Van welk land is de wetgeving van toepassing?

Zweden
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Het Zweedse internationaal privaatrecht is slechts gedeeltelijk gecodificeerd en bestaat uit een combinatie van geschreven recht en jurisprudentie. Het geschreven recht heeft hoofdzakelijk tot doel uitvoering te geven aan de internationale verdragen waarbij Zweden partij is. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wetgeving.

Huwelijk en kinderen

  • Hoofdstuk 3, de artikelen 4 en 6, van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij (IÄL)
  • De artikelen 9, 12 en 13 van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij (NÄF)
  • Artikel 2 van de wet (1971:796) betreffende internationale rechtsbetrekkingen inzake adoptie (IÄL)
  • De artikelen 2, 3 en 6 van de wet (1985:367) betreffende internationale vraagstukken inzake afstamming (IFL).
  • De artikelen 3 tot 5 van de wet (1990:272) betreffende internationale vraagstukken inzake het vermogensregime tussen echtgenoten en ongehuwd samenwonenden (LIMF)
  • Artikel 1 van de wet (2012.318) betreffende het Verdrag van Den Haag van 1996 en de artikelen 15 tot 22 van datzelfde Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen
  • Artikel 15 van Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (verordening inzake onderhoudsverplichtingen) en het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen

Nalatenschappen

  • De artikelen 20 tot 38 van Verordening (EG) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

Overeenkomsten en koop

  • Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten (Rome I-verordening).
  • De artikelen 79 tot 87 van de wet (1932:130) betreffende wisselbrieven
  • De artikelen 58 tot 65 van de wet (1932:131) betreffende cheques
  • De wet (1964:528) betreffende het recht dat van toepassing is op de aankoop van onroerende zaken (IKL)
  • De artikelen 25a, 31a en 42a van de wet (1976:580) betreffende medezeggenschap op het werk (MBL)
  • De wet (1993:645) betreffende het recht dat van toepassing is op bepaalde verzekeringsovereenkomsten
  • Hoofdstuk 13, artikel 4, en hoofdstuk 14, artikel 2, van de scheepvaartwet (1994:1009)
  • Artikel 14 van de wet (1994:1512) betreffende consumentenovereenkomsten
  • Hoofdstuk 1, artikel 4, van wet (2011:914) betreffende consumentenbescherming in overeenkomsten betreffende het gebruik in deeltijd van accommodaties en vakantieproducten van lange duur
  • Hoofdstuk 3, artikel 14, van de wet betreffende verkoop op afstand en verkoop buiten de verkoopruimte (2005:59)
  • Artikel 48 van de consumentenwet (1990:932)

Wettelijke aansprakelijkheid

  • Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening)
  • De artikelen 8, 14 en 38 van de wet (1975:1410) betreffende schade als gevolg van verkeersongevallen
  • Artikel 1 van de wet (1972:114) in samenhang met het Verdrag van 9 februari 1972 tussen Zweden en Noorwegen inzake begrazing door rendieren
  • Artikel 1 van de wet (1974:268) in samenhang met het Milieuverdrag van 19 februari 1974 tussen Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden

Insolventiewetgeving

  • De artikelen 4, 8 tot 11, 14, 15, 28 en 43 van Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (insolventieverordening) (het Europees Parlement en de Raad hebben een herziening van deze verordening aangenomen, die in de zomer van 2015 in werking is getreden)
  • De artikelen 1, 3 en 5 tot 8 van de wet (1934:67) tot vaststelling van regels betreffende faillissement voor goederen die zich bevinden op het grondgebied van Denemarken, Finland, IJsland of Noorwegen
  • De artikelen 1, 4 tot 9 en 13 van de wet (1934:68) betreffende de gevolgen van faillissementen in Denemarken, Finland, IJsland of Noorwegen
  • De artikelen 1, 3 tot 8 en 12 van de wet (1981:6) betreffende faillissementen met betrekking tot goederen in een ander Noords land
  • De artikelen 1, 4 tot 9, 13 en 14 van de wet (1981:7) betreffende de uitvoering van faillissementen die zich voordoen in een ander Noords land

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Zweden is partij bij de hieronder vermelde multilaterale internationale verdragen die bepalingen bevatten over het toepasselijke recht. Zweden heeft ten aanzien van internationale verdragen een dualistische opvatting, dat wil zeggen dat multilaterale verdragen volledig in het nationale recht worden opgenomen (zie hierboven).

