomstige gevolgen van een situatie die in het verleden is ontstaan maar doorwerkt in het heden. Het nieuwe, door de conflictregels aangewezen recht is echter ook van toepassing wanneer wijzigingen worden aangebracht in een situatie die onder het oude, als toepasselijk aangemerkte recht is ontstaan.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Er bestaan gevallen waarin de aangezochte rechter zijn eigen nationale recht moet toepassen terwijl volgens de conflictregels een ander recht van toepassing is, namelijk:

  • als het niet mogelijk is het buitenlandse recht vast te stellen;
  • in geval van staatlozen;
  • als het buitenlandse recht geen oplossing biedt;
  • in geval van spoedeisende voorlopige voorzieningen;
  • als het buitenlandse recht strijdig is met de openbare orde van de staat van de aangezochte rechter.

Wanneer bepalingen onmiddellijk van toepassing zijn, past de rechter het recht van de staat waar de zaak aanhangig is gemaakt ook toe voor:

  • procesrecht en wetten inzake de rechterlijke organisatie;
  • wettelijke bepalingen ter bescherming van werknemers en betreffende huurovereenkomsten;
  • rechtsbescherming van consumenten.
  • Indien de partijen toepassing van het recht van de aangezochte rechter met een duidelijk frauduleus doel terzijde hebben geschoven ten gunste van een buitenlands recht dat op kunstmatige wijze toepasselijk is verklaard, moet de rechter weigeren dit recht toe te passen en alsnog zijn eigen nationale recht toepassen.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Daar de inhoud van het buitenlandse recht in Luxemburg een feit vormt dat de Luxemburgse rechter in aanmerking moet nemen, moet degene die zich erop beroept in principe het bewijs ervan leveren. Het is dus aan de partijen en meer bepaald aan de partij waarvan de vordering aan het buitenlandse recht is onderworpen om het bewijs van de inhoud van dat recht te leveren.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

In principe worden contractuele verbintenissen beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen, mits de bepalingen van dwingend recht inzake openbare orde en wetsontduiking worden nageleefd.

Indien de partijen geen keuze hebben gemaakt, zijn de bepalingen van het Verdrag van Rome van 1980 en van Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 van toepassing. In dit laatste geval past de rechter het objectief meest passende recht toe.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

In principe worden buitencontractuele verbintenissen beheerst door het recht van de plaats waar de schade of verbintenis ontstaat, tenzij een ander recht nauwer bij de feiten aanknoopt of een internationaal verdrag van toepassing is.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

In principe wordt de burgerlijke staat beheerst door het nationale recht van de natuurlijke persoon, behalve wanneer situatiespecifieke criteria van toepassing zijn, zoals de gewone verblijfplaats van de betrokkenen en met name die van de betrokken kinderen. Dit geldt ook voor de vorming, de samenstelling en de voorwaarden voor verandering van de naam, aangezien die deel uitmaakt van de staat van personen.

De algemene bekwaamheid om een rechtshandeling te verrichten en de bekwaamheid om in rechte op te treden, worden beheerst door het nationale recht van de betrokkene. De procesbevoegdheid wordt echter beheerst door het op dat gebied toepasselijke recht, aangezien deze kwestie betrekking heeft op het materiële recht. Voor overeenkomsten wordt deze regel afgezwakt wanneer de medecontractant te goeder trouw is maar onbekwaamheid wordt aangevoerd op gronden die in het land waar de handeling is verricht niet bekend zijn. Het nationale recht moet dan wijken voor het recht van de plaats van uitvoering.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Op het gebied van wettige afstamming is in Luxemburg in principe het recht dat het huwelijk beheerst van toepassing, dat wil zeggen het gemeenschappelijke nationale recht van de ouders, en anders het recht van de gemeenschappelijke woonplaats, en anders het recht van de staat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.

Alles wat verband houdt met het vaststellen van de natuurlijke afstamming wordt in principe beheerst door het nationale recht van het kind.

Het nationale recht van het kind is van toepassing op de aard van het bewijsmateriaal dat nodig is om de afstamming vast te stellen, de materiële voorwaarden van de erkenning, de termijn voor het indienen van een bezwaar tegen de afstamming en het verlies van rechten in dat verband, en de verweermiddelen tegen een dergelijk bezwaar.

3.4.2 Adoptie

- Adoptievoorwaarden

Overeenkomstig artikel 370 van het burgerlijk wetboek (Code civil) worden de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om te kunnen adopteren in principe beheerst door het nationale recht van de adoptant(en). Als de twee adopterende echtgenoten een verschillende nationaliteit hebben, is het recht van de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats op het moment van het verzoek van toepassing. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om te worden geadopteerd, worden daarentegen in principe beheerst door het nationale recht van de geadopteerde. Er geldt een uitzondering op dit beginsel als de geadopteerde door de adoptie de nationaliteit van de adoptant verwerft. In dat geval worden de voorwaarden beheerst door het nationale recht van de adoptant.

- Gevolgen van de adoptie

Het nationale recht van de adoptant(en) is van toepassing op de gevolgen van de adoptie. Als de twee adopterende echtgenoten een verschillende nationaliteit hebben of staatloos zijn, of als een van de twee echtgenoten staatloos is, is het recht van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats op het moment dat de adoptie van kracht wordt van toepassing.

In het geval van adopties in het buitenland kan er sprake zijn van een conflict tussen de bevoegdheidsregels van het nationale recht van de adoptant en die van het nationale recht van de geadopteerde. De adoptie wordt dan geacht rechtsgeldig te zijn als zij volgens de regels van het recht van het land waar zij heeft plaatsgevonden en voor de in datzelfde recht aangewezen bevoegde autoriteiten is uitgevoerd.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

- Geldigheidsvereisten voor het huwelijk

De vormvereisten worden in principe beheerst door het recht van de plaats waar het huwelijk wordt gesloten.

Volgens het Verdrag van 's -Gravenhage van 14 maart 1978 inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken is een huwelijk alleen geldig als aan de materiële voorwaarden van het nationale recht van beide echtgenoten wordt voldaan. Het nationale recht is het recht dat wordt aangewezen door de conflictregels van de staat waarin het huwelijk wordt gesloten. Indien ten minste een van de echtgenoten de nationaliteit heeft van deze staat of er gewoonlijk verblijft, moeten ook de materiële voorwaarden van het recht van die staat worden nageleefd. Het recht dat de geldigheidsvereisten voor het huwelijk beheerst, is eveneens van toepassing op de materiële voorwaarden van de vordering tot nietigverklaring van een huwelijk.

Voor huwelijken die in het buitenland zijn gesloten, geldt een vermoeden van geldigheid indien de huwelijksakte wordt overgelegd en deze is opgesteld conform de vormvereisten van het recht van de plaats waar het huwelijk is gesloten. De erkenning kan worden geweigerd als het in het buitenland gesloten huwelijk duidelijk in strijd is met de nationale openbare orde van Luxemburg.

- Gevolgen van het huwelijk

Als er geen gemeenschappelijke nationaliteit is, worden de gevolgen in Luxemburg in principe beheerst door het recht van de gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten, dat wil zeggen de plaats waar het paar daadwerkelijk verblijft.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Voor ongehuwd samenwonen gelden geen conflictregels, aangezien relaties tussen ongehuwde paren in het Luxemburgse recht als een de-factosituatie worden aangemerkt.

Het recht dat van toepassing is op partnerschappen die in Luxemburg zijn gesloten, is het recht van de staat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.

Partners die hun partnerschap in het buitenland hebben geregistreerd, kunnen dat partnerschap in het register van de burgerlijke stand laten inschrijven, op voorwaarde dat beide partners op de datum waarop het partnerschap in het buitenland werd gesloten, voldeden aan de voorwaarden van artikel 4. Zodra het in het buitenland gesloten partnerschap in Luxemburg is erkend, gelden hiervoor dezelfde gunstige voorwaarden als voor Luxemburgse partnerschappen.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Echtscheiding en scheiding van tafel en bed worden beheerst door het nationale recht van de echtgenoten als zij dezelfde nationaliteit hebben. Als dit niet zo is, is het recht van hun daadwerkelijke gemeenschappelijke woonplaats van toepassing. Ontbreekt ook een gemeenschappelijke woonplaats, dan is het recht van de staat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt het toepasselijke recht.

Deze regels zijn eveneens van toepassing op de toelaatbaarheid van de echtscheiding in het algemeen, op de oorzaken ervan, op de gevolgen ervan en op bijkomende maatregelen.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Volgens artikel 15 van Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad betreffende onderhoudsverplichtingen wordt het op dit gebied toepasselijke recht bepaald overeenkomstig het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. In principe is het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde gewoonlijk verblijft van toepassing, maar de partijen kunnen overeenkomen om voor een reeds aangespannen procedure het recht van de staat waar de zaak aanhangig is gemaakt of een van de volgende rechtsstelsels aan te wijzen:

a) het recht van een staat waarvan een van de partijen op het tijdstip van de aanwijzing de nationaliteit bezit;

b) het recht van de staat waar een van de partijen op het tijdstip van de aanwijzing haar gewone verblijfplaats heeft;

c) het recht dat door de partijen als toepasselijk op hun vermogensregime is aangewezen, of het recht dat daadwerkelijk daarop is toegepast;

d) het recht dat door de partijen als toepasselijk op hun echtscheiding of scheiding van tafel en beid is aangewezen, of het recht dat daadwerkelijk daarop is toegepast.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het nationale recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen.

Als de echtgenoten ten tijde van de sluiting van het huwelijk geen keuze hebben gemaakt, wordt het toepasselijke recht bepaald overeenkomstig het Verdrag van 's-Gravenhage van 14 maart 1978 inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken.

Krachtens dat verdrag kunnen de echtgenoten slechts een van de volgende rechtsstelsels aanwijzen:

1. het recht van een staat waarvan een van de echtgenoten de nationaliteit bezit op het tijdstip van die aanwijzing;

2. het recht van de staat op het grondgebied waarvan een van de echtgenoten zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip van die aanwijzing;

3. het recht van de eerste staat op het grondgebied waarvan een van de echtgenoten na het huwelijk een nieuwe gewone verblijfplaats vestigt.

Het aldus aangewezen recht is van toepassing op het gehele vermogen van de echtgenoten.

De echtgenoten kunnen echter, ongeacht of zij tot de in de voorgaande alinea bedoelde aanwijzing zijn overgegaan, met betrekking tot het geheel of een gedeelte van de onroerende goederen het recht aanwijzen van de plaats waar die goederen zijn gelegen. Zij kunnen eveneens bepalen dat op onroerende goederen die later worden verkregen, het recht van de plaats waar die goederen zijn gelegen van toepassing zal zijn.

Indien de partijen geen keuze maken, zal de rechter moeten onderzoeken wat hun stilzwijgende keuze was. Er geldt dan een vermoeden dat het nationale recht van de staat op het grondgebied waarvan zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen, van toepassing is.

Het huwelijksvermogensregime wordt evenwel overeenkomstig het Verdrag van 's‑Gravenhage van 14 maart 1978 beheerst door het nationale recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten:

1. indien door die staat de in artikel 5 van dat verdrag bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten;
2. indien die staat geen partij is bij het verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen:

a) in een staat die de in artikel 5 van het verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd, of

b) in een staat die geen partij is bij het verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft;

3. indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde staat vestigen.

Bij gebreke van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van dezelfde staat en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden.

Het is mogelijk om vrijwillig het toepasselijke recht te wijzigen voor zover dit krachtens het nieuwe gekozen recht is toegestaan.

3.7 Erfrecht

Verordening (EU) nr. 650/2012 van 4 juli 2012 is van toepassing op de erfopvolging van op of na 17 augustus 2015 overleden personen. In artikel 21 van deze verordening is bepaald dat op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing is waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn of haar gewone verblijfplaats had.

Op de erfopvolging van personen die vóór 17 augustus 2015 zijn overleden, blijven de Luxemburgse conflictregels van toepassing.

- Erfopvolging bij versterf

In Luxemburg wordt de nalatenschap verdeeld in roerend goed en een of meer onroerende goederen. Om te bepalen of een goed roerend of onroerend is, moet het recht van de aangezochte rechter worden toegepast.

De roerende nalatenschap wordt in principe beheerst door het recht van de laatste woonplaats van de overledene op de dag van zijn of haar overlijden. De woonplaats moet worden vastgesteld volgens de regels van het burgerlijk wetboek.

De onroerende nalatenschap wordt beheerst door het recht van de staat waarin de onroerende goederen zijn gelegen.

- Erfopvolging bij testament

In principe is de persoonlijke staat bepalend voor de algemene bekwaamheid tot het opstellen van een testament. De specifieke gevallen van onbekwaamheid vallen echter onder het erfrecht. De algemene bekwaamheid om bevoordeling uit vrijgevigheid (schenkingen) te ontvangen valt onder het personenrecht.

3.8 Goederenrecht

Overeenkomstig artikel 3 van het burgerlijk wetboek wordt eigendom van onroerend goed beheerst door het recht van de staat waarin het goed is gelegen. Dit geldt ook voor de inhoud van met het goed samenhangende zakelijke rechten, het ontstaan en de overdracht daarvan en de verwerving ervan door bezit (usucapio of verkrijgende verjaring).

3.9 Insolventie

Deze materie valt buiten de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 1346/2000 en Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures. Van toepassing is het recht van de plaats waar dergelijke procedures worden aangespannen.

Dit recht is van toepassing op de gevolgen van alle collectieve procedures die in Luxemburg en in het buitenland worden aangespannen. Voor de bijzondere gevolgen van het faillissement van een van de partijen voor de rechten waarop zijn medecontractant zich kan beroepen, is evenwel het recht van de staat waar het faillissement is uitgesproken van toepassing.

Die rechtsbevoegdheid geldt alleen voor de specifieke gevolgen van het faillissement; zij bestrijkt niet alle aspecten van de onderneming waarop het faillissement betrekking heeft.

Laatste update: 03/05/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Malta

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De nationale wetten zijn geschreven recht. Deze kunnen worden geraadpleegd op de De link wordt in een nieuw venster geopend.website Laws of Malta. Aangezien Malta in 2004 is toegetreden tot de Europese Unie omvat het Maltese recht ook wet- en regelgeving van de Unie die rechtstreeks van toepassing is of is omgezet in Maltese wetten en over het algemeen voorrang heeft op de nationale wetgeving.

