Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Ests) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar
Swipe to change

Van welk land is de wetgeving van toepassing?

Estland
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Kwesties met betrekking tot het toepasselijke recht worden voornamelijk beheerst door de wet inzake het internationaal privaatrecht (la rahvusvahelise eraõiguse seadus, hierna de "IPR-wet" genoemd). Vóór de inwerkingtreding van deze wet op 1 juli 2002 waren kwesties betreffende het toepasselijke recht geregeld in de wet inzake het algemene deel van het burgerlijk wetboek (tsiviilseadustiku üldosa seadus). In plaats daarvan wordt nu in bijna alle zaken op grond van de wet inzake het verbintenissenrecht (võlaõigusseadus), de wet inzake het algemene deel van het burgerlijk wetboek en artikel 24 van de uitvoeringswet van de wet inzake het internationaal privaatrecht (rahvusvahelise eraõiguse seaduse rakendamise seadus), de IPR-wet toegepast.

Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de regels van het Unierecht voorrang hebben boven de nationale rechtsregels, alsook met het beginsel van artikel 123 van de Grondwet van de Republiek Estland, dat inhoudt dat bij tegenstrijdigheden tussen Estlandse wetten of andere rechtsinstrumenten en een internationaal verdrag, het internationale verdrag wordt toegepast. Estland heeft ook vier verdragen inzake rechtshulp gesloten: met Rusland, Oekraïne, Polen en met Letland en Litouwen. Ook in deze verdragen zijn kwesties betreffende het toepasselijke recht geregeld.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

  • Verdrag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen, ondertekend te Den Haag op 5 oktober 1961;
  • Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ondertekend te Rome op 19 juni 1980;
  • Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ondertekend te Den Haag op 19 oktober 1996;
  • Protocol inzake het recht van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ondertekend te Den Haag op 23 november 2007.

Aanvullende informatie is te vinden in het Officiële Publicatieblad.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

  • Overeenkomst tussen de Republiek Letland, de Republiek Estland en de Republiek Litouwen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen, ondertekend te Tallinn op 11 november 1992;
  • Overeenkomst tussen de Republiek Estland en de Russische Federatie inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, gezins- en strafzaken, ondertekend te Moskou op 26 januari 1993;
  • Overeenkomst tussen de Republiek Estland en Oekraïne inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Kiev op 15 februari 1995;
  • Overeenkomst tussen de Republiek Estland en de Republiek Polen inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Tallinn op 27 november 1998.

Aanvullende informatie is te vinden in het Officiële Publicatieblad.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Indien vreemd recht van toepassing is op grond van een wet, een internationale overeenkomst of een transactie, past de rechter dat recht toe ongeacht of daartoe een verzoek is ingediend. De verplichting van de rechter om het vreemde recht toe te passen, is dus niet afhankelijk van het feit of een van de partijen het vreemde recht inroept (artikel 2, lid 1, van de IPR-wet).

In verschillende civiele procedures met betrekking tot zaken waarbij de partijen de mogelijkheid hadden het toepasselijke recht te kiezen, heeft de Estlandse rechter niettemin het Estlandse recht toegepast in plaats van het vreemde recht, uitgaande van het principe dat de partijen uitdrukkelijk afstand hadden gedaan van hun recht om het vreemde recht te kiezen.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Wanneer in de IPR-wet is bepaald dat het recht van een andere staat van toepassing is, zijn de regels van het internationaal privaatrecht van dat land van toepassing. Wanneer volgens deze regels het Estlandse recht van toepassing is, worden de regels van het Estlandse materiële recht toegepast (artikel 6, lid 1, van de IPR-wet).