Volkenbond

  • Het Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes van 1930
  • Het Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van cheques van 1931

De Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht

  • Het Verdrag van 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet
  • Het Verdrag van 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen
  • Het Verdrag van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen
  • Het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen

Europese Unie

  • Het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 1980 (voor overeenkomsten die vanaf 17 december 2009 zijn gesloten geldt de Rome I-verordening in plaats van dat verdrag)

Noordse verdragen

  • Het Verdrag van 1931 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden houdende bepalingen van het internationaal privaatrecht inzake huwelijk, adoptie en voogdij (laatstelijk gewijzigd bij de wijzigingsovereenkomst van 2006)
  • Het Verdrag van 1933 tussen Zweden, Denemarken, Finland, IJsland en Noorwegen inzake gerechtelijke vereffening (Noords verdrag inzake gerechtelijke vereffening)
  • Het Verdrag van 1934 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden inzake erfopvolging, testamenten en beheer van nalatenschappen (laatstelijk gewijzigd bij de wijzigingsovereenkomst van 2012)
  • Het Milieuverdrag van 1974 tussen Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

  • Het Verdrag van 1972 tussen Zweden en Noorwegen inzake begrazing door rendieren

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Het Zweedse recht kent geen bepaling op grond waarvan een rechtbank ambtshalve gehouden is vreemd recht toe te passen. Het vraagstuk is voornamelijk geregeld in de jurisprudentie, en daarin lijkt een onderscheid te worden gemaakt tussen aanvullende procedures (dispositiva mål) en dwingende procedures (indispositiva mål). Het lijkt erop dat bij aanvullende civiele procedures, waarbij partijen een geschil minnelijk kunnen schikken, vreemd recht alleen wordt toegepast wanneer een van de partijen daar een beroep op doet. Er zijn veel zaken met een duidelijk internationaal aspect geweest waarbij zonder meer Zweeds recht is toegepast zonder dat dit vragen opriep, omdat geen van de partijen een beroep deed op buitenlands recht. Daarentegen zijn er dwingende procedures geweest, bijvoorbeeld in verband met de vaststelling van het vaderschap, waarbij rechtbanken uit eigen beweging vreemd recht hebben toegepast.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

In het Zweedse internationaal privaatrecht is renvoi in de regel niet toegestaan. Hierop bestaan echter uitzonderingen, die onder meer zijn neergelegd in artikel 79, tweede alinea, van de wet inzake wisselbrieven, en in artikel 58, tweede alinea, van de wet inzake cheques, en betrekking hebben op de mogelijkheid van buitenlandse burgers om transacties te verrichten met wissels of cheques. De reden hiervoor is dat deze bepalingen zijn gebaseerd op internationale verdragen. Een andere uitzondering is opgenomen in artikel 9, tweede alinea van de wet (1981:7) betreffende de gevolgen van insolventie die zich voordoen in andere Noordse landen. Tot slot wordt renvoi toegestaan met betrekking tot de formele geldigheid van een huwelijk, conform het bepaalde in hoofdstuk 1, artikel 7, eerste alinea, van de wet (1904:26 p.1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Het Zweedse internationaal privaatrecht kent geen algemene regel voor de eventuele gevolgen van een wijziging van een aanknopingspunt, maar deze kwestie is in elke wet afzonderlijk geregeld. Zo is in artikel 4, eerste alinea, van de wet (1990:272) betreffende bepaalde internationale vraagstukken inzake het vermogensregime tussen echtgenoten en ongehuwd samenwonenden, bijvoorbeeld het volgende bepaald: "Indien er niet krachtens een overeenkomst een afspraak is gemaakt over het toepasselijke recht, is het recht van het land waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats (hemvist) vestigden toen zij huwden, van toepassing." Bovendien is in artikel 4, tweede alinea, van dezelfde wet bepaald dat: "Indien beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats vervolgens in een andere staat vestigden en daar ten minste twee jaar woonden, is het recht van die staat van toepassing."