Hoewel het beginsel van precedentwerking niet in de Maltese wetgeving is verankerd en in Malta geen dwingende toepassing kent, houden de nationale rechtbanken over het algemeen wel rekening met eerdere rechterlijke uitspraken, met name met de beslissingen van het Gerechtshof en het Constitutioneel Hof (beide hooggerechtshoven in Malta).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

  • Verdrag van 5 oktober 1961 tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten
  • Verdrag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken
  • Verdrag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken
  • Verdrag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen
  • Verdrag van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen
  • Verdrag van 1 juli 1985 inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts
  • Verdrag van 25 januari 1988 inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken
  • Verdrag van 16 januari 1992 inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed
  • Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie
  • Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen
  • Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst
  • Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze
  • Verdrag van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden
  • Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen

Malta heeft ook een aantal verdragen van de Verenigde Naties geratificeerd – de stand van de ratificatie kan De link wordt in een nieuw venster geopend.hier worden geraadpleegd.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Malta is geen partij bij bilaterale verdragen die bepalingen betreffende het toepasselijke recht bevatten.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Conflictregels mogen niet ambtshalve door de rechter worden toegepast; deze regels zijn slechts van toepassing wanneer ten minste een van de procespartijen aanvoert dat er sprake is van een wetsconflict. De partij die een beroep doet op dit middel dient aan de rechtbank voldoende bewijs te verstrekken van de inhoud van het vreemde recht. Bij gebreke van een dergelijk middel of van voldoende bewijs, dienen de nationale rechtbanken uitspraak te doen conform het Maltese recht.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Het standpunt van Malta ten aanzien van de toepassing van de doctrine van renvoi is onduidelijk. Aangezien de gecodificeerde regels over de keuze van het toepasselijke recht beperkt zijn, moeten rechters vaak niet-gecodificeerde regels van internationaal privaatrecht toepassen wanneer zij nagaan welk recht op een bepaald geval van toepassing is. In feite hebben de Maltese rechtbanken zich altijd op het standpunt gesteld dat zij, wanneer er geen rechtsvoorschriften inzake het internationaal privaatrecht voorhanden zijn, de beginselen van het Engelse common law‑systeem moeten toepassen. Bijgevolg nemen de Maltese rechtbanken de Engelse praktijk inzake renvoi over. Als gevolg hiervan wordt renvoi met betrekking tot wettelijke aansprakelijkheid, verzekeringen en contracten afgewezen. Renvoi wordt echter wel toegepast met betrekking tot de geldigheid van testamenten, vorderingen betreffende buitenlandse onroerende zaken en familierechtelijke zaken.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

De oplossing voor deze kwestie is te vinden in elk afzonderlijke regel betreffende de keuze van het toepasselijke recht aangezien daarin is voorgeschreven welk tijdstip bepalend is voor het vaststellen van het aanknopingspunt.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

De Maltese rechtbanken kunnen weigeren vreemd recht toe te passen wanneer dat strijdig is met de nationale openbare orde en wanneer dat recht kan worden aangemerkt als buitenlandse belastingwetgeving of strafwetgeving.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Het middel dat steunt op vreemd recht moet worden aangetoond als feit en niet als recht. De Maltese rechtbanken zijn bevoegd de nationale wetgeving te interpreteren, maar het is hen niet toegestaan de inhoud van het vreemde recht zelf te interpreteren. Om het vreemde recht te kunnen begrijpen, stelt de rechtbank een deskundige aan die gespecialiseerd is in het vreemde rechtstelsel. De procespartijen kunnen als onderdeel van hun bewijsstukken eveneens rapporten van verschillende deskundigen overleggen.

De bewijslast ligt bij de partij die het middel aanvoert.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

In zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst in niet-EU-lidstaten is het Verdrag van Rome van 1980 van toepassing op grond van de wet betreffende het Verdrag van Rome inzake verbintenissen uit overeenkomst (Ratificatie) (hoofdstuk 482 van de Wetten van Malta). Aan de andere kant worden verbintenissen uit overeenkomst in EU-lidstaten beheerst door de Rome I-verordening (Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten).

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

De conflictregels betreffende niet-contractuele verbintenissen worden beheerst door Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening).

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

De Maltese nationaliteit wordt verkregen bij de geboorte wanneer de vader of de moeder Maltees onderdaan is.

Anders dan bij de nationaliteit, kan een persoon, zodra hij meerderjarig wordt, zijn gewone verblijfplaats vrij kiezen. De gewone verblijfplaats wordt toegekend overeenkomstig de plaats waar de betrokken persoon verblijft en conform zijn intentie om voor onbepaalde tijd of permanent in dat rechtsgebied te verblijven.

De bekwaamheid om bijzondere verbintenissen aan te gaan, zoals het sluiten van een huwelijk, het sluiten van een overeenkomst, het starten van een handelsactiviteit, het opmaken van een testament enz., wordt vastgesteld volgens bijzondere regels op dat gebied.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

De verantwoordelijkheid van een ouder jegens zijn kind is geregeld in het Maltees burgerlijk wetboek. Het ouderlijk gezag eindigt echter van rechtswege wanneer het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt. De bevoegdheid van de Maltese rechtbanken wordt bepaald conform Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II bis-verordening). Dit thema is nader uitgewerkt onder de desbetreffende rubriek.

3.4.2 Adoptie

Ook adoptie wordt geregeld in het Maltees burgerlijk wetboek, dat door de nationale rechtbanken wordt toegepast in alle zaken die onder hun bevoegdheid vallen. Buitenlandse adopties worden erkend op grond van de Maltese wet volgens de bepalingen van het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

De formele geldigheid van het huwelijk wordt beheerst door het recht van het land waar het huwelijk is voltrokken. In Malta zijn de vormvereisten van het huwelijk vastgesteld in hoofdstuk 255 van de Wetten van Malta (de De link wordt in een nieuw venster geopend.Huwelijkswet). Deze wet regelt met name de huwelijksbeletselen. Een daarvan is het huwelijk dat tussen twee personen is gesloten, waarbij een van de partijen jonger is dan zestien jaar. Een dergelijk huwelijk zal ongeldig worden verklaard.

In Malta wordt het toepasselijke recht bepaald aan de hand van de woonplaats van de echtgenoten.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Samenlevingsvormen worden geregeld in hoofdstuk 530 van de Maltese wetten (Civil Union Act), dat vervolgens verwijst naar hoofdstuk 255. Dat betekent dat in het geval van geregistreerde partnerschappen moet worden voldaan aan de vormvereisten en voorwaarden als bedoeld in hoofdstuk 255.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Een Maltese rechtbank is alleen bevoegd op het gebied van echtscheidingen conform Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Dit thema is nader uitgewerkt onder de desbetreffende rubriek.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Malta is gebonden aan Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Dit thema is nader uitgewerkt onder de desbetreffende rubriek.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Het toepasselijke recht in Malta is het recht van het land waar de echtelijke woning is gelegen (lex situs). In artikel 1316 van het burgerlijk wetboek is bepaald dat voor ieder huwelijk dat in Malta wordt gesloten de gemeenschap van aanwinsten geldt. Bovendien geldt voor een huwelijk dat buiten Malta is voltrokken en waarbij de echtgenoten zich later in Malta vestigen, dat de gemeenschap van aanwinsten ontstaat zodra zij hun verblijfplaats op het Maltese grondgebied vestigen, tenzij zij in een voorafgaande overeenkomst de toepassing van dit stelsel hebben uitgesloten.

3.7 Erfrecht

Ten aanzien van testamenten en erfopvolging passen de Maltese rechtbanken systematisch de common law toe. Dat betekent dat in het geval van erfopvolging bij versterf (er is geen testament) het recht van de woonplaats van de erflater (de cujus) op het tijdstip van het overlijden van toepassing is op roerende zaken. Onroerende zaken worden beheerst door het recht van het rechtsgebied waarin de betrokken zaken zijn gelegen. In het geval van een testament, wordt de bekwaamheid van een testateur om een testament op te maken bepaald door het recht van zijn woonplaats op de datum van het opmaken van het testament. Een legataris kan roerende zaken in ontvangst nemen indien hij daarvoor bekwaam is krachtens het recht van zijn eigen woonplaats of het recht van de woonplaats van de testateur. Bovendien is een testament formeel geldig wanneer het voldoet aan de voorschriften van een van de volgende rechtsstelsels: het recht van de plaats waar het testament wordt uitgevoerd (over het algemeen het land waar het testament is ondertekend in aanwezigheid van getuigen) op het tijdstip van de uitvoering; het recht van de woonplaats, de gewone verblijfplaats of de nationaliteit van de testateur op het tijdstip van uitvoering van het testament; het recht van de woonplaats, de gewone verblijfplaats of de nationaliteit van de testateur op het tijdstip van het overlijden. Een testament is eveneens formeel geldig voor het overdragen van onroerende zaken wanneer het voldoet aan het recht van het rechtsgebied waarin de zaken zijn gelegen.

3.8 Goederenrecht

3.9 Insolventie

Malta is gebonden aan de gewijzigde Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures. In deze verordening zijn voornamelijk regels vastgelegd voor procedures waarbij de schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verliest en voor de aanwijzing van een curator wanneer het centrum van de belangrijkste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een EU‑lidstaat is gelegen. In gevallen die niet onder Verordening (EG) nr. 1346/2000 vallen, is het Maltese recht van toepassing wanneer de Maltese rechtbank bevoegd is, meer bepaald wanneer de onderneming in Malta is geregistreerd.

Laatste update: 11/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Pools) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.

Welk recht is van toepassing? - Polen

OPMERKING: de onderstaande informatie HEEFT GEEN BETREKKING op feiten waarop de bepalingen van het recht van de Europese Unie van toepassing zijn.

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Wet van 4 februari 2011 inzake internationaal privaatrecht (Dz. U. van 2011, nr. 80, stuk 432, zoals gewijzigd; hierna de "Wet IPR" genoemd).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Verdrag betreffende de curatele en soortgelijke maatregelen van bescherming, ondertekend te ‘s-Gravenhage op 17 juli 1905

Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, ondertekend te ‘s-Gravenhage op 5 oktober 1961

Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, gesloten te ‘s-Gravenhage op 5 oktober 1961

Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, gesloten te ‘s-Gravenhage op 4 mei 1971

Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, gesloten te ‘s‑Gravenhage op 2 oktober 1973

Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980

Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, gesloten te ‘s-Gravenhage op 19 oktober 1996

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Polen heeft met lidstaten, maar ook met andere landen, meerdere bilaterale verdragen gesloten met betrekking tot juridische transacties, waarin eveneens conflictregels staan. Gezien het feit dat de instrumenten die bindend zijn voor de lidstaten van de EU en die conflictregels bevatten voor verschillende gebieden prevaleren boven bilaterale verdragen die tussen de lidstaten zijn gesloten, zijn in principe uitsluitend de verdragen die met andere landen zijn gesloten op dit moment van belang.

Het gaat om verdragen die zijn gesloten met Wit-Rusland (26 oktober 1994), Rusland (16 september 1996), Oekraïne (24 mei 1993), de Democratische Volksrepubliek Korea (28 september 1986), de Republiek Cuba (18 november 1982), de Socialistische Republiek Vietnam (22 maart 1993) en Joegoslavië (6 februari 1960). Dit laatste verdrag is van toepassing op Bosnië en Herzegovina, Montenegro en Servië.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De rechter stelt het conflictenrecht ambtshalve aan de orde en past ambtshalve het buitenlandse recht toe als de conflictregels dit aanwijzen als van toepassing in het specifieke geval.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Conform artikel 5 van de wet IPR kent het Poolse recht uitsluitend renvoi in de eerste graad.

De bepaling in de eerste alinea is niet van toepassing als het toepasselijke recht is aangewezen:

1) door een rechtskeuze;

2)  op basis van de vorm van de rechtshandeling;

3) op basis van verbintenissen uit overeenkomst, niet-contractuele verbintenissen of eenzijdige rechtshandelingen waarvoor het toepasselijke recht wordt bepaald conform deze wet.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

In de artikelen 3 en 10 van de wet IPR staan afwijkingen op de toepassing van het recht dat is vastgesteld krachtens de conflictregels in geval van een bepaalde juridische band.

Als de wet bepaalt dat het nationale recht moet worden toegepast maar het onmogelijk is om de nationaliteit van de betrokkene vast te stellen, hij geen nationaliteit heeft of de inhoud van het nationale recht niet kan worden vastgesteld, wordt conform artikel 3, lid 1, het recht toegepast van de staat waarin de betrokkene woonachtig is. Als hij geen woonplaats heeft, wordt het recht van de gewone verblijfplaats toegepast.

In overeenstemming met artikel 10, lid 1, wordt het recht waarmee de juridische band het nauwst is toegepast als het niet mogelijk is om de omstandigheden vast te stellen die bepalen wat het toepasselijke recht is. Als het niet mogelijk is om binnen een redelijke termijn de inhoud van het buitenlandse recht vast te stellen, is bovendien het Poolse recht van toepassing.

Verder bepaalt artikel 67 van de wet IPR dat als het toepasselijk recht niet kan worden vastgesteld op grond van de wet IPR, bijzondere bepalingen, internationale verdragen die de Republiek Polen heeft geratificeerd en die daar van toepassing zijn of het recht van de Europese Unie, het recht van de staat waarmee de juridische band het nauwst is dient te worden toegepast.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De rechter bepaalt het buitenlandse recht en past dit ambtshalve toe (artikel 1143 van het Poolse wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Conflictregels met betrekking tot deze kwestie in de wet IPR:

Artikel 28: 1. Het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst wordt bepaald conform Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (“Rome I”) (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6). Op verbintenissen uit overeenkomst die uit hoofde van artikel 1, lid 2, onder j), zijn uitgesloten van de werkingssfeer van die verordening, zijn de bepalingen van toepassing van de verordening die wordt bedoeld in lid 1 die overeenkomen met de desbetreffende verbintenis.

Artikel 29: 1. Als het Poolse recht een verzekeringsverplichting kent, wordt de overeenkomst van een dergelijke verzekering beheerst door het Poolse recht.

2. Als het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte een verzekeringsverplichting oplegt krachtens welke het recht van die staat moet worden toegepast op de verzekeringsovereenkomst, dan is dat recht van toepassing.

Artikel 30: 1. Met uitzondering van de gevallen die zijn bepaald in de in artikel 28 genoemde verordening, kan de keuze voor het recht van een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte voor een overeenkomst die nauw verbonden is met het grondgebied van ten minste één lidstaat niet tot gevolg hebben dat de consument de bescherming wordt ontzegd die hem is toegekend door de bepalingen van het Poolse recht dat de volgende richtlijnen omzet:

1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29, bijzondere uitgave in het Pools: hoofdstuk 15, deel 2, blz. 288);

2) (ingetrokken);

3) Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171 van 7.7.1999, blz. 12, bijzondere uitgave in het Pools: hoofdstuk 15, deel 4, blz. 223);

4) Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16, bijzondere uitgave in het Pools: hoofdstuk 6, deel 4, blz. 321);

5) Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66) en de wijzigingen hiervan.

2. Als het recht dat van toepassing is op een overeenkomst die onder de werkingssfeer valt van Richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PB L 33 van 3.2.2009, blz. 10) het recht is van een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte, dan kan de consument niet de bescherming worden ontzegd die hem is toegekend door de bepalingen van het Poolse recht dat de genoemde richtlijn omzet:

1) als een van de onroerende zaken zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, of

2) ingeval de overeenkomst niet direct verband houdt met een onroerende zaak, als de ondernemer zijn economische of professionele activiteit uitoefent in een lidstaat of deze op enige wijze bestemd is voor een lidstaat en de overeenkomst betrekking heeft op deze activiteit.