Hieruit volgt dat wanneer het vreemde recht terugverwijst naar het Estlandse recht, de bepalingen van het Estlandse materiële recht van toepassing zijn.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Het ontstaan en tenietgaan van zakelijke rechten wordt beheerst door het recht van het land waar de zaak zich bevond op het tijdstip dat het betrokken zakelijke recht ontstond of teniet ging (artikel 18, lid 1, van de IPR-wet). Dit betekent dat wanneer een zaak na het ontstaan of tenietgaan van een zakelijk recht wordt verplaatst, het toepasselijke recht op die zaak ook wijzigt. De handelingsbevoegdheid en de handelingsbekwaamheid van een natuurlijk persoon worden beheerst door het recht van het land waar de persoon zijn verblijfplaats heeft (artikel 12, lid 1, van de IPR-wet). Wanneer de betrokken persoon zijn verblijfplaats in een ander land vestigt, wijzigt daarmee tevens het recht dat van toepassing is op zijn handelingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid. Het Estlandse internationaal privaatrecht bepaalt niettemin dat een wijziging van de verblijfplaats geen invloed heeft op de reeds verworven handelingsbekwaamheid (artikel 12, lid 3, van de IPR-wet).

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Vreemd recht wordt niet toegepast indien dat recht duidelijk in strijd is met de belangrijkste beginselen van het Estlandse recht (de openbare orde). In dergelijk gevallen wordt het Estlandse recht toegepast (artikel 7 van de IPR-wet).

Het feit dat het vreemde recht een bepaling bevat die niet in het Estlandse recht is vastgelegd, is daarbij niet bepalend; krachtens de exceptie van openbare orde wordt het Estlandse recht in plaats van het vreemde recht toegepast wanneer dit vreemde recht duidelijk in strijd is met de belangrijkste beginselen van het Estlandse recht.

In de wetgeving inzake contractuele verbintenissen is eveneens bepaald dat de bepalingen van het desbetreffende hoofdstuk van de IPR-wet de toepassing van dergelijke bepalingen van het Estlandse recht onverlet laat, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst (artikel 31 van de IPR-wet). Verder is in artikel 32, lid 3, van de IPR-wet bepaald dat dat wanneer partijen gekozen hebben om een overeenkomst aan vreemd recht te onderwerpen, ongeacht of zij daarbij hebben gekozen voor de bevoegdheid van een buitenlandse rechtbank, dit feit geen afbreuk doet, indien alle relevante elementen betreffende de overeenkomst op het ogenblik van de rechtskeuze slechts aan een enkel land zijn verbonden, aan de toepassing van de rechtsregels van dat land, waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken (dwingende bepalingen).

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

Hoewel de rechter volgens een algemeen beginsel het vreemde recht moet toepassen dat op grond van een wet, een internationale overeenkomst of een transactie toepasselijk is, ongeacht of daartoe een verzoek is gedaan (artikel 2, lid 1, van de IPR-wet), kunnen de autoriteiten en de rechtbanken voor de vaststelling van de inhoud van het vreemde recht medewerking vragen van de partijen en overheidsinstanties.

De partijen kunnen stukken indienen bij de rechtbank voor de vaststelling van de inhoud van het vreemde recht, maar de rechter is niet gebonden de door de partijen ingediende stukken in overweging te nemen (artikel 4, lid 2, van de IPR-wet). Bovendien kan de rechter informatie opvragen bij het Estlandse ministerie van Justitie of het ministerie van Buitenlandse Zaken en de hulp inroepen van deskundigen (artikel 4, lid 3, van de IPR-wet).

Partijen in een civiele procedure zijn alleen verplicht de inhoud van recht dat buiten Estland van kracht is, internationaal recht of gewoonterecht, aan te tonen indien de rechter dit recht niet kent overeenkomstig artikel 234 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (tsiviilkohtumenetluse seadustik, hierna "WvRv"genoemd). De rechter kan bij de vaststelling van de inhoud van het recht ook gebruik maken van andere informatiebronnen en alle maatregelen nemen die nodig zijn voor het verkrijgen van de in de vorige alinea bedoelde informatie, met verwijzing naar artikel 4 van de IPR-wet.