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Volgens een algemeen beginsel van het Zweedse internationaal privaatrecht mag een bepaling van vreemd recht niet worden toegepast wanneer deze kennelijk onverenigbaar is met de grondbeginselen van het Zweedse rechtsstelsel. Bepalingen met die strekking kunnen in veel wet- en regelgeving betreffende het internationaal privaatrecht worden aangetroffen. Hieruit mag echter niet worden geconcludeerd dat voor een beperking op grond van de openbare orde een wettelijke basis noodzakelijk is. Er zijn maar zeer weinig uitspraken waarin de rechter van oordeel was dat buitenlands recht niet kon worden toegepast op grond van de openbare orde.

Doorgaans is het een zaak voor de rechterlijke macht om vast te stellen welke Zweedse rechtsregels internationaal dwingend zijn.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Indien de rechter niet bekend is met de inhoud van het buitenlandse recht dat naar zijn oordeel moet worden toegepast, heeft hij twee mogelijkheden. De rechter stelt zelf een onderzoek in of hij verzoekt een van de partijen de noodzakelijke informatie te verstrekken. Voor welke mogelijkheid wordt gekozen, is een kwestie van doelmatigheid. Wanneer de rechter besluit de zaak zelf te onderzoeken, kan hij ondersteuning krijgen van het ministerie van Justitie. Over het algemeen zal de rechtbank zich bij dwingende procedures actiever opstellen dan bij aanvullende procedures (zie boven); bij optionele procedures kan de rechtbank het onderzoek grotendeels aan de partijen overlaten.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Zweden is partij bij het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 1980. Op andere terreinen gelden specifieke conflictregels. De Rome I-verordening is in de plaats gekomen van dit verdrag en is van toepassing op overeenkomsten die vanaf 17 december 2009 zijn gesloten.

Overeenkomsten betreffende de koop van roerende zaken worden beheerst door de wet (1964:528) betreffende het recht dat van toepassing is op de koop van roerende zaken, die het resultaat is van de omzetting van het Verdrag van Den Haag van 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet. Deze wet heeft voorrang op de bepalingen van de Rome I-verordening. Consumentenovereenkomsten vallen echter niet onder deze wet. Ingevolge artikel 3 kunnen de koper en verkoper in onderlinge overeenstemming het toepasselijke recht kiezen. In artikel 4 is bepaald dat indien partijen geen toepasselijk recht kiezen, het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft van toepassing is. Een uitzondering op deze regel is wanneer de verkoper de order heeft aanvaard in het land waar de koper zijn gewone verblijfplaats heeft en wanneer er aankopen worden verricht op een beurs of tijdens een veiling.

Ook voor bepaalde consumentenovereenkomsten geldt een uitzondering op de regels van de Rome I-verordening. Bijzondere regels die tot doel hebben consumenten te beschermen tegen clausules betreffende conflictregels zijn neergelegd in artikel 48 van de Zweedse wet (1990:932) betreffende de aankoop van consumptiegoederen; in artikel 14 van de wet (1994:1512) betreffende consumentenovereenkomsten; in hoofdstuk 1, artikel 4, van de wet (2011:914) betreffende consumentenbescherming in overeenkomsten betreffende het gebruik in deeltijd van accommodaties en vakantieproducten van lange duur, en in hoofdstuk 3, artikel 14, van de wet (2005:59) betreffende de verkoop op afstand en de verkoop buiten de verkoopruimte. Op grond van deze bepalingen moet onder bepaalde omstandigheden het recht van een EER-land worden toegepast wanneer dit recht de consument betere bescherming biedt.