Artikel 31: Verplichtingen die voortvloeien uit een verhandelbaar instrument anders dan een wissel of een cheque zijn onderworpen aan het recht van de staat waarin het verhandelbare instrument is uitgevoerd of uitgegeven.

Artikel 32: 1. Verplichtingen die voortvloeien uit een eenzijdige rechtshandeling zijn onderworpen aan het recht dat is gekozen door de persoon die deze rechtshandeling heeft verricht. Vanaf het moment dat de twee partijen bij een dergelijke verplichting zijn geïndividualiseerd, is voor de rechtskeuze, de wijziging van deze keuze of de afwijking hiervan overeenstemming tussen de twee partijen vereist.

2. Als er geen recht gekozen is, zijn verplichtingen die voortvloeien uit een eenzijdige rechtshandeling onderworpen aan het recht van de staat waar de persoon die de rechtshandeling heeft verricht zijn gewone verblijfplaats of zetel heeft. Als de omstandigheden van het specifieke geval erop wijzen dat de verplichting nauwer verbonden is met het recht van een andere staat, dan is het recht van die staat van toepassing.

Artikel 36 bepaalt dat het recht dat van toepassing is op een overgedragen vordering de gevolgen van de overdracht jegens derden beheerst.

Artikel 37 Voor schuldovernames geldt het recht van de staat waaronder de overgenomen schuld valt.

Artikel 38 De gevolgen van de wijziging van de waarde van een munteenheid worden beoordeeld volgens het recht dat van toepassing is op de verplichting.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Conflictregels met betrekking tot deze kwestie in de wet IPR:

Artikel 33 Het recht dat van toepassing is op verplichtingen die voortvloeien uit een ander feit dan een rechtshandeling wordt bepaald conform Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (“Rome II”) (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40).

Artikel 34 Het recht dat van toepassing is op niet-contractuele aansprakelijkheid die voortkomt uit verkeersongevallen wordt bepaald conform het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen, gesloten te 's-Gravenhage op 4 mei 1971 (Dz. U. van 2003, nr. 63, stuk 585).

Artikel 35 De aansprakelijkheid voor handelingen of omissies van organen die gezag uitoefenen in een bepaalde staat is onderworpen aan het recht van die staat.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Conflictregels met betrekking tot de persoonlijke status van een natuurlijke persoon:

De rechts- en handelingsbekwaamheid van een natuurlijke persoon worden beheerst door het recht van de staat waarvan de persoon de nationaliteit heeft (artikel 11, lid 1).

2. Als de natuurlijke persoon een rechtshandeling verricht in het kader van de onderneming die hij exploiteert, volstaat het dat hij bevoegd is om deze handeling te verrichten volgens het recht van de staat waarin de onderneming wordt geëxploiteerd.

3. Het eerste lid sluit de toepassing van het recht dat een rechtshandeling beheerst niet uit als dit recht bijzondere voorwaarden bevat op het gebied van de bevoegdheid om deze rechtshandeling te verrichten.

Artikel 12 bepaalt dat als een overeenkomst is gesloten door personen die zich in dezelfde staat bevinden, een natuurlijke persoon die uit hoofde van het recht van die staat bevoegd is om de overeenkomst te sluiten zich uitsluitend kan beroepen op onbevoegdheid die voortkomt uit het recht dat is bepaald uit hoofde van de bepaling die wordt vermeld in het eerste lid van artikel 11, als de andere partij zich op het moment dat de overeenkomst is gesloten bewust was van deze onbevoegdheid of hiervan niet in kennis was als gevolg van haar eigen nalatigheid.

2. Een natuurlijke persoon die een eenzijdige rechtshandeling verricht en bevoegd is om dit te doen gezien het recht van de staat waarin deze rechtshandeling wordt verricht, kan zich uitsluitend beroepen op onbevoegdheid die voortkomt uit het recht dat is bepaald uit hoofde van de bepaling die wordt vermeld in het eerste lid van artikel 11 als dit niet nadelig is voor personen die met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld hebben met het idee dat de persoon die de desbetreffende rechtshandeling heeft verricht bevoegd was om dit te doen.

3. Als de natuurlijke persoon handelt via een vertegenwoordiger, wordt de toepasselijkheid van de leden 1 en 2 bepaald aan de hand van de omstandigheden met betrekking tot die vertegenwoordiger

4. De bepalingen van de leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op rechtshandelingen op het gebied van familierecht, voogdij en erfopvolging, noch op regelingen die betrekking hebben op onroerende zaken die zich in een andere staat bevinden dan de staat waarin de handelingen zijn verricht.

Artikel 13: 1. De ontzegging van rechtsbekwaamheid wordt beheerst door het nationale recht van de desbetreffende natuurlijke persoon. Als een Poolse rechter een dergelijke ontzegging dient uit te spreken jegens een buitenlander, is het Poolse recht van toepassing.

Het eerste lid van artikel 14 bepaalt dat het vermoeden of de vaststelling van het overlijden van een natuurlijke persoon wordt beheerst door het nationale recht van deze persoon. Als een Poolse rechter dient te beslissen over een dergelijk vermoeden of een dergelijke verklaring van overlijden, is het Poolse recht van toepassing.

Conform artikel 16, lid 1, worden de persoonlijkheidsrechten van een natuurlijke persoon beheerst door het nationale recht van de desbetreffende natuurlijke persoon.

Een natuurlijke persoon van wie een persoonlijkheidsrecht wordt bedreigd of is aangetast, kan ofwel uit hoofde van het recht van de staat waar het feit heeft plaatsgevonden dat deze dreiging of aantasting heeft veroorzaakt ofwel uit hoofde van het recht van de staat waar de gevolgen van de aantasting zich hebben voorgedaan om bescherming vragen.

Als een persoonlijkheidsrecht van een natuurlijke persoon is aangetast met gebruik van massacommunicatiemiddelen, dan bepaalt het recht van de staat waar de uitgever of de omroeporganisatie zijn zetel of gewone verblijfplaats heeft het recht op een reactie of rectificatie of een andere soortgelijke beschermingsmaatregel.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Conflictregels die van toepassing zijn op de relaties tussen ouders en kinderen (wet IPR):

De vaststelling van en het bezwaar tegen vaderschap of moederschap worden beheerst door het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft op het moment van zijn geboorte (artikel 55, lid 1). Als het recht van de staat waarvan het kind op het moment van zijn geboorte de nationaliteit heeft geen gerechtelijke vaststelling van vaderschap kent, dan wordt deze beheerst door het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft op het moment dat de verwantschap wordt vastgesteld. De erkenning van een kind wordt beheerst door het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft op het moment van die erkenning. Als dit recht geen erkenning van het kind kent, dan is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft op het moment van zijn geboorte van toepassing, als dit erkenning kent. De erkenning van een verwekt, ongeboren kind wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit heeft op het moment van de erkenning.

Overeenkomstig artikel 56, lid 1, van de wet IPR wordt het recht dat van toepassing is op het ouderlijk gezag en het contact met het kind bepaald conform het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, dat op 19 oktober 1996 is gesloten te ‘s-Gravenhage (PB L 151 van 11.6.2008, blz. 39; Dz. U. van 2010, nr. 172, stuk 1158).

In geval van de verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind naar een staat die geen partij is bij het verdrag dat wordt vermeld in lid 1, bepaalt het recht van deze staat vanaf het moment dat deze verandering heeft plaatsgevonden de voorwaarden die van toepassing zijn op de maatregelen die worden getroffen in de staat van de oude gewone verblijfplaats van het kind.

Het recht dat van toepassing is op voogdij en curatele van het kind wordt bepaald conform het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, gesloten te ‘s-Gravenhage op 19 oktober 1996 (artikel 59 van de wet IPR).

In geval van de verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind naar een staat die geen partij is bij het verdrag dat wordt vermeld in lid 1, bepaalt het recht van deze staat vanaf het moment dat deze verandering heeft plaatsgevonden de voorwaarden die van toepassing zijn op de maatregelen die worden getroffen in de staat van de oude gewone verblijfplaats van het kind.

3.4.2 Adoptie

Overeenkomstig artikel 57 van de wet IPR wordt adoptie beheerst door het nationale recht van de adoptant.

Gezamenlijke adoptie door de echtgenoten wordt beheerst door hun gemeenschappelijke nationale recht. Bij gebreke van een gemeenschappelijk nationaal recht, is het recht van toepassing van de staat waarin beide echtgenoten woonachtig zijn of, bij gebreke van een woonplaats in dezelfde staat, het recht van de staat waarin beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben. Als de echtgenoten hun gewone verblijfplaats niet in dezelfde staat hebben, is het recht van de staat waarmee ze op enigerlei wijze de nauwste band hebben van toepassing.

Artikel 58 van de wet IPR bepaalt dat er geen adoptie kan plaatsvinden zonder toepassing van de bepalingen van het nationale recht van de geadopteerde met betrekking tot de instemming van laatstgenoemde, de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger en de toestemming van de bevoegde nationale autoriteiten, en evenmin als de beperkingen voor adoptie niet worden nageleefd die voortvloeien uit de verplaatsing van de woonplaats van de geadopteerde naar een andere staat.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

De materiële voorwaarden van het huwelijk worden voor elk van de partijen beheerst door het recht van de staat waarvan zij de nationaliteit hebben op het moment dat het huwelijk wordt gesloten (artikel 48 van de wet IPR).

Conform artikel 49, lid 1, worden de vormvereisten van het huwelijk beheerst door het recht van de staat waar het huwelijk is gesloten. Als het huwelijk buiten de Republiek Polen wordt gesloten, volstaat het dat de vorm van de sluiting voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in ofwel het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten, ofwel het recht van de staat waar beide echtgenoten hun woonplaats of gewone verblijfplaats hebben op het moment dat het huwelijk wordt gesloten.

Artikel 50 van de wet IPR bepaalt dat de gevolgen van het niet-naleven van de materiële voorwaarden of vormvereisten van het huwelijk op soortgelijke wijze zijn onderworpen aan het recht dat wordt bedoeld in de artikelen 48 en 49.

De persoonlijke en vermogensrechtelijke relaties tussen echtgenoten worden beheerst door het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten (artikel 51, lid 1). Bij gebreke van een gemeenschappelijk nationaal recht, is het recht van toepassing van de staat waarin beide echtgenoten woonachtig zijn of, bij gebreke van een woonplaats in dezelfde staat, het recht van de staat waarin beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben. Als de echtgenoten hun gewone verblijfplaats niet in dezelfde staat hebben, is het recht van de staat waarmee ze op enigerlei wijze de nauwste band hebben van toepassing.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Niet van toepassing.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Overeenkomstig artikel 54 van de wet IPR wordt de ontbinding van het huwelijk beheerst door het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten ten tijde van de indiening van het verzoek. Bij gebreke van een gemeenschappelijk nationaal recht, is het recht van de staat waarin beide echtgenoten woonachtig zijn op het moment van de invoering van het verzoek tot ontbinding van het huwelijk of, als de echtgenoten op dat moment geen gemeenschappelijke woonplaats hebben, het recht van de staat waarin beide echtgenoten hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden van toepassing, op voorwaarde dat een van beide zich hier nog altijd bevindt. Bij gebreke van voorwaarden waarmee het toepasselijk recht kan worden vastgesteld, wordt de ontbinding van het huwelijk beheerst door het Poolse recht.

De bovenstaande bepalingen zijn mutatis mutandis van toepassing op de scheiding van tafel en bed.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Artikel 63 bepaalt dat het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen wordt bepaald conform Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1).

3.6 Huwelijksvermogensrecht

De persoonlijke en vermogensrechtelijke relaties tussen echtgenoten worden beheerst door het gemeenschappelijke nationale recht van de echtgenoten (artikel 51, lid 1 van de wet IPR). Bij gebreke van een gemeenschappelijk nationaal recht, is het recht van toepassing van de staat waarin beide echtgenoten woonachtig zijn of, bij gebreke van een woonplaats in dezelfde staat, het recht van de staat waarin beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben. Als de echtgenoten hun gewone verblijfplaats niet in dezelfde staat hebben, is het recht van de staat waarmee ze op enigerlei wijze de nauwste band hebben van toepassing.

Conform artikel 52, lid 1, van de wet IPR kunnen de echtgenoten hun vermogensrechtelijke relaties onderwerpen aan het recht van de staat waarvan een van hen de nationaliteit heeft of het recht van de staat waarin een van hen zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Deze keuze kan eveneens voorafgaand aan de sluiting van het huwelijk worden gemaakt.

De huwelijkse voorwaarden worden beheerst door het recht dat de echtgenoten hebben gekozen overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. Als er geen recht is gekozen, zijn de huwelijkse voorwaarden onderworpen aan het recht dat van toepassing is op de persoonlijke en vermogensrechtelijke relaties tussen echtgenoten op het moment dat de akte wordt ondertekend. Om het recht te kiezen dat van toepassing is op de vermogensrechtelijke relaties tussen de echtgenoten of op de huwelijkse voorwaarden, volstaat het dat wordt voldaan aan de vormvereisten die voor de huwelijkse voorwaarden zijn vastgesteld in het gekozen recht of het recht van de staat waar de keuze is gemaakt.

3.7 Erfrecht

Het recht dat van toepassing is op testamenten en erfopvolging wordt bepaald conform Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 107) en de wijzigingen hiervan.

3.8 Goederenrecht

Overeenkomstig artikel 41, lid 1, van de wet IPR worden eigendom en andere zakelijke rechten beheerst door het recht van de staat waarin de betrokken zaak zich bevindt. Het verkrijgen en verliezen van de eigendom en het verkrijgen, verliezen en wijzigen van de inhoud, of de prioriteit van de andere zakelijke rechten worden beheerst door het recht van de staat waarop het voorwerp van deze rechten zich bevond op het moment dat het feit zich voordeed dat de genoemde rechtsgevolgen met zich meebracht.

3.9 Insolventie

De conflictregels die bepalen welk recht van toepassing is op insolventieprocedures staan in de wet van 28 februari 2003, de wet inzake faillissement (hierna de wet IF genoemd; geconsolideerde tekst, Dz. U. van 2015, stuk 233):

Zoals artikel 460 van de wet IF aangeeft, is het Poolse recht van toepassing op procedures die zijn ingesteld in de Republiek Polen, behoudens als het onderhavige hoofdstuk anders bepaalt.

Conform artikel 461 van de wet IF worden de arbeidsrelaties van personen die in dienst zijn op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een lidstaat van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, beheerst door het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst.

Of een zaak een onroerende zaak is, dient te worden vastgesteld volgens het recht van de plaats waar de zaak zich bevindt.

Overeenkomsten betreffende de exploitatie of verkrijging van een onroerende zaak op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een EVA-lidstaat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, worden beheerst door het recht van de staat waar de zaak zich bevindt.

Rechten met betrekking tot een onroerende zaak die zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een EVA-lidstaat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of een in een register ingeschreven schip of vliegtuig, worden beheerst door het recht van de staat waar het betrokken register wordt gehouden.