De mogelijkheid van de rechters om informatie te vragen aan de partijen voor de vaststelling van de inhoud van het vreemde recht vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor in het civiele procesrecht. Het beginsel van hoor en wederhoor is met name vastgelegd in artikel 5, leden 1 en 2, van het WvRv, waarin is bepaald dat een rechtsvordering wordt beoordeeld op basis van de door de partijen aangedragen feiten en ingediende verzoeken op grond van de conclusies, en dat de partijen dezelfde rechten en mogelijkheden hebben om hun conclusies te staven en de beweringen van de wederpartij te weerleggen of te betwisten. Als gevolg hiervan kiest elke partij dus zelf welke feiten zij aandraagt ter ondersteuning van haar conclusies en welke bewijselementen zij overlegt voor het aantonen van die feiten.

In de wet is tevens bepaald dat in uitzonderingsgevallen het Estlandse recht moet wordt toegepast, wanneer het ondanks alle inspanningen onmogelijk is om de inhoud van het vreemde recht binnen een redelijke termijn vast te stellen (artikel 4, lid 4, van de IPR-wet).

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Evenals bij andere internationaal privaatrechtelijke kwesties wordt het recht dat van toepassing is op overeenkomsten in Estland ook bepaald op grond van de IPR-wet, tenzij in internationale rechtsinstrumenten anders is bepaald. Het recht dat een overeenkomst beheerst, kan worden bepaald op basis van de overeenkomst tussen partijen of, indien de partijen krachtens de IPR-wet geen rechtskeuze hebben, op basis van recht dat volgens de in de IPR-wet vastgestelde criteria van toepassing is.

De partijen hebben ingevolge de IPR-wet de mogelijkheid hebben het toepasselijke recht te kiezen, maar daarbij is bepaald dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen in onderlinge overeenstemming hebben gekozen. Bovendien is in de IPR-wet bepaald dat de partijen het toepasselijke recht kunnen kiezen dat de gehele overeenkomst beheerst of slechts een gedeelte daarvan, mits die overeenkomst als zodanig in delen kan worden opgesplitst (artikel 32, leden 1 en 2, van de IPR-wet). Het recht dat de partijen in onderlinge overeenstemming hebben gekozen, geldt onverminderd de dwingende bepalingen van het toepasselijke recht. In artikel 32, lid 3, van de IPR-wet is voorts bepaald dat wanneer partijen gekozen hebben een overeenkomst aan vreemd recht te onderwerpen, ongeacht of zij daarbij hebben gekozen voor de bevoegdheid van een buitenlandse rechtbank, dit feit geen afbreuk doet, indien alle relevante elementen betreffende de overeenkomst op het ogenblik van de rechtskeuze slechts aan een enkel land zijn verbonden, aan de toepassing van de rechtsregels van dat land, waarvan geenszins bij overeenkomst kan worden afgeweken (dwingende bepalingen).

Indien de partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden. Wanneer de overeenkomst in delen kan worden opgesplitst en een deel van de overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land, wordt het betrokken deel beheerst door het recht van dat andere land (artikel 33, lid 1, van de IPR-wet).

Teneinde vast te stellen met welk land een overeenkomst de nauwste band heeft, wordt de overeenkomst ingevolge de wet geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst, zijn woonplaats heeft of waar de administratieve zetel is gevestigd. Wanneer een overeenkomst is gesloten in het kader van een handels- of beroepsactiviteit door de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, wordt de overeenkomst geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar het hoofdkantoor van die partij is gevestigd. Wanneer de kenmerkende prestatie volgens de overeenkomst verricht dient te worden in een andere vestiging, wordt de overeenkomst geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar die andere vestiging is gevestigd (artikel 33, lid 2, van de IPR-wet).