Er zijn specifieke regels vastgelegd met betrekking tot wisselbrieven en cheques in de artikelen 79 tot 87 van de wet (1932:130) betreffende wisselbrieven en de artikelen 58 tot 65 van de wet betreffende cheques (1932:131). Deze regels zijn gebaseerd op het Verdrag van 1930 van Genève tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes en het Verdrag van 1931 van Genève tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van cheques.

Bepaalde overeenkomsten inzake schadeverzekeringen worden beheerst door de wet (1993:645) betreffende het recht dat van toepassing is op bepaalde verzekeringsovereenkomsten.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

De vraag welk recht van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen wordt beheerst de Rome II-verordening.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

In het Zweedse internationaal privaatrecht was het bepalende aanknopingspunt voor de vaststelling van de staat van personen traditioneel altijd hun nationaliteit. Er zijn inmiddels echter zoveel zaken geweest waarin de nationaliteit haar plaats als voornaamste aanknopingspunt heeft moeten afstaan aan de gewone verblijfplaats, zodat het te betwijfelen valt of nog kan worden gesproken van één voornaamste aanknopingspunt voor de staat van personen. In het Zweedse internationaal privaatrecht wordt met het begrip de staat van personen in essentie gedoeld op kwesties in verband met de handelingsbekwaamheid en de naam van personen.

Krachtens hoofdstuk 1, artikel 1, van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij, dient de bekwaamheid om te huwen ten overstaan van een Zweedse autoriteit in beginsel vastgesteld te worden overeenkomstig het Zweedse recht wanneer een van de partijen de Zweedse nationaliteit heeft of zijn gewone verblijfplaats in Zweden heeft. Voor de Noordse landen gelden soortgelijke regels krachtens artikel 1 van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij.

Met betrekking tot voogdij en curatele zijn er bijzondere regels opgenomen in de hoofdstukken 4 en 5 van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij, en in de artikelen 14 tot 21a van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij.

In artikel 13 van Rome I-verordening is gedeeltelijk geregeld welk recht van toepassing is op de bekwaamheid om overeenkomsten te sluiten. De bekwaamheid om transacties te sluiten met wisselbrieven en cheques wordt beheerst door de bijzondere regels in artikel 79 van de wet betreffende wisselbrieven en in artikel 58 van de wet betreffende cheques.

Hoofdstuk 11, artikel 3, van het wetboek van rechtsvordering bevat een bijzondere bepaling inzake de actieve en passieve procesbevoegdheid, waarin staat dat een buitenlandse partij die in haar eigen land geen gerechtelijk proces kan voeren dat in Zweden wel mag doen als zij daartoe overeenkomstig Zweeds recht bevoegd is.

Volgens het Zweedse internationaal privaatrecht behoren kwesties in verband met namen tot het personenrecht. Dit betekent bijvoorbeeld dat het aannemen van de naam van de ene echtgenoot door de andere niet wordt aangemerkt als een zaak die verband houdt met de persoonlijke gevolgen van een huwelijk. Krachtens artikel 50 van de wet (1982:670) betreffende namen van personen, is de wet niet van toepassing op Zweedse onderdanen die hun gewone verblijfplaats in Denemarken, Noorwegen of Finland hebben. Hieruit kan a contrario worden geconcludeerd dat deze wet wel van toepassing is op Zweedse staatsburgers die ergens anders hun gewone verblijfsplaats hebben. In artikel 51 is bepaald dat deze wet ook geldt voor buitenlandse onderdanen die hun gewone verblijfplaats in Zweden hebben.

3.4 Afstamming en adoptie

In het Zweedse materieel recht wordt geen onderscheid gemaakt tussen wettige en onwettige kinderen, en het Zweedse internationaal privaatrecht kent geen specifieke verwijzingsregels om te bepalen of een kind moet worden beschouwd als binnen- of buitenechtelijk, en of een kind later kan worden erkend.