De insolventieverklaring doet geen afbreuk aan de rechten van schuldeisers en derden die de activa van de schuldenaar bezwaren en zich bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een EVA-lidstaat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, met inbegrip van het georganiseerde deel van deze activa, noch aan het recht om over activa te beschikken om vorderingen te betalen, noch aan het recht om vorderingen te betalen met behulp van de opbrengst van deze activa, noch aan het pand- en hypotheekrecht, noch aan het recht om te verzoeken om de teruggave van zaken van personen die deze zonder recht bezitten, noch aan het recht om de opbrengst van deze activa te ontvangen (artikel 462 van de wet IF). De bovenstaande bepalingen zijn van toepassing op de persoonlijke rechten en aanspraken die zijn ingeschreven in het kadaster en in andere openbare registers en waarvan de tenuitvoerlegging de bovenstaande rechten doet ontstaan.

Conform artikel 463, lid 1, van de wet IF wordt het in een verkoopovereenkomst bedongen eigendomsvoorbehoud ten gunste van de verkoper niet beëindigd als gevolg van de insolventieverklaring van een binnenlandse bank die de koper is van de betrokken zaak, mits het voorwerp van de overeenkomst zich op het moment van de insolventieverklaring bevond op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of een EVA-lidstaat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

De insolventieverklaring van een binnenlandse bank die een vermogensbestanddeel heeft verkocht, rechtvaardigt de ontbinding van de verkoopovereenkomst niet als het voorwerp van de verkoop voorafgaand aan de insolventieverklaring is overgedragen en als het voorwerp van de verkoop zich op het moment van de insolventieverklaring in het buitenland bevond.

In overeenstemming met artikel 464 wordt de uitoefening van rechten waarvan het ontstaan, het bestaan of de overdracht de inschrijving in een boek of een register, de inschrijving op een rekening of de deponering in een centraal depot vereist, beheerst door het recht van de staat waarin deze boeken, registers, rekeningen of depots worden gehouden.

Onverminderd artikel 464 wordt het recht op terugkoop, beheerst door het recht van de overeenkomst op grond waarvan dit recht is ontstaan.

Onverminderd artikel 464 worden overeenkomsten die zijn gesloten voor het verrichten van transacties op de effectenmarkt in de zin van de bepalingen van de wet van 29 juli 2005 met betrekking tot het verkeer van effecten, beheerst door het recht inzake verbintenissen uit overeenkomst dat van toepassing is op de transacties die op deze markt worden verricht.

Conform artikel 467 wordt de verrekening beheerst door het recht inzake verbintenissen uit overeenkomst dat van toepassing is op dit type verrekeningsovereenkomsten.

Overeenkomstig artikel 4671 van de wet IF heeft de insolventieverklaring bovendien geen invloed op het recht van een schuldeiser op verrekening als dit mogelijk is uit hoofde van het recht dat van toepassing is op de vordering van de insolvente partij.

De tegenwerpbaarheid en de geldigheid van een na de instelling van de insolventieverklaring verrichte beschikkingshandeling aangaande onroerende zaken, schepen of vliegtuigen die zijn onderworpen aan inschrijving in een register en aangaande een recht waarvan het ontstaan, het bestaan of de overdracht de inschrijving in een boek of een register, de inschrijving op een rekening of de deponering in een centraal depot vereist, worden beheerst door het recht van de staat waarin deze onroerende zaak zich bevindt of waarin deze boeken, registers, rekeningen of depots worden gehouden.

Conform artikel 469 van de wet IF zijn de bepalingen inzake de nietigheid en de niet‑tegenwerpbaarheid van een handeling die is verricht ten nadele van schuldeisers niet van toepassing als het recht dat van toepassing is op deze handeling de niet-tegenwerpbaarheid van handelingen verricht ten nadele van de schuldeisers niet kent.

Ingevolge artikel 470 dient de invloed van de insolventieverklaring op de gerechtelijke procedures die lopen voor een rechter van een van de lidstaten van de Europese Unie of een EVA-lidstaat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, te worden beoordeeld volgens het recht van de staat waar de procedure wordt gevoerd.

Laatste update: 12/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Roemenië

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De interne bronnen van het Roemeense internationaal privaatrecht zijn onder meer de Roemeense Grondwet, boek VII van het burgerlijk wetboek, het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en verschillende bijzondere wetten die verband houden met het internationaal privaatrecht inzake vreemdelingen, ondernemingen, het handelsregister en nationaliteit.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

De verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht betreffende de burgerlijke rechtsvordering, de afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse documenten, de betekening van stukken, de verkrijging van bewijs, de toegang tot de rechter, de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, de bescherming van kinderen, adoptie, forumkeuze en onderhoudsverplichtingen.

De verdragen van de Raad van Europa betreffende arbitrage in handelszaken, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen, het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, adoptie, de wettelijke status van buiten het huwelijk geboren kinderen en nationaliteit.

De verdragen van de Verenigde Naties inzake vrouwen- en kinderrechten, de internationale inning van levensonderhoud, arbitrage, immuniteit, vervoer, intellectueel eigendom, aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor milieuschade, bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, verjaring en koopovereenkomsten.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Verdragen betreffende rechtshulp in burgerlijke zaken die Roemenië heeft gesloten met Albanië, Algerije, België, Bulgarije, China, Cuba, Egypte, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Macedonië, Marokko, Moldavië, Mongolië, Oekraïne, Oostenrijk, Polen, Rusland, Servië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Syrië, Tsjechië, Tunesië, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en Zuid-Korea.

2 Toepassing van de conflictregels

De toepassing van vreemd recht op een rechtsverhouding met een internationaal element gebeurt zowel ambtshalve door de rechter als op verzoek van de betrokken partij.

De rechter kan op basis van zijn actieve rol het vreemd recht ambtshalve toepassen of de toepassing ervan ter overweging voorleggen aan partijen indien een Roemeense conflictregel daarnaar verwijst. Elke partij kan bij het gerecht echter een beroep doen op vreemd recht op grond van het beginsel van beschikbaarheid.

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregelsv

Het vreemd recht omvat tevens de bepalingen van het materiële recht (waaronder de conflictregels), tenzij de partijen het toepasselijke vreemd recht hebben gekozen, alsook de gevallen waarin vreemd recht van toepassing is op de vorm van rechtshandelingen en niet‑contractuele verbintenissen en andere bijzondere gevallen conform het bepaalde in internationale verdragen waarbij Roemenië partij is, in het EU‑recht of in de wetgeving.

Wanneer het vreemd recht naar het Roemeense recht of het recht van een andere staat terugverwijst, is het Roemeense recht van toepassing, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Zie de artikelen 2559 en 2560 van het burgerlijk wetboek.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Het vreemd recht omvat tevens de bepalingen van het materiële recht (waaronder de conflictregels), tenzij de partijen het toepasselijke vreemd recht hebben gekozen, alsook de gevallen waarin vreemd recht van toepassing is op de vorm van rechtshandelingen en niet‑contractuele verbintenissen en andere bijzondere gevallen conform het bepaalde in internationale verdragen waarbij Roemenië partij is, in het EU‑recht of in de wetgeving.

Wanneer het vreemd recht naar het Roemeense recht of het recht van een andere staat terugverwijst, is het Roemeense recht van toepassing, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Zie de artikelen 2559 en 2560 van het burgerlijk wetboek.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

De gevallen waarin het oude recht altijd van toepassing blijft ondanks de wijziging van het aanknopingspunt zijn bijvoorbeeld: het recht van de laatste nationaliteit (beslissing tot vaststelling van vermoedelijk overlijden, afwezigheid of vermissing); het recht dat de gevolgen van het huwelijk van de ouders van een kind beheerst (afstamming van een binnen het huwelijk geboren kind) op het ogenblik van de geboorte van het kind; het nationale recht van het kind vanaf zijn geboortedatum (afstamming van een buitenechtelijk kind).

De gevallen waarin het oude recht voorrang heeft op het nieuwe recht ondanks de wijziging van het aanknopingspunt zijn bijvoorbeeld: het recht van de staat van waaruit een goed is verzonden (goed dat wordt vervoerd); het recht van de woonplaats/het hoofdkantoor van de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip dat de overeenkomst wordt gesloten (vaststellen met welke recht de overeenkomst de nauwste banden heeft).

Gevallen waarin zowel het oude recht als het nieuwe recht kunnen worden toegepast in geval van wijziging van het aanknopingspunt zijn bijvoorbeeld: het recht van de plaats waar de roerende zaak zich bevond op het ogenblik dat het rechtsfeit zich voordeed waardoor het recht ontstond of teniet ging (vestiging, overdracht of tenietgaan van zakelijke rechten); het toepasselijke recht op het tijdstip en in het land waar de publiciteit is uitgevoerd (roerende zaken die eerder zijn verplaatst of die later naar een ander land worden gebracht); het recht van de staat op het grondgebied waarvan de zaak zich bevindt bij aanvang van de termijn van bezit of waar vandaan de zaak is verplaatst (verkrijgende verjaring).

De gevallen waarin het meeste gunstige recht wordt toegepast in geval van wijziging van het aanknopingspunt zijn bijvoorbeeld: de wijziging van de nationaliteit bij het bereiken van de leeftijd van meerderjarigheid; de afstamming van het buitenechtelijke kind (dat bij de geboorte een dubbele nationaliteit heeft).

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Vreemd recht wordt niet toegepast wanneer dit in strijd is met de openbare orde van het Roemeense internationaal privaatrecht (bijvoorbeeld, indien de toepassing leidt tot een resultaat dat onverenigbaar is met de fundamentele beginselen van het Roemeense recht of het recht van de Europese Unie en met de fundamentele mensenrechten) of wanneer het betreffende vreemd recht van toepassing is geworden als gevolg van een schending van het Roemeense recht. Indien het vreemd recht niet wordt toegepast, is het Roemeense recht van toepassing.

Het recht dat volgens de interne regels van het internationaal privaatrecht is aangewezen, blijft bij uitzondering buiten toepassing, indien de rechtsverhouding geen nauwe band heeft met dat recht. In dat geval wordt het recht toegepast waarmee de zaak het nauwst verbonden is.

De dwingende bepalingen van het Roemeense recht waarin regels zijn vastgesteld voor rechtsverhoudingen met een internationaal element hebben voorrang. Dwingende bepalingen van het recht van een andere staat waarin regels zijn vastgesteld voor rechtsverhoudingen met een internationaal element kunnen ook rechtstreeks worden toegepast, indien de rechtsverhouding nauw verbonden is met het recht van die staat en de rechtmatige belangen van de partijen dat vereisen.

Zie de artikelen 2564 tot 2566 van het burgerlijk wetboek.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De rechter stelt de inhoud van het vreemd recht vast aan de hand van verklaringen die worden verstrekt door de staat die de rechtsregels heeft uitgevaardigd, door middel van een deskundigenrapport of een ander geschikt middel. De partij die het vreemd recht inroept, is gehouden de inhoud ervan aan te tonen.

Zie artikel 2562 van het burgerlijk wetboek; artikel 30 van wet nr. 189/2003 houdende internationale rechtshulp in burgerlijke zaken; de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht (Londen, 1968); de bilaterale verdragen die zijn gesloten met de onder punt 1.3 genoemde landen.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

De materiële voorwaarden van een rechtshandeling worden beheerst door het recht dat door de partijen of de auteur is gekozen. De partijen mogen het recht kiezen dat van toepassing is op (een deel van) de rechtshandeling.

Bij gebreke van een keuze wordt het recht van de staat toegepast waarmee de rechtshandeling het nauwst verbonden is (de staat waar de persoon die de kenmerkende prestatie moet verrichten of de persoon die de rechtshandeling verricht zijn gewone verblijfplaats of hoofdkantoor heeft); wanneer dit recht niet kan worden vastgesteld, wordt het recht van de staat waar de rechtshandeling is gesloten, toegepast.

De formele voorwaarden van een rechtshandeling worden beheerst door het recht dat de inhoud van de rechtshandeling beheerst. De rechtshandeling is geldig wanneer zij voldoet aan voorwaarden die zijn vastgesteld in een van de volgende rechtstelsels: het recht van de plaats waar de handeling tot stand is gekomen; het recht van de nationaliteit of de gewone verblijfplaats van de persoon die ermee heeft ingestemd; het toepasselijke recht overeenkomstig het internationaal privaatrecht van de autoriteit die de geldigheid van de rechtshandeling onderzoekt.

Het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst wordt vastgesteld volgens de bepalingen van het Unierecht en voor zaken die niet onder deze bepalingen vallen, worden de bepalingen van het interne recht betreffende het recht dat van toepassing is op de rechtshandelingen toegepast, tenzij in internationale verdragen of bijzondere voorschriften anders is bepaald.

Zie de artikelen 2640 tot 2646 van het burgerlijk wetboek.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen wordt vastgesteld volgens de bepalingen van het Unierecht en, voor zaken die daar niet onder vallen, wordt het recht toegepast dat de reeds eerder bestaande rechtsbetrekking tussen partijen beheerst, tenzij in internationale verdragen of bijzondere voorschriften anders is bepaald.

Vorderingen tot schadevergoeding wegens schending van de privacy en rechten betreffende de persoonlijkheid worden, naar keuze van de benadeelde, beheerst door de rechtsstelsels van: de staat waar de benadeelde zijn gewone verblijfplaats heeft; de staat waar de schade is veroorzaakt; de staat waar de veroorzaker van de schade zijn gewone verblijfplaats of zijn hoofdkantoor heeft.

Het recht van antwoord bij schade als gevolg van inbreuken op de persoonlijkheid wordt beheerst door het recht van de staat waar de publicatie is verschenen of het programma is uitgezonden.

Zie de artikelen 2641 en 2642 van het burgerlijk wetboek.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

De naam van een persoon wordt beheerst door het nationale recht van die persoon. De vaststelling van de naam van het kind bij de geboorte wordt beheerst, naar keuze, hetzij door het recht van de staat waarvan de ouders en het kind de gemeenschappelijke nationaliteit hebben, hetzij door het recht van de staat waar het kind is geboren en waar het sinds zijn geboorte verblijft.

De woonplaats van een persoon wordt beheerst door het nationale recht.

De burgerlijke staat en de handelingsbekwaamheid van een natuurlijke persoon worden beheerst door het nationale recht van die persoon. Bijzondere vormen van onbekwaamheid met betrekking tot een bepaalde rechtsverhouding zijn onderworpen aan het recht dat van toepassing is op die rechtsverhouding. De aanvang en de beëindiging van de persoonlijkheid wordt bepaald door het nationale recht van iedere betrokken persoon.

Maatregelen tot bescherming van een persoon die volledig handelingsbekwaam is, worden beheerst door het recht van de staat waar deze persoon zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat hij onder curatele wordt gesteld of de dag waarop een andere beschermingsmaatregel wordt genomen.