In het geval van onroerende zaken en vervoersovereenkomsten wordt afgeweken van de algemeen geldende regel met betrekking tot de plaats van uitvoering van de overeenkomst. Wanneer een recht op een onroerende zaak of een recht van gebruik van een onroerende zaak voorwerp is van een overeenkomst, wordt de overeenkomst geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar de onroerende zaak is gelegen. Een vervoersovereenkomst wordt geacht het nauwst verbonden te zijn met het land waar, op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst, het hoofdkantoor van de vervoerder is gevestigd. Behalve het hoofdkantoor van de vervoerder moet ook de plaats van vertrek of bestemming van het vervoer in dat land liggen, of, in het geval van overeenkomsten inzake goederenvervoer, moet het hoofdkantoor van de verzender in dat land zijn gevestigd of de plaats van laden of lossen daar liggen (artikel 33, leden 4 en 5, van de IPR-wet).

Voor consumenten-, arbeids- en verzekeringsovereenkomsten zijn bijzondere regels vastgesteld (de artikelen 34 tot 37 van de IPR-wet).

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

In de Estlandse wet zijn verschillende aanknopingspunten vastgelegd waarbij de aard van de niet-contractuele verbintenis bepalend is bij het vaststellen van het recht dat van toepassing is.

Een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking die voortvloeit uit de nakoming van een verbintenis wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de feitelijke of vermoedelijke rechtsbetrekking op grond waarvan die verbintenis is nagekomen; een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking die voortvloeit uit de schending van het recht van een ander persoon wordt beheerst door het recht van het land waar de schending heeft plaatsgevonden. In overige gevallen van ongerechtvaardigde verrijking geldt dat de betreffende vordering wordt beheerst door het recht van het land waar de ongerechtvaardigde verrijking heeft plaatsgevonden (artikel 48¹, leden 1 tot 3, van de IPR-wet).

Vorderingen op grond van zaakwaarneming worden beheerst door het recht van het land waar de zaakwaarnemer de betreffende handeling heeft verricht, en vorderingen die voortvloeien uit de nakoming van een verbintenis van een ander persoon worden beheerst door het recht dat van toepassing is op die verbintenis (artikel 49, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

Een vordering op grond van onrechtmatige daad wordt in de regel beheerst door het recht van het land waar het schadeveroorzakende feit is gepleegd of zich heeft voorgedaan. Wanneer het gevolg zich niet voordoet in het land waar het schadeveroorzakende feit is gepleegd of zich heeft voorgedaan, wordt de betreffende vordering, op verzoek van de benadeelde, beheerst door het recht van het land waar het gevolg van de betrokken handeling of gebeurtenis zich heeft voorgedaan (artikel 50, leden 1 en 2, van de IPR-wet). Er is evenwel een beperking vastgesteld met betrekking tot de vergoeding die verschuldigd is als gevolg van de onrechtmatig daad. Indien een vordering op grond van een onrechtmatige daad wordt beheerst door vreemd recht, kan de in Estland opgelegde schadevergoeding in geen geval substantieel hoger zijn dan de in de Estlandse wet vastgestelde vergoeding voor soortgelijke schade (artikel 52 van de IPR-wet).

Het is de partijen ingevolge de wet toegestaan overeen te komen het Estlandse recht toe te passen nadat de gebeurtenis heeft plaatsgevonden of de handeling is verricht die de niet-contractuele verbintenis heeft doen ontstaan. De rechtskeuze laat de rechten van derden onverlet (artikel 54 van de IPR-wet).

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Het Estlandse recht kent geen afzonderlijke regels om te bepalen welk recht van toepassing is op namen van personen.

De bepaling van de woonplaats van een natuurlijk persoon wordt beheerst door het Estlandse recht (artikel 10 van de IPR-wet); de nationaliteit van een persoon wordt bepaald op grond van het recht van het land waaraan die nationaliteit verbonden is; indien een natuurlijk persoon meerdere nationaliteiten heeft, is het recht van het land waarmee de persoon het nauwst verbonden is van toepassing; of, in het geval van een vluchteling, een staatloze persoon of een persoon van wie de nationaliteit niet kan worden vastgesteld, geldt dat de woonplaats van de betrokken persoon als uitgangspunt wordt genomen om te bepalen welk recht van toepassing is (artikel 11, leden 1 en 3, van de IPR-wet).