Met betrekking tot het recht dat van toepassing is op de vaststelling van het vaderschap gelden er verschillende regels voor het vermoeden van vaderschap en voor de vaststelling van het vaderschap door een rechtbank. Het vermoeden van vaderschap wordt beheerst door artikel 2 van de wet (1985:367) betreffende internationale vraagstukken inzake afstamming. Hierin is bepaald dat een man die gehuwd is of is geweest met de moeder van een kind wordt vermoed de vader van dat kind te zijn indien dit voortvloeit uit het recht van de staat waar het kind bij geboorte zijn gewone verblijfplaats had, of, wanneer volgens dat recht niemand als vader wordt beschouwd, indien dit voortvloeit uit het recht van de nationaliteit van het kind bij geboorte. Als het kind bij geboorte echter zijn gewone verblijfplaats in Zweden had, wordt het vaderschap altijd vastgesteld overeenkomstig het Zweedse recht. Indien de afstamming van een kind door een rechtbank moet worden vastgesteld, past de rechter het recht toe van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats had ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg.

Krachtens artikel 2, eerste alinea, van de wet (1971:796) betreffende internationale rechtsbetrekkingen inzake adoptie dient een Zweedse rechtbank Zweeds recht toe te passen op een adoptieverzoek. In artikel 2, tweede alinea is echter bepaald dat als het verzoek betrekking heeft op een kind van onder de 18 jaar, de rechtbank in het bijzonder moet nagaan of de aanvrager of het kind op grond van zijn nationaliteit, gewone verblijfplaats of anderszins banden heeft met een andere staat, en of dit naar verwachting problemen zal opleveren voor het kind indien de adoptie in dat land niet wordt erkend.

Wat de rechtsgevolgen van adoptie betreft, geldt dat wanneer een buitenlandse adoptiebeschikking in Zweden geldig is, het geadopteerde kind wordt beschouwd als een kind van de adoptieouders uit een Zweeds huwelijk met betrekking tot het ouderlijk gezag, voogdij en alimentatie. In het geval van erfopvolging voorziet de wet echter alleen in gelijke behandeling van het adoptiekind en de eigen kinderen van de adoptieouders als de adoptie in Zweden heeft plaatsgevonden. Als de adoptie in het buitenland heeft plaatsgevonden, wordt het erfrecht van het geadopteerde kind behandeld overeenkomstig het recht dat over het algemeen op dergelijke aanspraken van toepassing is, namelijk het recht van het land waarvan het kind de nationaliteit heeft.

Het recht van toepassing op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen wordt bepaald krachtens het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Als hoofdregel geldt dat de onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Indien het kind geen levensonderhoud van de onderhoudsplichtige kan verkrijgen, moet het recht van de staat van de rechtbank worden toegepast. Indien het kind op grond van een van deze rechtsstelsels geen levensonderhoud van de onderhoudsplichtige verkrijgen, is het recht van de staat van beide ouders, indien zij onderdaan zijn van dezelfde staat, van toepassing.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

Zie punt 3.3 hierboven voor informatie over de bekwaamheid om te huwen. Als algemene regel geldt dat een huwelijk wordt geacht naar de vorm geldig te zijn, als het geldig is in het land waar het is voltrokken (zie hoofdstuk 1, artikel 7, van de Wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij).

De rechten van partners kunnen worden onderverdeeld in twee hoofdcategorieën: de persoonlijke rechten en de rechten die onder het huwelijksvermogensregime vallen (zie punt III.6 hierboven). Het belangrijkste persoonlijke rechtsgevolg van het huwelijk is de wederzijdse onderhoudsplicht van de echtgenoten. In het Zweedse internationaal privaatrecht worden kwesties in verband met het erfrecht van echtgenoten, het aannemen van de naam van de andere echtgenoot en de onderhoudsplicht jegens de kinderen van de andere echtgenoot niet beschouwd als rechtsgevolgen van het huwelijk. Welk recht op dergelijke kwesties van toepassing is, wordt dan ook bepaald door de verwijzingsregels die gelden voor het erfrecht, namen enz.