Zie de artikelen 2570, 2572 tot 2576 en 2578 tot 2579 van het burgerlijk wetboek.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

De afstamming van een binnen het huwelijk geboren kind wordt vastgesteld conform het recht dat, op het tijdstip van de geboorte, de algemene gevolgen van het huwelijk van de ouders beheerst. Indien het huwelijk van de ouders vóór de geboorte van het kind is beëindigd of ontbonden, is het recht dat de gevolgen van de beëindiging of de ontbinding beheerst van toepassing. Ditzelfde recht is eveneens van toepassing op de ontkenning van het vaderschap van een binnen het huwelijk geboren kind, alsook op de verkrijging van de naam door het kind.

De afstamming van het buitenechtelijke kind wordt vastgesteld conform het nationale recht van het kind op het tijdstip van de geboorte, dat van toepassing is op zowel de erkenning als de ontkenning van het ouderschap en de gevolgen daarvan. Indien het kind meerdere nationaliteiten bezit, anders dan de Roemeense nationaliteit, wordt het meest gunstige nationale recht toegepast.

Zie de artikelen 2603 tot 2606 van het burgerlijk wetboek.

3.4.2 Adoptie

De vereiste materiële voorwaarden voor een adoptie worden beheerst door het nationale recht van de adoptant en de geadopteerde. Er moet tevens worden voldaan aan de voorwaarden die aan hen worden gesteld in elk van de betrokken nationale rechtsstelsels. De materiële voorwaarden die worden gesteld aan echtgenoten die gezamenlijk een kind adopteren of aan een van de echtgenoten die het kind van de andere echtgenoot adopteert, vallen onder het recht dat de algemene gevolgen van het huwelijk beheerst.

De gevolgen van de adoptie, de betrekkingen tussen de adoptant en de geadopteerde en de herroeping van de adoptie worden beheerst door het nationale recht van de adoptant. Wanneer beide echtgenoten adoptant zijn, is het recht dat de algemene gevolgen van het huwelijk beheerst van toepassing.

De adoptie wordt wat de vorm betreft beheerst door het recht van de staat op het grondgebied waarvan de adoptie tot stand komt.

Zie de artikelen 2607 tot 2610 van het burgerlijk wetboek.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

De vereiste materiële voorwaarden voor het sluiten van een huwelijk worden beheerst door het nationale recht van elk van de toekomstige echtgenoten op het ogenblik van de huwelijksvoltrekking.

Het huwelijk wordt wat de vorm betreft beheerst door het recht van de staat op het grondgebied waarvan het huwelijk wordt gesloten.

De wet die de wettelijke vereisten voor het sluiten van een huwelijk regelt, is tevens van toepassing op de nietigheid van het huwelijk en de gevolgen van die nietigheid.

De algemene gevolgen van het huwelijk worden beheerst door het recht van de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten, en bij gebreke daarvan, door het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten. Bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit is het recht van de staat waar het huwelijk is voltrokken van toepassing.

Zie de artikelen 2585 tot 2589 van het burgerlijk wetboek.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Roemenië past de Rome III-verordening toe.

Volgens het interne recht kunnen de echtgenoten in onderlinge overeenstemming een van de volgende rechtstelsels kiezen voor hun echtscheiding: het recht van de staat op het grondgebied waarvan de echtgenoten hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de overeenkomst over de keuze van toepasselijk recht wordt gesloten; het recht van de staat op het grondgebied waarvan de echtgenoten hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden, wanneer ten minste een van hen daar woont op de datum waarop de overeenkomst over het gekozen toepasselijke recht wordt gesloten; het recht van de staat waarvan een van de echtgenoten onderdaan is; het recht van de staat op het grondgebied waarvan de echtgenoten minstens drie jaar hebben gewoond; het Roemeense recht.

De overeenkomst over de keuze van het recht dat van toepassing is op de echtscheiding kan worden gesloten of gewijzigd uiterlijk tot het moment waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de autoriteit die bevoegd is de echtscheiding uit te spreken. De rechter kan kennisnemen van de tussen de echtgenoten gesloten overeenkomst uiterlijk tot de datum van de eerste zitting waarvoor de partijen rechtmatig zijn gedagvaard.

Wanneer de echtgenoten geen rechtskeuze hebben gemaakt, is het volgende recht van toepassing op de echtscheiding: het recht van de staat op het grondgebied waarvan de echtgenoten hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben op het ogenblik van indiening van het echtscheidingsverzoek; bij gebreke van een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, het recht van de staat op het grondgebied waarvan de echtgenoten hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden, indien ten minste een van hen daar zijn gewone verblijfplaats had op het moment dat het echtscheidingsverzoek werd ingediend; bij gebreke daarvan, het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten op het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek; bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit, het recht van de laatste gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten op het moment van indiening van het verzoek, indien ten minste een van hen deze nationaliteit nog had op het moment van indiening van het verzoek; in alle overige gevallen, het Roemeense recht.

Het recht dat de echtscheiding beheerst, is ook van toepassing op de scheiding van tafel en bed.

Zie de artikelen 2597 tot 2602 van het burgerlijk wetboek.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen wordt bepaald conform het recht van de Europese Unie (artikel 2612 van het burgerlijk wetboek).

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime is het recht dat de echtgenoten hebben gekozen (de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten op het tijdstip van de keuze; het recht van de nationaliteit van een van de echtgenoten op het tijdstip van de keuze; dat van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats onmiddellijk na de voltrekking van het huwelijk). Dit recht beheerst de maatregelen betreffende publicatie en de werking jegens derden en, als alternatief voor het recht van de staat van de huwelijksvoltrekking, de vereiste vormvoorschriften voor het sluiten van huwelijkse voorwaarden.

De overeenkomst over de keuze van het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime kan voorafgaand aan het huwelijk, op het ogenblik van de sluiting of tijdens het huwelijk, worden gesloten.

De vormvoorschriften zijn de voorschriften zoals vastgesteld in het gekozen recht dat het huwelijksvermogensregime beheerst, of het recht van de staat waar de overeenkomst over de rechtskeuze is gesloten. Wanneer de echtgenoten het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht niet hebben gekozen, wordt dit regime beheerst door het recht dat van toepassing is op de algemene gevolgen van het huwelijk.

Zie de artikelen 2590 tot 2596 van het burgerlijk wetboek.

3.7 Erfrecht

Roemenië past de Verordening (EG) nr. 650/2012 toe.

Volgens het interne recht wordt de nalatenschap beheerst door het recht van de staat waar de erflater, op het tijdstip van het overlijden, zijn gewone verblijfplaats had.

Een persoon kan kiezen dat het recht van de staat waarvan hij onderdaan is, van toepassing is op de nalatenschap. Wanneer het toepasselijke recht is gekozen, beheerst dit recht tevens het bestaan en de geldigheid van de instemming die is vastgelegd in de verklaring betreffende de keuze van het toepasselijke recht.

De opstelling, wijziging of herroeping van een testament wordt geacht geldig te zijn wanneer de handeling voldoet aan de toepasselijke vormvoorschriften, hetzij op het tijdstip waarop het testament wordt opgesteld, gewijzigd of herroepen, hetzij op het tijdstip van overlijden van de testateur, overeenkomstig: het nationale recht van de testateur; het recht van de gewone verblijfplaats; het recht van dat staat waar de akte is opgesteld, gewijzigd of herroepen; het recht van de staat waar de onroerende zaak is gelegen, of het recht van het gerecht of het orgaan dat de procedure voor de overdracht van de geërfde zaken uitvoert.

Indien de nalatenschap overeenkomstig het toepasselijke recht onbeheerd is, worden de zaken die zijn gelegen/zich bevinden op Roemeens grondgebied, overgenomen door de Roemeense staat op grond van het Roemeense recht betreffende de toewijzing van goederen van een onbeheerde nalatenschap.

Zie de artikelen 2633 tot 2636 van het burgerlijk wetboek.

3.8 Goederenrecht

Het recht van de staat waar de zaak is gelegen/zich bevindt (lex rei sitae) beheerst bijvoorbeeld het bezit, het eigendomsrecht en andere zakelijke rechten op zaken, waaronder zakelijke zekerheden; (bij aanvang van de termijn van bezit) verkrijgende verjaring; (op het tijdstip dat het juridische feit plaatsvond dat het betreffende recht heeft doen ontstaan, gewijzigd of beëindigd) de vestiging, overdracht en het tenietgaan van zakelijke rechten op zaken die zijn verplaatst; (op het tijdstip dat de eigendomsoverdracht tot zekerheid wordt overeengekomen) de voorwaarden betreffende de geldigheid, de publiciteit en de gevolgen van de eigendomsoverdracht tot zekerheid; de vormen van publiciteit en de vormen van publiciteit die rechten doen ontstaan met betrekking tot een bepaalde onroerende zaak; (op het tijdstip van de diefstal/export of op het tijdstip van de revindicatie) de revindicatie van een gestolen of illegaal geëxporteerde zaak.

Goederen die worden vervoerd zijn onderworpen aan het recht van de staat van waaruit ze zijn verzonden.

De vestiging, overdracht en het tenietgaan van zakelijke rechten op een vervoersmiddel zijn onderworpen aan: het recht van de vlaggenstaat van het schip of het recht van de staat van inschrijving van het vliegtuig; het recht dat van toepassing is op het organieke statuut van het vervoersbedrijf met betrekking tot spoor- en motorvoertuigen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen.

De uitgifte van aandelen of obligaties, op naam of aan toonder, wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het organieke statuut van de uitgevende rechtspersoon.

Het ontstaan, de inhoud en het tenietgaan van auteursrechten op een eigen intellectuele schepping van de maker worden beheerst door het recht van de staat waar het werk voor het eerst aan het publiek is medegedeeld.

Het ontstaan, de inhoud en het tenietgaan van industriële-eigendomsrechten worden beheerst door het recht van de staat waar de rechten zijn gedeponeerd of geregistreerd, of waar de depot- of registratie-aanvraag is ingediend.

Zie de artikelen 2613 tot 2632 van het burgerlijk wetboek.

3.9 Insolventie

Bepalingen betreffende het toepasselijke recht zijn te vinden in wet nr. 85/2014 inzake insolventie en procedures ter voorkoming van insolventie, die de toepassing van Verordening (EG) nr. 1346/2000 faciliteert.

Laatste update: 13/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Slovenië

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De basiswet waarin de algemene regels van het internationaal privaatrecht zijn vastgelegd is de wet betreffende het internationaal privaatrecht en de bijbehorende procedure (Officieel Publicatieblad van de Republiek Slovenië nr. 56/99; hierna de "IPR-wet" genoemd). De conflictregels zijn opgenomen in aparte wetten op verschillende gebieden (wet betreffende financiële transacties, insolventieprocedures en gerechtelijke ontbinding).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

In de Republiek Slovenië kunnen geratificeerde en gepubliceerde verdragen direct worden toegepast en hebben zij voorrang boven de nationale wetgeving. De conflictregels worden beheerst door Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), die voor de lidstaten die daardoor gebonden zijn in de plaats is gekomen van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, en Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II). Bovendien zijn er conflictregels opgenomen in multilaterale verdragen die door de De link wordt in een nieuw venster geopend.Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht zijn gesloten en waarbij de Republiek Slovenië partij is.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

In de bilaterale verdragen betreffende wederzijdse internationale rechtshulp die zijn gesloten met Oostenrijk, Bulgarije, Tsjechië, Slowakije, Frankrijk, Hongarije, Mongolië, Polen, Roemenië en Rusland, zijn eveneens conflictregels opgenomen. De lijst met verdragen is gepubliceerd De link wordt in een nieuw venster geopend.op de website van het ministerie.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De rechter dient zich te houden aan het recht dat de conflictregels beheerst, maar de partijen zijn vrij om te kiezen welk recht hun rechtsbetrekking beheerst. In voorkomend geval is dan ook het recht dat de partijen gezamenlijk hebben gekozen van toepassing. In uitzonderingsgevallen wordt het recht waarnaar de IPR-wet verwijst niet toegepast, namelijk wanneer duidelijk is dat, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, de rechtsverhouding niet nauw verbonden is met dit rechtsstelsel en er een nauwere band bestaat met een ander rechtsstelsel.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Het beginsel van renvoi is vastgelegd in artikel 6 van de IPR-wet, waarin is bepaald dat wanneer de regels van een vreemde staat verwijzen naar het recht van de Republiek Slovenië, het Sloveense recht zal worden toegepast, zonder dat rekening wordt gehouden met de Sloveens verwijzingsregels. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer de partijen het toepasselijke recht hebben gekozen.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Specifieke conflictregels waarin de wijziging van aanknopingspunten is geregeld, bepalen over het algemeen ook het tijdstip dat in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van die aanknopingspunten. Sommige aanknopingspunten omvatten zelf al het tijdstip dat bepalend is voor de keuze van het toepasselijke recht op grond van de conflictregel (bijvoorbeeld de nationaliteit van de testateur bij het opmaken van een testament), terwijl in andere gevallen de wijziging van een aanknopingspunt ertoe kan leiden dat een ander rechtsstelsel wordt toegepast. Het is bij langdurige rechtsbetrekkingen dan ook noodzakelijk om het beginsel van erkenning van reeds verworven rechten toe te passen.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Het recht waarnaar wordt verwezen op grond van de IPR-wet, wordt niet toegepast wanneer de toepassing in strijd is met de openbare orde van de Republiek Slovenië. De openbare orde is een geheel van rechtsregels die in de jurisprudentie zijn geformuleerd. Over het algemeen is de openbare orde gebaseerd op de constitutionele grondslagen van het land, de fundamentele beginselen van de nationale wetgeving en morele normen.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De rechtbank of een andere bevoegde instantie stelt ambtshalve de inhoud van het toe te passen vreemde recht vast. Daartoe kan de rechter bij de minister van Justitie advies inwinnen over het vreemde recht of kan hij de inhoud met behulp van andere geschikte middelen vaststellen. De partijen kunnen tijdens de procedure een authentieke akte of een ander document van een buitenlandse bevoegde autoriteit of instelling indienen betreffende de inhoud van het vreemde recht. Indien het in een bepaald geval onmogelijk is de inhoud van het vreemde recht vast te stellen, dan is het Sloveense recht van toepassing.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, is met betrekking tot lidstaten rechtstreeks van toepassing in de Republiek Slovenië en heeft voorrang op de op dat gebied bestaande nationale wetgeving. Indien bepaalde kwesties niet onder het toepassingsgebied van bovengenoemde verordening vallen, moeten zo nodig bepalingen van een bilateraal verdrag worden toegepast. Bij gebreke van een bilaterale overeenkomst moet de nationale wet die de conflictregels met betrekking tot verbintenissen uit overeenkomst beheerst (de IPR-wet), worden toegepast.

Algemene conflictregel

Overeenkomstig de IPR-wet wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen, tenzij een wet of een internationaal verdrag anders bepaalt. De rechtskeuze door de partijen wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of andere omstandigheden. De geldigheid van de overeenkomst wordt vervolgens vastgesteld op grond van het gekozen recht. Indien de partijen geen keuze hebben gemaakt, is het recht dat het nauwst betrokken is met de zaak van toepassing. Indien de bijzondere omstandigheden niet naar een ander rechtstelsel verwijzen, is het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft van toepassing.

Arbeidsovereenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeidsprestaties verricht. Wanneer een ander toepasselijk recht wordt gekozen, mogen partijen niet afwijken van dwingende bepalingen van het nationale recht waarin de rechtsbescherming van werknemers is geregeld en die van toepassing zouden zijn geweest bij het ontbreken van een rechtskeuze door de partijen.

Onder consumentenovereenkomst wordt verstaan een overeenkomst betreffende de overdracht van roerende zaken, rechten of de verlening van diensten aan een consument. Een consument is een persoon die goederen, rechten en diensten verwerft met name voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik. Vervoersovereenkomsten en dienstverleningsovereenkomsten die volledig in een land worden uitgevoerd waar de consument niet zijn woonplaats heeft, worden niet aangemerkt als consumentenovereenkomsten. Niettegenstaande de andere bepalingen van de IPR-wet, wordt een consumentenovereenkomst in de volgende gevallen beheerst door het recht van het land waar de consument zijn woonplaats heeft: wanneer de overeenkomst wordt gesloten naar aanleiding van een aanbieding of een advertentie in dat land en de consument in dat land de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om de overeenkomst te sluiten, of wanneer de medecontractant van de consument of diens vertegenwoordiger de bestelling van de consument in dat land heeft ontvangen, of wanneer de verkoopovereenkomst in een ander land is gesloten, of wanneer de consument de bestelling in een ander land heeft geplaatst, of wanneer de reis door een verkoper was georganiseerd om de sluiting van dergelijke overeenkomsten te bevorderen.

In bovenstaande gevallen kunnen de partijen, wanneer zij overeenstemming hebben bereikt over het toepasselijke recht, niet de toepassing uitsluiten van dwingende bepalingen die betrekking hebben op de bescherming van consumentenrechten en die zijn vastgesteld in het recht van de staat waar de consument zijn woonplaats heeft.

Overeenkomsten betreffende onroerende zaken worden altijd beheerst door het recht van het land waar de onroerende zaak is gelegen.

Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, wordt de algemene conflictregel van toepassing op de betrekkingen tussen de contractpartijen ook toegepast om vast te stellen vanaf welk tijdstip de verkrijger of cessionaris van een roerende zaak recht heeft op de opbrengsten en vruchten van die zaak en om vast te stellen vanaf welk tijdstip de risico's voor de zaken door de verkrijger of de vervoerder worden gedragen.

Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, worden de leveringsvoorwaarden van de goederen en de te nemen maatregelen in geval van weigering van de goederen, beheerst door het recht van de staat waar de goederen moeten worden geleverd.

Met betrekking tot de gevolgen van een cessie van een vordering of een schuldoverneming geldt dat de wettelijke status van een schuldenaar of een schuldeiser die niet direct bij de cessie of overneming betrokken was, wordt beheerst door het recht dat op de cessie of de overneming zelf van toepassing is.

De bijkomende rechtshandeling wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de hoofdrechtshandeling zelf, tenzij anders is overeengekomen.

De eenzijdige rechtshandeling wordt beheerst door het recht van de staat waar de schuldenaar zijn woonplaats of hoofdvestiging heeft.

3.2 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Indien niet-contractuele verbintenissen niet worden beheerst door een internationaal verdrag of een handeling van de Europese Unie, meer bepaald Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, dan is ingevolge de conflictregels het nationale recht van toepassing.

In de IPR-wet is bepaald dat niet-contractuele verbintenissen worden beheerst door het recht van de staat waar de handeling is verricht. Het recht van de staat waar de gevolgen van de handeling zich hebben voorgedaan is van toepassing wanneer dat voor het slachtoffer gunstiger is, echter alleen indien persoon die de handeling heeft verricht de plaats van het gevolg had kunnen of had moeten voorzien. Indien het recht dat op deze wijze is aangewezen niet nauw verbonden is met de rechtsverhouding en er een duidelijke band bestaat met een ander rechtsstelsel, dan wordt dat andere rechtsstelsel toegepast.

Indien een feit waaruit een verplichting tot schadevergoeding voortvloeit, zich heeft voorgedaan aan boord van een schip in internationale wateren of aan boord van een vliegtuig, is het recht van de vlaggenstaat van het schip of van de staat waar het vliegtuig is geregistreerd het toepasselijke recht.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Wanneer een burger van de Republiek Slovenië ook de nationaliteit van een andere staat heeft, wordt deze persoon geacht alleen de Sloveense nationaliteit te bezitten voor de toepassing van de IPR-wet. Indien een persoon die geen Sloveens staatsburger is twee of meer buitenlandse nationaliteiten heeft, dan geldt voor de toepassing van de IPR-wet het recht van de staat waar hij zijn woonplaats heeft als zijn nationale recht. Indien een persoon zijn woonplaats niet heeft in een staat waarvan hij de nationaliteit bezit, dan geldt voor de toepassing van de IPR-wet, als zijn nationale recht het recht van de staat waarmee hij het nauwst is verbonden.

Indien een persoon geen nationaliteit heeft of zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld, wordt het recht van de staat waar hij zijn woonplaats heeft, toegepast. Indien een persoon geen woonplaats heeft of deze niet kan worden vastgesteld, wordt het recht van de staat waar hij zijn tijdelijke woonplaats heeft, toegepast. Indien de tijdelijke woonplaats van een staatloze persoon niet kan worden vastgesteld, wordt het Sloveense recht toegepast.

De toekenning en wijziging van namen van personen worden beheerst door het recht van de staat waarvan de betrokkene de nationaliteit heeft.

De handelingsbekwaamheid van een natuurlijke persoon wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de betrokken persoon de nationaliteit heeft. Een natuurlijke persoon die handelingsonbekwaam is overeenkomstig het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft, wordt geacht handelingsbekwaam te zijn als hij handelingsbekwaamheid heeft op grond van het recht van het land waar de betrokken verplichting is ontstaan. Het intrekken of beperken van de handelingsbekwaamheid van een natuurlijke persoon wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de betrokken persoon de nationaliteit heeft.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

De aanvang en beëindiging van voogdij en de betrekkingen tussen de voogd en de persoon die onder voogdij is geplaatst, worden beheerst door het recht van het land waarvan de onder voogdij geplaatste persoon de nationaliteit heeft. Maatregelen ter bescherming van een buitenlandse onderdaan of een staatloze persoon die zich in de Republiek Slovenië bevindt, worden uitgevaardigd op grond van het Sloveense recht en blijven van kracht totdat de bevoegde staat een beslissing neemt over deze maatregelen of deze intrekt, afhankelijk van het geval. Deze bepaling is ook van toepassing met betrekking tot de bescherming van zaken van een buitenlandse onderdaan of een staatloze persoon die zich op het grondgebied van de Republiek Slovenië bevindt.

Familierechtelijke betrekkingen worden beheerst door het recht van de staat waarvan de kinderen en de ouders de nationaliteit hebben. Wanneer de ouders en de kinderen niet dezelfde nationaliteit hebben, is het recht van de staat waar zij allen hun woonplaats hebben van toepassing. Wanneer de ouders en de kinderen niet dezelfde nationaliteit hebben en hun woonplaats niet in dezelfde staat hebben, is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft van toepassing.

De erkenning, vaststelling of ontkenning van het ouderschap wordt beheerst door het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft.

Onderhoudsverplichtingen tussen bloedverwanten, met uitzondering van ouders en kinderen, of onderhoudsverplichtingen jegens aanverwanten worden beheerst door het recht van de staat waarvan de onderhoudsplichtige de nationaliteit heeft.

Wettiging van een kind wordt beheerst door het recht van de staat waarvan beide ouders de nationaliteit hebben, en indien zij niet dezelfde nationaliteit hebben, door het recht van de staat van de ouder op grond waarvan de wettiging plaatsvindt. De toestemming van het kind, een ander persoon of een nationale autoriteit voor de wettiging wordt beheerst door het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft.

3.4.2 Adoptie

De voorwaarden voor adoptie en de herroeping van adoptie worden beheerst door het recht van de staat waarvan de adoptieouder en het adoptiekind de nationaliteit hebben. Indien de adoptieouder en het adoptiekind niet dezelfde nationaliteit hebben, worden op de voorwaarden voor adoptie en de herroeping van adoptie de rechtsstelsels van de staten waarvan elk van de partijen onderdaan is, cumulatief toegepast. Indien de echtgenoten gezamenlijk een kind adopteren, worden de voorwaarden voor adoptie en de herroeping van adoptie beheerst door zowel het recht van de staat waarvan het adoptiekind de nationaliteit heeft als het recht van de staten waarvan elk van beide echtgenoten de nationaliteit heeft. De adoptie wordt wat de vorm betreft, beheerst door het recht van de staat waar de adoptie tot stand komt. De gevolgen van de adoptie worden beheerst door het recht van de staat waarvan de adoptieouder en het adoptiekind de nationaliteit hebben op het tijdstip van de adoptie. Wanneer de adoptieouder en het adoptiekind niet dezelfde nationaliteit hebben, is het recht van de staat waar zij hun woonplaats hebben van toepassing. Wanneer de adoptieouder en het adoptiekind niet dezelfde nationaliteit hebben en zij hun woonplaats ook niet in dezelfde staat hebben, is het recht van de staat waarvan het adoptiekind de nationaliteit heeft van toepassing.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

De voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk worden beheerst door het recht van de staat waarvan elk van de partijen de nationaliteit heeft op het tijdstip van sluiting van het huwelijk. Het huwelijk wordt wat de vorm betreft, beheerst door het recht van het land waar het huwelijk wordt voltrokken. De nietigheid van het huwelijk wordt beheerst door het materieel recht op grond waarvan het huwelijk is gesloten overeenkomstig de bovengenoemde conflictregels.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

De IPR-wet bevat geen bijzondere bepalingen betreffende ongehuwd samenwonende partners. Aangezien ongehuwd samenwonen echter dezelfde rechtsgevolgen heeft als een huwelijk, kan worden aangenomen dat de conflictregels betreffende het huwelijk ook van toepassing zijn op ongehuwd samenwonen.

De vermogensrechtelijke betrekkingen tussen ongehuwde partners worden beheerst door het recht van de staat waarvan zij de nationaliteit hebben. Wanneer de ongehuwde partners niet dezelfde nationaliteit hebben, is het recht van de staat waar zij hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben van toepassing. De contractuele vermogensrechtelijke betrekkingen tussen ongehuwde partners worden beheerst door het recht dat op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst van toepassing was op hun vermogensrechtelijke betrekkingen.

De IPR-wet bevat geen bijzondere bepalingen betreffende het geregistreerde partnerschap van personen met hetzelfde geslacht en de gevolgen daarvan. Aangezien een geregistreerd partnerschap van personen met hetzelfde geslacht echter dezelfde rechtsgevolgen heeft als een huwelijk, kan worden aangenomen dat de conflictregels betreffende het huwelijk ook van toepassing zijn op het geregistreerde partnerschap.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Echtscheiding wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de echtgenoten de nationaliteit hebben op het tijdstip waarop de echtscheidingsprocedure wordt ingeleid. Wanneer de echtgenoten een verschillende nationaliteit hebben op het moment van indiening van het verzoekschrift, wordt het recht van de staten waarvan zij elk de nationaliteit hebben cumulatief toegepast op de betreffende echtscheidingsprocedure. Wanneer het huwelijk op grond van het door de conflictregels aangewezen recht niet kan worden ontbonden, is het Sloveense recht van toepassing op de echtscheiding indien een van de echtgenoten zijn woonplaats in de Republiek Slovenië heeft op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift. Wanneer een van de echtgenoten Sloveens onderdaan is maar zijn woonplaats niet in Slovenië heeft en het huwelijk op grond van het door de conflictregels aangewezen recht niet kan worden ontbonden, wordt de echtscheiding beheerst door het Sloveense recht.

De IPR-wet bevat geen bijzondere bepalingen betreffende de ontbinding van een geregistreerd partnerschap. Aangezien een geregistreerd partnerschap echter dezelfde rechtsgevolgen heeft als een huwelijk, kan worden aangenomen dat de conflictregels betreffende het huwelijk ook van toepassing zijn op het geregistreerde partnerschap.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

De betrekkingen tussen ouders en kinderen worden beheerst door het recht van de staat waarvan de ouders en kinderen de nationaliteit hebben. Wanneer de ouders en de kinderen niet dezelfde nationaliteit hebben, is het recht van de staat waar zij allen hun woonplaats hebben van toepassing. Wanneer de ouders en de kinderen niet dezelfde nationaliteit hebben en hun woonplaats niet in dezelfde staat hebben, is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft van toepassing.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Het huwelijksvermogensregime en de persoonlijke betrekkingen tussen echtgenoten worden beheerst door het recht van de staat waarvan de echtgenoten de nationaliteit hebben. Wanneer de echtgenoten niet dezelfde nationaliteit hebben, is het recht van de staat waar zij hun woonplaats hebben van toepassing. Wanneer de echtgenoten niet dezelfde nationaliteit hebben en hun woonplaats niet in dezelfde staat hebben, is het recht van de staat waar zij hun laatste gemeenschappelijke gewone woonplaats hadden van toepassing. Wanneer het toepasselijke recht niet op bovengenoemde wijze kan worden vastgesteld, moet het recht waarmee zij het nauwst zijn verbonden worden toegepast.

De contractuele vermogensrechtelijke betrekkingen worden beheerst door het recht dat op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst van toepassing was op het huwelijksvermogensregime en de persoonlijke betrekkingen tussen de echtgenoten. Indien in de bovengenoemde wet is bepaald dat de echtgenoten kunnen kiezen welk recht de overeenkomst beheerst, is het gekozen recht van toepassing.

Wanneer het huwelijk ongeldig of ontbonden is, zijn de conflictregels die van toepassing zijn op het huwelijksvermogensregime en de persoonlijke betrekkingen tussen echtgenoten ook van toepassing op de persoonlijke en de vermogensrechtelijke betrekkingen.

3.7 Erfrecht

Nalatenschappen worden beheerst door het recht van de staat waarvan de erflater de nationaliteit had op het tijdstip van het overlijden. De bekwaamheid om een testament op te maken wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de testateur de nationaliteit had op het moment dat het testament werd opgemaakt.

Een testament is naar de vorm geldig wanneer het voldoet aan de voorschriften van een van de volgende rechtsstelsels: het recht van de staat waar het testament is opgemaakt; het recht van de staat waarvan de testateur de nationaliteit bezat op het tijdstip van opstelling van het testament of het ogenblik van het overlijden; het recht van de staat waar de testateur zijn woonplaats had op het tijdstip van opstelling van het testament of het ogenblik van het overlijden; het recht waar de testateur zijn tijdelijke verblijfplaats had op het tijdstip van de opstelling van het testament of op het ogenblik van het overlijden; het recht van de Republiek Slovenië, en, wat onroerende zaken betreft, het recht van de staat waar de betrokken onroerende zaak is gelegen.

De herroeping van een testament is wat betreft de vorm geldig, indien de vorm voldoet aan de voorschriften van het recht dat ook van toepassing was op de testamentaire beschikking zelf, zoals hierboven is uiteengezet.