De handelingsbevoegdheid en de handelingsbekwaamheid van een natuurlijk persoon worden beheerst door het recht van het land waar de persoon zijn verblijfplaats heeft. Een wijziging van de verblijfplaats heeft geen invloed op de reeds verworven handelingsbekwaamheid (artikel 12, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

Er geldt een bijzondere regel in het geval waarin een persoon zich kan beroepen op beperkte handelingsbekwaamheid; rechtshandelingen op grond van het familierecht of het erfrecht en rechtshandelingen met betrekking tot in het buitenland gelegen onroerende zaken vallen niet onder deze regel (artikel 12, lid 4, van de IPR-wet). Indien een rechtshandeling wordt verricht door een persoon die handelingsonbekwaam of beperkt handelingsbekwaam is overeenkomstig het recht van het land waar hij zijn verblijfplaats heeft, geldt over het algemeen dat die persoon zich niet kan beroepen op het ontbreken van handelingsbekwaamheid wanneer hij wel handelingsbekwaam is overeenkomstig het recht van het land waar hij de betrokken rechtshandeling heeft verricht. Deze algemene regel geldt niet in het geval waarin de andere partij wist of had moeten weten dat de betreffende persoon handelingsonbekwaam was (artikel 12, lid 3, van de IPR-wet).

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Familierechtelijke betrekkingen tussen ouders en kinderen worden beheerst door het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats heeft (artikel 65 van de IPR-wet). De wederzijdse rechten en verplichtingen van ouders en kinderen vloeien voort uit de afstamming van het betrokken kind, die wordt vastgesteld op de in de wet voorziene wijze. Er bestaan met betrekking tot de afstamming geen afzonderlijke regels om te bepalen welk recht van toepassing is.

De vaststelling of ontkenning van het ouderschap wordt beheerst door het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats had op het tijdstip van de geboorte; in bijzondere gevallen kan ook het recht van het land waar de ouder zijn verblijfplaats heeft of het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats heeft op het tijdstip van de ontkenning van het ouderschap, van toepassing zijn (artikel 62 van de IPR-wet).

3.4.2 Adoptie

Adoptie wordt beheerst door het recht van het land waar de adoptant zijn verblijfplaats heeft. Adoptie door echtgenoten wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk op het tijdstip van de adoptie (artikel 63, lid 1, van de IPR-wet). Dit betekent dat adoptie door echtgenoten in principe wordt beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke woonplaats hebben (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); in de wet wordt echter een opsomming gegeven van de andere aanknopingspunten die achtereenvolgens van toepassing zijn wanneer de echtgenoten geen gemeenschappelijke woonplaats hebben (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

Het recht van het land waar het kind zijn verblijfplaats heeft, is eveneens van toepassing wanneer volgens dat recht de toestemming van het kind of van een derde waarmee dat kind een familierechtelijke band heeft, voor de adoptie is vereist (artikel 63, lid 2, van de IPR-wet).

In de wet is uitdrukkelijk bepaald dat wanneer de adoptie wordt beheerst door vreemd recht of de adoptie plaatsvindt op grond van een in het buitenland gegeven rechterlijke beslissing, de adoptie in Estland dezelfde werking heeft als ingevolge het recht op grond waarvan de adoptie tot stand is gekomen (artikel 64 van de IPR-wet). Er dient benadrukt te worden dat bij de adoptie van een kind dat zijn verblijfplaats in Estland heeft, tevens moet worden voldaan aan de andere in het Estlandse recht vastgestelde voorwaarden voor adoptie, conform de vereisten van het recht van het land van verblijf van respectievelijk het kind of de echtgenoten (artikel 63, lid 3, van de IPR-wet).