Het toepasselijke recht op het gebied van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten wordt beheerst door het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Als hoofdregel geldt dat de onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. Indien een van de partijen zich verzet tegen de toepassing van dit recht en het recht van een andere staat, in het bijzonder dat van de staat van de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk, dan is het recht van die andere staat van toepassing.

In verband met echtscheiding is in hoofdstuk 3, artikel 4, eerste alinea, van de wet (1904:26 s. 1) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk en voogdij bepaald dat de Zweedse rechtbanken Zweeds recht dienen toe te passen. In de tweede alinea van dit artikel wordt een uitzondering gemaakt voor gevallen waarbij beide echtgenoten buitenlands staatsburgers zijn en geen van beiden al ten minste één jaar zijn gewone verblijfplaats in Zweden heeft.

Het Zweedse materieel recht kent de rechtsfiguur scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk niet. Ook zijn er geen algemeen geldende conflictregels die in dergelijke zaken van toepassing zouden zijn. Wat de Noordse landen betreft, is in artikel 9 van het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij bepaald dat rechters in zaken betreffende scheiding van tafel en bed het eigen recht moet toepassen.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Welk recht van toepassing is op het vermogen van gehuwden is vastgelegd in de wet (1990:272) betreffende internationale vraagstukken in verband met het vermogensregime tussen echtgenoten en ongehuwd samenwonenden. Overeenkomstig artikel 3 van deze wet kunnen echtgenoten of toekomstige echtgenoten die een huwelijk in een schriftelijke overeenkomst vastleggen, kiezen of hun huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van een land waar ten minste een van beiden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zijn gewone verblijfplaats heeft of door het recht van het land waarvan een van hen de nationaliteit heeft.

Indien de echtgenoten geen geldige overeenkomst hebben gesloten over het toepasselijke recht, bepaalt artikel 4 van de wet dat het toepasselijke recht het recht is van het land waar zij na hun huwelijk hun gewone verblijfplaats hebben. Wanneer beide echtgenoten vervolgens hun gewone verblijfplaats naar een ander land verplaatsen, en daar ten minste twee jaar wonen, wordt het recht van dat land toegepast. Als beide echtgenoten gedurende hun huwelijk hun gewone verblijfplaats echter al in die staat hadden, of als beiden onderdaan zijn van die staat, wordt het recht van die staat toegepast vanaf het moment dat zij daar hun gewone verblijfplaats hebben.

In artikel 5 van de wet staat dat een overeenkomst over het toepasselijke recht geldig is wanneer deze in overeenstemming is met het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten. Indien de overeenkomst wordt gesloten vóór het huwelijk, is deze geldig wanneer deze in overeenstemming is met het recht dat van toepassing wordt wanneer de echtgenoten in het huwelijk treden. Een overeenkomst over het toepasselijke recht is wat betreft de vorm geldig als deze voldoet een de formele vereisten die zijn neergelegd in het recht van de staat waar de overeenkomst is gesloten of waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben.

Wat de Noordse landen betreft, zijn bijzondere regels van toepassing die zijn vastgelegd in het besluit (1931:429) betreffende bepaalde internationale rechtsbetrekkingen inzake huwelijk, adoptie en voogdij.

3.7 Erfrecht

Welk recht van toepassing is met betrekking tot erfopvolging en testamenten is geregeld in Verordening (EG) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring. De conflictregels van deze verordening zijn geldig ongeacht of er een internationale band met een lidstaat of met een andere staat bestaat.