3.8 Goederenrecht

Eigendomsrechten en andere zakelijke rechten op goederen worden beheerst door het recht van de staat waar het betreffende goed zich bevindt. De eigendom van goederen die worden vervoerd, wordt beheerst door het recht van de staat van bestemming. De eigendom van vervoersmiddelen wordt beheerst door het recht van de staat waar deze vervoersmiddelen staan geregistreerd, tenzij in de Sloveense wetgeving anders is bepaald.

3.9 Insolventie

In Slovenië is Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures rechtstreeks van toepassing op kwesties die onder het toepassingsgebied van de verordening vallen en die betrekking hebben op de EU-lidstaten. Wanneer de verordening niet van toepassing is, wordt het Sloveense nationale recht toegepast, te weten de wet betreffende financiële transacties, insolventieprocedures en gerechtelijke ontbinding (Officieel Publicatieblad van de Republiek Slovenië, ZFPPIPP-UPB7, nr. 63/2013).

In deze wet zijn in het hoofdstuk "Insolventieprocedures met een internationaal element" algemene regels vastgesteld met betrekking tot insolventieprocedures met een internationaal element, en is de toegang van buitenlandse schuldeisers en curatoren tot de nationale rechtbank, evenals de samenwerking met buitenlandse rechtbanken en curatoren geregeld. Bovendien bevat deze wet regels inzake de erkenning van buitenlandse insolventieprocedures, voorlopige maatregelen, vergelijkbare insolventieprocedures en het recht dat van toepassing is op de rechtsgevolgen van een insolventieprocedure.

De nationale rechtbank die absoluut bevoegd is om nationale insolventieprocedures te behandelen, kan een beslissing nemen over de erkenning van een buitenlandse insolventieprocedure en over de samenwerking met buitenlandse rechtbanken. De nationale rechtbanken die relatief bevoegd zijn om een beslissing te nemen over de erkenning van een buitenlandse insolventieprocedure en over de samenwerking met buitenlandse rechtbanken zijn: 1. indien de schuldenaar, zijnde een nationale rechtspersoon of een nationale ondernemer, zijn hoofdkantoor in de Republiek Slovenië heeft, de rechtbank in het rechtsgebied waarvan het hoofdkantoor van de schuldenaar is gevestigd, 2. indien de schuldenaar een buitenlandse persoon is met een filiaal in de Republiek Slovenië, de rechtbank in het rechtsgebied waarvan het hoofdkantoor van dat filiaal is gevestigd, 3. in de overige gevallen, de regionale rechtbank (okrožno sodišče) van Ljubljana.

Met betrekking tot het recht dat de rechtsgevolgen van een insolventieprocedure beheerst, geldt de algemene regel dat het recht van de staat waar de procedure wordt gevoerd van toepassing is, tenzij de wet in een bijzonder geval anders bepaalt. De wet betreffende financiële transacties, insolventieprocedures en gerechtelijke ontbinding bevat bijzondere regels die het recht aanwijzen dat van toepassing is op overeenkomsten betreffende het gebruik en de verwerving van onroerende zaken, omdat in dergelijke gevallen het recht van de staat waar de betrokken onroerende zaak is gelegen van toepassing is. Bovendien bestaat er een algemene regel inzake het recht dat van toepassing is op rechten die zijn ingeschreven in een register (het recht van de staat die bevoegd is het register te houden), inzake het recht dat van toepassing is op betalingssystemen en financiële markten (het recht van de staat bevoegd voor het betrokken betalingssysteem/de betrokken financiële markt), inzake het recht dat van toepassing is op compensaties en terugkooptransacties en inzake het recht dat van toepassing is op arbeidsovereenkomsten.

Laatste update: 17/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Welk recht is van toepassing? - Zweden

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Het Zweedse internationaal privaatrecht is slechts gedeeltelijk gecodificeerd en bestaat uit een combinatie van geschreven recht en jurisprudentie. Het geschreven recht heeft hoofdzakelijk tot doel uitvoering te geven aan de internationale verdragen waarbij Zweden partij is. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wetgeving.

Huwelijk en kinderen

  • Hoofdstuk 3, de artikelen 4 en 6, van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (IÄL)
  • De artikelen 9, 12 en 13 van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (NÄF)
  • Artikel 2 van de wet (1971:796) betreffende internationale rechtsbetrekkingen inzake adoptie (IÄL)
  • De artikelen 2, 3 en 6 van de wet (1985:367) betreffende internationale vraagstukken inzake afstamming (IFL).
  • De artikelen 3 tot 5 van de wet (1990:272) betreffende internationale vraagstukken inzake het vermogensregime tussen echtgenoten en ongehuwd samenwonenden (LIMF)
  • Artikel 1 van de wet (2012.318) betreffende het Verdrag van Den Haag van 1996 en de artikelen 15 tot 22 van datzelfde Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen
  • Artikel 15 van Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (verordening inzake onderhoudsverplichtingen) en het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen

Nalatenschappen

  • De artikelen 20 tot 38 van Verordening (EG) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

Overeenkomsten en koop

  • Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten (Rome I-verordening).
  • De artikelen 79 tot 87 van de wet (1932:130) betreffende wisselbrieven
  • De artikelen 58 tot 65 van de wet (1932:131) betreffende cheques
  • De wet (1964:528) betreffende het recht dat van toepassing is op de aankoop van onroerende zaken (IKL)
  • De artikelen 25a, 31a en 42a van de wet (1976:580) betreffende medezeggenschap op het werk (MBL)
  • De wet (1993:645) betreffende het recht dat van toepassing is op bepaalde verzekeringsovereenkomsten
  • Hoofdstuk 13, artikel 4, en hoofdstuk 14, artikel 2, van de scheepvaartwet (1994:1009)
  • Artikel 14 van de wet (1994:1512) betreffende consumentenovereenkomsten
  • Hoofdstuk 1, artikel 4, van wet (2011:914) betreffende consumentenbescherming in overeenkomsten betreffende het gebruik in deeltijd van accommodaties en vakantieproducten van lange duur
  • Hoofdstuk 3, artikel 14, van de wet betreffende verkoop op afstand en verkoop buiten de verkoopruimte (2005:59)
  • Artikel 48 van de consumentenwet (1990:932)

Wettelijke aansprakelijkheid

  • Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening)
  • De artikelen 8, 14 en 38 van de wet (1975:1410) betreffende schade als gevolg van verkeersongevallen
  • Artikel 1 van de wet (1972:114) in samenhang met het Verdrag van 9 februari 1972 tussen Zweden en Noorwegen inzake begrazing door rendieren
  • Artikel 1 van de wet (1974:268) in samenhang met het Milieuverdrag van 19 februari 1974 tussen Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden

Insolventiewetgeving

  • De artikelen 4, 8 tot 11, 14, 15, 28 en 43 van Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (insolventieverordening) (het Europees Parlement en de Raad hebben een herziening van deze verordening aangenomen, die in de zomer van 2015 in werking is getreden)
  • De artikelen 1, 3 en 5 tot 8 van de wet (1934:67) tot vaststelling van regels betreffende faillissement voor goederen die zich bevinden op het grondgebied van Denemarken, Finland, IJsland of Noorwegen
  • De artikelen 1, 4 tot 9 en 13 van de wet (1934:68) betreffende de gevolgen van faillissementen in Denemarken, Finland, IJsland of Noorwegen
  • De artikelen 1, 3 tot 8 en 12 van de wet (1981:6) betreffende faillissementen met betrekking tot goederen in een ander Noords land
  • De artikelen 1, 4 tot 9, 13 en 14 van de wet (1981:7) betreffende de uitvoering van faillissementen die zich voordoen in een ander Noords land

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Zweden is partij bij de hieronder vermelde multilaterale internationale verdragen die bepalingen bevatten over het toepasselijke recht. Zweden heeft ten aanzien van internationale verdragen een dualistische opvatting, dat wil zeggen dat multilaterale verdragen volledig in het nationale recht worden opgenomen (zie hierboven).

Volkenbond

  • Het Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes van 1930
  • Het Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van cheques van 1931

De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht

  • Het Verdrag van 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet
  • Het Verdrag van 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen
  • Het Verdrag van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen
  • Het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen

Europese Unie

  • Het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 1980 (voor overeenkomsten die vanaf 17 december 2009 zijn gesloten geldt de Rome I-verordening in plaats van dat verdrag)

Noordse verdragen

  • Het Verdrag van 1931 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden houdende bepalingen van het internationaal privaatrecht inzake huwelijk, adoptie en voogdij (laatstelijk gewijzigd bij de wijzigingsovereenkomst van 2006)
  • Het Verdrag van 1933 tussen Zweden, Denemarken, Finland, IJsland en Noorwegen inzake gerechtelijke vereffening (Noords verdrag inzake gerechtelijke vereffening)
  • Het Verdrag van 1934 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden inzake erfopvolging, testamenten en beheer van nalatenschappen (laatstelijk gewijzigd bij de wijzigingsovereenkomst van 2012)
  • Het Milieuverdrag van 1974 tussen Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

  • Het Verdrag van 1972 tussen Zweden en Noorwegen inzake begrazing door rendieren

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Het Zweedse recht kent geen bepaling op grond waarvan een rechtbank ambtshalve gehouden is vreemd recht toe te passen. Het vraagstuk is voornamelijk geregeld in de jurisprudentie, en daarin lijkt een onderscheid te worden gemaakt tussen aanvullende procedures (dispositiva mål) en dwingende procedures (indispositiva mål). Het lijkt erop dat bij aanvullende civiele procedures, waarbij partijen een geschil minnelijk kunnen schikken, vreemd recht alleen wordt toegepast wanneer een van de partijen daar een beroep op doet. Er zijn veel zaken met een duidelijk internationaal aspect geweest waarbij zonder meer Zweeds recht is toegepast zonder dat dit vragen opriep, omdat geen van de partijen een beroep deed op buitenlands recht. Daarentegen zijn er dwingende procedures geweest, bijvoorbeeld in verband met de vaststelling van het vaderschap, waarbij rechtbanken uit eigen beweging vreemd recht hebben toegepast.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

In het Zweedse internationaal privaatrecht is renvoi in de regel niet toegestaan. Hierop bestaan echter uitzonderingen, die onder meer zijn neergelegd in artikel 79, tweede alinea, van de wet inzake wisselbrieven, en in artikel 58, tweede alinea, van de wet inzake cheques, en betrekking hebben op de mogelijkheid van buitenlandse burgers om transacties te verrichten met wissels of cheques. De reden hiervoor is dat deze bepalingen zijn gebaseerd op internationale verdragen. Een andere uitzondering is opgenomen in artikel 9, tweede alinea van de wet (1981:7) betreffende de gevolgen van insolventie die zich voordoen in andere Noordse landen. Tot slot wordt renvoi toegestaan met betrekking tot de formele geldigheid van een huwelijk, conform het bepaalde in hoofdstuk 1, artikel 7, eerste alinea, van de wet (1904:26 p.1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Het Zweedse internationaal privaatrecht kent geen algemene regel voor de eventuele gevolgen van een wijziging van een aanknopingspunt, maar deze kwestie is in elke wet afzonderlijk geregeld. Zo is in artikel 4, eerste alinea, van de wet (1990:272) betreffende bepaalde internationale vraagstukken inzake het vermogensregime tussen echtgenoten en ongehuwd samenwonenden, bijvoorbeeld het volgende bepaald: "Indien er niet krachtens een overeenkomst een afspraak is gemaakt over het toepasselijke recht, is het recht van het land waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats (hemvist) vestigden toen zij huwden, van toepassing." Bovendien is in artikel 4, tweede alinea, van dezelfde wet bepaald dat: "Indien beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats vervolgens in een andere staat vestigden en daar ten minste twee jaar woonden, is het recht van die staat van toepassing."

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Volgens een algemeen beginsel van het Zweedse internationaal privaatrecht mag een bepaling van vreemd recht niet worden toegepast wanneer deze kennelijk onverenigbaar is met de grondbeginselen van het Zweedse rechtsstelsel. Bepalingen met die strekking kunnen in veel wet- en regelgeving betreffende het internationaal privaatrecht worden aangetroffen. Hieruit mag echter niet worden geconcludeerd dat voor een beperking op grond van de openbare orde een wettelijke basis noodzakelijk is. Er zijn maar zeer weinig uitspraken waarin de rechter van oordeel was dat buitenlands recht niet kon worden toegepast op grond van de openbare orde.

Doorgaans is het een zaak voor de rechterlijke macht om vast te stellen welke Zweedse rechtsregels internationaal dwingend zijn.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Indien de rechter niet bekend is met de inhoud van het buitenlandse recht dat naar zijn oordeel moet worden toegepast, heeft hij twee mogelijkheden. De rechter stelt zelf een onderzoek in of hij verzoekt een van de partijen de noodzakelijke informatie te verstrekken. Voor welke mogelijkheid wordt gekozen, is een kwestie van doelmatigheid. Wanneer de rechter besluit de zaak zelf te onderzoeken, kan hij ondersteuning krijgen van het ministerie van Justitie. Over het algemeen zal de rechtbank zich bij dwingende procedures actiever opstellen dan bij aanvullende procedures (zie boven); bij optionele procedures kan de rechtbank het onderzoek grotendeels aan de partijen overlaten.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Zweden is partij bij het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 1980. Op andere terreinen gelden specifieke conflictregels. De Rome I-verordening is in de plaats gekomen van dit verdrag en is van toepassing op overeenkomsten die vanaf 17 december 2009 zijn gesloten.

Overeenkomsten betreffende de koop van roerende zaken worden beheerst door de wet (1964:528) betreffende het recht dat van toepassing is op de koop van roerende zaken, die het resultaat is van de omzetting van het Verdrag van Den Haag van 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet. Deze wet heeft voorrang op de bepalingen van de Rome I-verordening. Consumentenovereenkomsten vallen echter niet onder deze wet. Ingevolge artikel 3 kunnen de koper en verkoper in onderlinge overeenstemming het toepasselijke recht kiezen. In artikel 4 is bepaald dat indien partijen geen toepasselijk recht kiezen, het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft van toepassing is. Een uitzondering op deze regel is wanneer de verkoper de order heeft aanvaard in het land waar de koper zijn gewone verblijfplaats heeft en wanneer er aankopen worden verricht op een beurs of tijdens een veiling.

Ook voor bepaalde consumentenovereenkomsten geldt een uitzondering op de regels van de Rome I-verordening. Bijzondere regels die tot doel hebben consumenten te beschermen tegen clausules betreffende conflictregels zijn neergelegd in artikel 48 van de Zweedse wet (1990:932) betreffende de aankoop van consumptiegoederen; in artikel 14 van de wet (1994:1512) betreffende consumentenovereenkomsten; in hoofdstuk 1, artikel 4, van de wet (2011:914) betreffende consumentenbescherming in overeenkomsten betreffende het gebruik in deeltijd van accommodaties en vakantieproducten van lange duur, en in hoofdstuk 3, artikel 14, van de wet (2005:59) betreffende de verkoop op afstand en de verkoop buiten de verkoopruimte. Op grond van deze bepalingen moet onder bepaalde omstandigheden het recht van een EER-land worden toegepast wanneer dit recht de consument betere bescherming biedt.