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

De algemene rechtsgevolgen van een huwelijk worden in beginsel beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke verblijfplaats hebben (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); in de wet wordt echter een opsomming gegeven van de andere aanknopingspunten die achtereenvolgens van toepassing zijn wanneer de echtgenoten geen gemeenschappelijke woonplaats hebben: de gemeenschappelijke nationaliteit, de meest recente gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten wanneer een van de echtgenoten nog steeds in dat land verblijft of, bij gebreke daarvan, het recht van het land waarmee de echtgenoten op andere wijze het nauwst verbonden zijn (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

Wanneer een huwelijk in Estland wordt gesloten, wordt de bijbehorende procedure beheerst door het Estlandse recht. Een in het buitenland gesloten huwelijk wordt in Estland geacht geldig te zijn indien het is gesloten conform de in het recht van dat land vastgestelde procedure en er is voldaan aan de materiële voorhuwelijkse voorwaarden volgens het recht van het land waar beide echtgenoten hun verblijfplaats hebben (artikel 55, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

De voorhuwelijkse voorwaarden, de huwelijksbeletselen en de rechtsgevolgen van het huwelijk worden beheerst door het recht van het land waar de aanstaande echtgenoten hun verblijfplaats hebben (artikel 56, lid 1, van de IPR-wet). Een eerder huwelijk van een aanstaande echtgenoot vormt geen beletsel indien dat huwelijk is ontbonden krachtens een in Estland genomen of erkende beslissing, zelfs indien de betreffende beslissing niet in overeenstemming is met het recht van het land van verblijf van de aanstaande echtgenoot (artikel 56, lid 3, van de IPR-wet).

In de regelgeving die van toepassing is op de voorhuwelijkse voorwaarden is een bijzondere regel opgenomen voor Estlandse burgers. Hierin is bepaald dat wanneer een Estlandse burger niet voldoet aan een voorhuwelijkse voorwaarde ingevolge het recht van het land van verblijf, het Estlandse recht van toepassing is wanneer de betrokken persoon wel voldoet aan de voorwaarden voor het sluiten van een huwelijk krachtens het Estlandse recht (artikel 56, lid 2, van de IPR-wet).

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Het Estlandse interne recht bevat geen regels om te bepalen welk recht van toepassing is op ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap. De regels van de IPR-wet die zijn vastgesteld voor soortgelijke rechtsbetrekkingen kunnen worden gebruikt om het toepasselijke recht te bepalen. Afhankelijk van de aard van het ongehuwd samenwonen of het geregistreerd partnerschap kunnen bijvoorbeeld de regels inzake contractuele verbintenissen of familierechtelijke betrekkingen relevant zijn.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Echtscheiding wordt ingevolge de IPR-wet beheerst door het recht dat van toepassing is op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk op het tijdstip waarop de echtscheidingsprocedure wordt ingeleid (artikel 60, lid 1, en artikel 57 van de IPR-wet). Echtscheiding wordt dus in eerste instantie beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke verblijfplaats hadden (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); in de wet wordt echter een opsomming gegeven van de andere aanknopingspunten die achtereenvolgens van toepassing zijn wanneer de echtgenoten geen gemeenschappelijke woonplaats hebben: de gemeenschappelijke nationaliteit, de meest recente gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten wanneer een van de echtgenoten nog steeds in dat land verblijft of, bij gebreke daarvan, het recht van het land waarmee de echtgenoten het nauwst verbonden zijn (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