In hoofdstuk 2, artikel 3, van de wet (2015:xxx) betreffende erfopvolging in zaken met een internationaal element, tot omzetting van het Verdrag van 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, zijn bepaalde bijzondere bepalingen opgenomen over de formele geldigheid van een testament. Testamenten worden geacht naar de vorm geldig te zijn als zij voldoen aan de formele vereisten van het recht van het land waar het testament werd opgemaakt of het recht van de nationaliteit dat de erflater had ten tijde van het opmaken van het testament of bij het overlijden. Een testament dat betrekking heeft op onroerende zaken wordt ook naar de vorm geacht geldig te zijn als het voldoet aan de formele vereisten van het recht van het land waar de onroerende zaken zich bevinden. Voor de herroeping van een testament gelden dezelfde regels. De herroeping van een testament wordt eveneens geacht naar de vorm geldig te zijn wanneer wordt voldaan aan de vormvereisten van een van de rechtsstelsels op grond waarvan het testament naar de vorm geldig was.

3.8 Goederenrecht

In het goederenrecht zijn er slechts voor bepaalde gevallen geschreven verwijzingsregels, namelijk bij goederen die verband houden met schepen en vliegtuigen, effecten, en cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze zijn weggehaald, en in bepaalde situaties die worden beheerst door het Noords faillissementsverdrag en de verordening betreffende insolventieprocedures.

De goederenrechtelijke gevolgen van bijvoorbeeld het kopen of verhypothekeren van roerende of onroerende zaken dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het recht van het land waar de zaak zich bevindt ten tijde van het kopen of verhypothekeren. Volgens dat recht wordt de aard van de zakelijke rechten bepaald, evenals de vraag hoe een zakelijk recht tot stand komt en tenietgaat, welke formele vereisten er gelden en welke rechten aan het zakelijk recht worden ontleend jegens derden.

Met betrekking tot buitenlandse zekerheidsrechten is in de jurisprudentie vastgelegd dat als de verkoper op het moment dat het zekerheidsrecht ontstond, wist dat het goed naar Zweden zou worden overgebracht en dat het zekerheidsrecht in Zweden niet geldig zou zijn, de verkoper in plaats daarvan een zekerheid had moeten verkrijgen die wel aan de in de Zweedse wet neergelegde vereisten zou voldoen. Daarnaast kan een buitenlands zekerheidsrecht geen rechtsgevolgen hebben na het verstrijken van een bepaalde termijn nadat het goed naar Zweden is gebracht. In dat geval is de overweging dat de buitenlandse schuldeiser voldoende tijd heeft gehad om een nieuwe zekerheid te verkrijgen dan wel om de schuld in te vorderen.

3.9 Insolventie

Bij een Zweeds faillissement is het Zweedse recht van toepassing op de eigenlijke procedures en op overige kwesties in verband met insolventie, zoals bijvoorbeeld de voorwaarden voor het inleiden van de faillissementsprocedure.

Wat de Noordse landen betreft, bestaan er specifieke bepalingen ten aanzien van het toepasselijke recht die zijn gebaseerd op het Noords verdrag inzake gerechtelijke vereffening van 1933, dat is omgezet in Zweeds recht door de wet van 1981. Bij zaken met betrekking tot Finland wordt de insolventieverordening (zie hierboven) toegepast en in het geval van IJsland worden beslissingen genomen op basis van nog oudere wetten van 1934. De belangrijkste regel van het verdrag is dat een insolventieprocedure in een verdragsluitende staat eveneens betrekking heeft op de goederen van de schuldenaar die zich in een andere verdragsluitende staat bevinden. Ten aanzien van deze goederen geldt de algemene regel dat kwesties zoals bijvoorbeeld het recht van de schuldenaar om over zijn goederen te beschikken en wat in de boedel moet worden opgenomen, over het algemeen beheerst worden door het recht van het land waar de faillissementsprocedure wordt gevoerd.

In de EU-verordening inzake insolventieprocedures zijn bijzondere regels opgenomen voor de gevallen waarbij andere lidstaten zijn betrokken.

Laatste update: 13/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Feedback

Met onderstaand formulier kunt u ons opmerkingen en feedback sturen over onze nieuwe website