Er zijn specifieke regels vastgelegd met betrekking tot wisselbrieven en cheques in de artikelen 79 tot 87 van de wet (1932:130) betreffende wisselbrieven en de artikelen 58 tot 65 van de wet betreffende cheques (1932:131). Deze regels zijn gebaseerd op het Verdrag van 1930 van Genève tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes en het Verdrag van 1931 van Genève tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van cheques.

Bepaalde overeenkomsten inzake schadeverzekeringen worden beheerst door de wet (1993:645) betreffende het recht dat van toepassing is op bepaalde verzekeringsovereenkomsten.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

De vraag welk recht van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen wordt beheerst de Rome II-verordening.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

In het Zweedse internationaal privaatrecht was het bepalende aanknopingspunt voor de vaststelling van de staat van personen traditioneel altijd hun nationaliteit. Er zijn inmiddels echter zoveel zaken geweest waarin de nationaliteit haar plaats als voornaamste aanknopingspunt heeft moeten afstaan aan de gewone verblijfplaats, zodat het te betwijfelen valt of nog kan worden gesproken van één voornaamste aanknopingspunt voor de staat van personen. In het Zweedse internationaal privaatrecht wordt met het begrip de staat van personen in essentie gedoeld op kwesties in verband met de handelingsbekwaamheid en de naam van personen.

Krachtens hoofdstuk 1, artikel 1, van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij, dient de bekwaamheid om te huwen ten overstaan van een Zweedse autoriteit in beginsel vastgesteld te worden overeenkomstig het Zweedse recht wanneer een van de partijen de Zweedse nationaliteit heeft of zijn gewone verblijfplaats in Zweden heeft. Voor de Noordse landen gelden soortgelijke regels krachtens artikel 1 van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij.

Met betrekking tot voogdij en curatele zijn er bijzondere regels opgenomen in de hoofdstukken 4 en 5 van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij, en in de artikelen 14 tot 21a van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij.

In artikel 13 van Rome I-verordening is gedeeltelijk geregeld welk recht van toepassing is op de bekwaamheid om overeenkomsten te sluiten. De bekwaamheid om transacties te sluiten met wisselbrieven en cheques wordt beheerst door de bijzondere regels in artikel 79 van de wet betreffende wisselbrieven en in artikel 58 van de wet betreffende cheques.

Hoofdstuk 11, artikel 3, van het wetboek van rechtsvordering bevat een bijzondere bepaling inzake de actieve en passieve procesbevoegdheid, waarin staat dat een buitenlandse partij die in haar eigen land geen gerechtelijk proces kan voeren dat in Zweden wel mag doen als zij daartoe overeenkomstig Zweeds recht bevoegd is.

Volgens het Zweedse internationaal privaatrecht behoren kwesties in verband met namen tot het personenrecht. Dit betekent bijvoorbeeld dat het aannemen van de naam van de ene echtgenoot door de andere niet wordt aangemerkt als een zaak die verband houdt met de persoonlijke gevolgen van een huwelijk. Krachtens artikel 50 van de wet (1982:670) betreffende namen van personen, is de wet niet van toepassing op Zweedse onderdanen die hun gewone verblijfplaats in Denemarken, Noorwegen of Finland hebben. Hieruit kan a contrario worden geconcludeerd dat deze wet wel van toepassing is op Zweedse staatsburgers die ergens anders hun gewone verblijfsplaats hebben. In artikel 51 is bepaald dat deze wet ook geldt voor buitenlandse onderdanen die hun gewone verblijfplaats in Zweden hebben.

3.4 Afstamming en adoptie

In het Zweedse materieel recht wordt geen onderscheid gemaakt tussen wettige en onwettige kinderen, en het Zweedse internationaal privaatrecht kent geen specifieke verwijzingsregels om te bepalen of een kind moet worden beschouwd als binnen- of buitenechtelijk, en of een kind later kan worden erkend.

Met betrekking tot het recht dat van toepassing is op de vaststelling van het vaderschap gelden er verschillende regels voor het vermoeden van vaderschap en voor de vaststelling van het vaderschap door een rechtbank. Het vermoeden van vaderschap wordt beheerst door artikel 2 van de wet (1985:367) betreffende internationale vraagstukken inzake afstamming. Hierin is bepaald dat een man die gehuwd is of is geweest met de moeder van een kind wordt vermoed de vader van dat kind te zijn indien dit voortvloeit uit het recht van de staat waar het kind bij geboorte zijn gewone verblijfplaats had, of, wanneer volgens dat recht niemand als vader wordt beschouwd, indien dit voortvloeit uit het recht van de nationaliteit van het kind bij geboorte. Als het kind bij geboorte echter zijn gewone verblijfplaats in Zweden had, wordt het vaderschap altijd vastgesteld overeenkomstig het Zweedse recht. Indien de afstamming van een kind door een rechtbank moet worden vastgesteld, past de rechter het recht toe van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats had ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg.

Krachtens artikel 2, eerste alinea, van de wet (1971:796) betreffende internationale rechtsbetrekkingen inzake adoptie dient een Zweedse rechtbank Zweeds recht toe te passen op een adoptieverzoek. In artikel 2, tweede alinea is echter bepaald dat als het verzoek betrekking heeft op een kind van onder de 18 jaar, de rechtbank in het bijzonder moet nagaan of de aanvrager of het kind op grond van zijn nationaliteit, gewone verblijfplaats of anderszins banden heeft met een andere staat, en of dit naar verwachting problemen zal opleveren voor het kind indien de adoptie in dat land niet wordt erkend.

Wat de rechtsgevolgen van adoptie betreft, geldt dat wanneer een buitenlandse adoptiebeschikking in Zweden geldig is, het geadopteerde kind wordt beschouwd als een kind van de adoptieouders uit een Zweeds huwelijk met betrekking tot het ouderlijk gezag, voogdij en alimentatie. In het geval van erfopvolging voorziet de wet echter alleen in gelijke behandeling van het adoptiekind en de eigen kinderen van de adoptieouders als de adoptie in Zweden heeft plaatsgevonden. Als de adoptie in het buitenland heeft plaatsgevonden, wordt het erfrecht van het geadopteerde kind behandeld overeenkomstig het recht dat over het algemeen op dergelijke aanspraken van toepassing is, namelijk het recht van het land waarvan het kind de nationaliteit heeft.

Het recht van toepassing op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen wordt bepaald krachtens het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Als hoofdregel geldt dat de onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Indien het kind geen levensonderhoud van de onderhoudsplichtige kan verkrijgen, moet het recht van de staat van de rechtbank worden toegepast. Indien het kind op grond van een van deze rechtsstelsels geen levensonderhoud van de onderhoudsplichtige verkrijgen, is het recht van de staat van beide ouders, indien zij onderdaan zijn van dezelfde staat, van toepassing.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

Zie punt 3.3 hierboven voor informatie over de bekwaamheid om te huwen. Als algemene regel geldt dat een huwelijk wordt geacht naar de vorm geldig te zijn, als het geldig is in het land waar het is voltrokken (zie hoofdstuk 1, artikel 7, van de Wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij).

De rechten van partners kunnen worden onderverdeeld in twee hoofdcategorieën: de persoonlijke rechten en de rechten die onder het huwelijksvermogensregime vallen (zie punt III.6 hierboven). Het belangrijkste persoonlijke rechtsgevolg van het huwelijk is de wederzijdse onderhoudsplicht van de echtgenoten. In het Zweedse internationaal privaatrecht worden kwesties in verband met het erfrecht van echtgenoten, het aannemen van de naam van de andere echtgenoot en de onderhoudsplicht jegens de kinderen van de andere echtgenoot niet beschouwd als rechtsgevolgen van het huwelijk. Welk recht op dergelijke kwesties van toepassing is, wordt dan ook bepaald door de verwijzingsregels die gelden voor het erfrecht, namen enz.

Het toepasselijke recht op het gebied van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten wordt beheerst door het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Als hoofdregel geldt dat de onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. Indien een van de partijen zich verzet tegen de toepassing van dit recht en het recht van een andere staat, in het bijzonder dat van de staat van de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk, dan is het recht van die andere staat van toepassing.

In verband met echtscheiding is in hoofdstuk 3, artikel 4, eerste alinea, van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij bepaald dat de Zweedse rechtbanken Zweeds recht dienen toe te passen. In de tweede alinea van dit artikel wordt een uitzondering gemaakt voor gevallen waarbij beide echtgenoten buitenlands staatsburgers zijn en geen van beiden al ten minste één jaar zijn gewone verblijfplaats in Zweden heeft.

Het Zweedse materieel recht kent de rechtsfiguur scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk niet. Ook zijn er geen algemeen geldende conflictregels die in dergelijke zaken van toepassing zouden zijn. Wat de Noordse landen betreft, is in artikel 9 van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij bepaald dat rechters in zaken betreffende scheiding van tafel en bed het eigen recht moet toepassen.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Welk recht van toepassing is op het vermogen van gehuwden is vastgelegd in de wet (1990:272) betreffende internationale vraagstukken in verband met het vermogensregime tussen echtgenoten en ongehuwd samenwonenden. Overeenkomstig artikel 3 van deze wet kunnen echtgenoten of toekomstige echtgenoten die een huwelijk in een schriftelijke overeenkomst vastleggen, kiezen of hun huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van een land waar ten minste een van beiden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zijn gewone verblijfplaats heeft of door het recht van het land waarvan een van hen de nationaliteit heeft.

Indien de echtgenoten geen geldige overeenkomst hebben gesloten over het toepasselijke recht, bepaalt artikel 4 van de wet dat het toepasselijke recht het recht is van het land waar zij na hun huwelijk hun gewone verblijfplaats hebben. Wanneer beide echtgenoten vervolgens hun gewone verblijfplaats naar een ander land verplaatsen, en daar ten minste twee jaar wonen, wordt het recht van dat land toegepast. Als beide echtgenoten gedurende hun huwelijk hun gewone verblijfplaats echter al in die staat hadden, of als beiden onderdaan zijn van die staat, wordt het recht van die staat toegepast vanaf het moment dat zij daar hun gewone verblijfplaats hebben.

In artikel 5 van de wet staat dat een overeenkomst over het toepasselijke recht geldig is wanneer deze in overeenstemming is met het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten. Indien de overeenkomst wordt gesloten vóór het huwelijk, is deze geldig wanneer deze in overeenstemming is met het recht dat van toepassing wordt wanneer de echtgenoten in het huwelijk treden. Een overeenkomst over het toepasselijke recht is wat betreft de vorm geldig als deze voldoet een de formele vereisten die zijn neergelegd in het recht van de staat waar de overeenkomst is gesloten of waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben.

Wat de Noordse landen betreft, zijn bijzondere regels van toepassing die zijn vastgelegd in het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij.

3.7 Erfrecht

Welk recht van toepassing is met betrekking tot erfopvolging en testamenten is geregeld in Verordening (EG) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring. De conflictregels van deze verordening zijn geldig ongeacht of er een internationale band met een lidstaat of met een andere staat bestaat.

In hoofdstuk 2, artikel 3, van de wet (2015:xxx) betreffende erfopvolging in zaken met een internationaal element, tot omzetting van het Verdrag van 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, zijn bepaalde bijzondere bepalingen opgenomen over de formele geldigheid van een testament. Testamenten worden geacht naar de vorm geldig te zijn als zij voldoen aan de formele vereisten van het recht van het land waar het testament werd opgemaakt of het recht van de nationaliteit dat de erflater had ten tijde van het opmaken van het testament of bij het overlijden. Een testament dat betrekking heeft op onroerende zaken wordt ook naar de vorm geacht geldig te zijn als het voldoet aan de formele vereisten van het recht van het land waar de onroerende zaken zich bevinden. Voor de herroeping van een testament gelden dezelfde regels. De herroeping van een testament wordt eveneens geacht naar de vorm geldig te zijn wanneer wordt voldaan aan de vormvereisten van een van de rechtsstelsels op grond waarvan het testament naar de vorm geldig was.

3.8 Goederenrecht

In het goederenrecht zijn er slechts voor bepaalde gevallen geschreven verwijzingsregels, namelijk bij goederen die verband houden met schepen en vliegtuigen, effecten, en cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze zijn weggehaald, en in bepaalde situaties die worden beheerst door het Noords faillissementsverdrag en de verordening betreffende insolventieprocedures.

De goederenrechtelijke gevolgen van bijvoorbeeld het kopen of verhypothekeren van roerende of onroerende zaken dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het recht van het land waar de zaak zich bevindt ten tijde van het kopen of verhypothekeren. Volgens dat recht wordt de aard van de zakelijke rechten bepaald, evenals de vraag hoe een zakelijk recht tot stand komt en tenietgaat, welke formele vereisten er gelden en welke rechten aan het zakelijk recht worden ontleend jegens derden.

Met betrekking tot buitenlandse zekerheidsrechten is in de jurisprudentie vastgelegd dat als de verkoper op het moment dat het zekerheidsrecht ontstond, wist dat het goed naar Zweden zou worden overgebracht en dat het zekerheidsrecht in Zweden niet geldig zou zijn, de verkoper in plaats daarvan een zekerheid had moeten verkrijgen die wel aan de in de Zweedse wet neergelegde vereisten zou voldoen. Daarnaast kan een buitenlands zekerheidsrecht geen rechtsgevolgen hebben na het verstrijken van een bepaalde termijn nadat het goed naar Zweden is gebracht. In dat geval is de overweging dat de buitenlandse schuldeiser voldoende tijd heeft gehad om een nieuwe zekerheid te verkrijgen dan wel om de schuld in te vorderen.

3.9 Insolventie

Bij een Zweeds faillissement is het Zweedse recht van toepassing op de eigenlijke procedures en op overige kwesties in verband met insolventie, zoals bijvoorbeeld de voorwaarden voor het inleiden van de faillissementsprocedure.

Wat de Noordse landen betreft, bestaan er specifieke bepalingen ten aanzien van het toepasselijke recht die zijn gebaseerd op het Noords verdrag inzake gerechtelijke vereffening van 1933, dat is omgezet in Zweeds recht door de wet van 1981. Bij zaken met betrekking tot Finland wordt de insolventieverordening (zie hierboven) toegepast en in het geval van IJsland worden beslissingen genomen op basis van nog oudere wetten van 1934. De belangrijkste regel van het verdrag is dat een insolventieprocedure in een verdragsluitende staat eveneens betrekking heeft op de goederen van de schuldenaar die zich in een andere verdragsluitende staat bevinden. Ten aanzien van deze goederen geldt de algemene regel dat kwesties zoals bijvoorbeeld het recht van de schuldenaar om over zijn goederen te beschikken en wat in de boedel moet worden opgenomen, over het algemeen beheerst worden door het recht van het land waar de faillissementsprocedure wordt gevoerd.

In de EU-verordening inzake insolventieprocedures zijn bijzondere regels opgenomen voor de gevallen waarbij andere lidstaten zijn betrokken.

Laatste update: 13/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.