In afwijking hiervan is vastgesteld dat in plaats van het vreemde recht het Estlandse recht kan worden toegepast wanneer echtscheiding niet is toegestaan op grond van het recht dat van toepassing is op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk (artikel 57 van de IPR-wet) of wanneer echtscheiding alleen is toegestaan onder zeer strikte voorwaarden. Deze uitzondering geldt alleen mits een van de echtgenoten zijn verblijfplaats in Estland heeft of de Estlandse nationaliteit heeft, of de Estlandse nationaliteit had of zijn verblijfplaats in Estland had op het tijdstip van sluiting van het huwelijk (artikel 60, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Er zijn geen Estlandse internationaal privaatrechtelijke regels van toepassing op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familierechtelijke betrekkingen, maar er wordt wel verwezen naar de relevante internationale rechtsinstrumenten.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Echtgenoten kunnen kiezen welk recht hun huwelijksvermogensregime beheerst. Wanneer de echtgenoten het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben gekozen, wordt dat recht dus toegepast. De echtgenoten kunnen het huwelijksvermogensregime echter niet aan het recht van elk willekeurig land onderwerpen. De rechtskeuze van de echtgenoten is beperkt tot het recht van het land waar zij hun verblijfplaats hebben of het recht van de nationaliteit van een van de echtgenoten. Wanneer een van de echtgenoten meerdere nationaliteiten heeft, kan hij kiezen voor een van de rechtsstelsels van de landen waarvan hij onderdaan is (artikel 58, lid 1, van de IPR-wet).

In Estland is de rechtskeuze onderworpen aan dwingende vormvereisten. Het gekozen recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten dient te worden vastgelegd in een authentieke akte. Indien het toepasselijke recht niet in Estland is gekozen, is de rechtskeuze wat de vorm betreft geldig wanneer is voldaan aan de vormvereisten betreffende huwelijkse voorwaarden van het gekozen rechtsstelsel (artikel 58, lid 2, van de IPR-wet).

Wanneer de echtgenoten geen rechtskeuze hebben gemaakt met betrekking tot het huwelijksvermogensregime, wordt dit regime beheerst door het recht dat van toepassing was op de algemene rechtsgevolgen van het huwelijk op het tijdstip van sluiting van het huwelijk (artikel 58, lid 3, en artikel 57 van de IPR-wet). De algemene rechtsgevolgen van een huwelijk worden in de eerste plaats beheerst door het recht van het land waar de echtgenoten hun gemeenschappelijke woonplaats hebben (artikel 57, lid 1, van de IPR-wet); bij gebreke van een gemeenschappelijke woonplaats, is het recht van het land van de meest recente gemeenschappelijke woonplaats van de echtgenoten van toepassing wanneer een van de echtgenoten nog steeds in dat land verblijft, en bij gebreke daarvan, het recht van het land waarmee de echtgenoten het nauwst zijn verbonden (artikel 57, leden 2 tot 4, van de IPR-wet).

3.7 Erfrecht

Nalatenschappen worden beheerst door het recht van het land waar de erflater (de cujus) zijn laatste verblijfplaats had en dit recht met name het volgende bepaalt: 1) de soorten en de gevolgen van testamentaire beschikkingen; 2) de bekwaamheid en de onwaardigheid om te erven; 3) de omvang van de nalatenschap; 4) de kring van erfgenamen en legatarissen evenals hun betrekkingen; 5) de aansprakelijkheid voor de schulden van de erflater (de artikelen 24 en 26 van de IPR-wet).

3.8 Goederenrecht

Het ontstaan of het tenietgaan van zakelijke rechten wordt beheerst door het recht van het land waar de zaak zich bevindt op het tijdstip van het ontstaan of tenietgaan van het betrokken zakelijke recht. Er geldt een beperking die bepaalt dat een zakelijk recht niet kan worden uitgeoefend als dit strijdig is met de belangrijkste beginselen van het recht van het land waar de betrokken zaak is gelegen (artikel 18, leden 1 en 2, van de IPR-wet).

3.9 Insolventie

Het Estlandse recht is van toepassing op insolventieprocedures die in Estland worden gevoerd. Dit volgt uit het feit dat in de insolventiewet (pankrotiseadus) is bepaald dat in een insolventieprocedure de bepalingen van het Estlandse wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing zijn, tenzij in de insolventiewet anders is bepaald (artikel 3, lid 2, van deze wet); in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is bepaald dat de rechter de zaak onderzoekt op basis van de wet inzake burgerlijke rechtsvordering (tsiviilmenetlusseadus) (artikel 8, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Laatste update: 06/04/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Feedback

Met onderstaand formulier kunt u ons opmerkingen en feedback sturen over onze nieuwe website