Van welk land is de wetgeving van toepassing?

Belgia
Sisällön tuottaja:
European Judicial Network
Siviili- ja kauppaoikeuden alan Euroopan oikeudellinen verkosto

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De bindende rechtsbronnen van het Belgisch nationaal recht zijn de wetgeving, de algemene rechtsbeginselen en het gewoonterecht. De wetgeving wordt noodzakelijkerwijs uitgevaardigd door een autoriteit, de algemene rechtsbeginselen hebben rechtskracht omdat de maatschappij overtuigd is van hun juridische waarde en het gewoonterecht wordt gevormd door de ongeschreven gewoonten en de algemeen aanvaarde praktijken.

In België kent men geen precedentwerking van voorafgaande rechterlijke beslissingen: volgens de leer is de jurisprudentie slechts een gezaghebbende bron van het recht. Rechterlijke uitspraken zijn enkel geldig tussen de partijen en zijn niet bindend voor andere rechters die uitspraak moeten doen in vergelijkbare zaken. Met uitzondering van het Grondwettelijk Hof kan geen enkel gerecht andere rechtbanken verplichten om een door de jurisprudentie bepaalde lijn te volgen. Zelfs een arrest van het Hof van Cassatie legt geen bindende richtlijnen op aan de rechtbank waarnaar het Hof de zaak voor heroverweging verwijst. De inhoud van een arrest van het Hof van Cassatie wordt alleen bindend voor de rechtbank die definitief moet beslissen wanneer dit Hof voor een tweede maal een arrest wijst in dezelfde zaak.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Opmerking:

De Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken beschikt over een database met een overzicht van de bilaterale en multilaterale verdragen sinds 1987:

https://diplomatie.belgium.be/nl/verdragen

https://diplomatie.belgium.be/fr/traites

https://diplomatie.belgium.be/de/vertrage

https://diplomatie.belgium.be/en/treaties

De tekst van vele van kracht zijnde verdragen in België is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is elektronisch te raadplegen (vanaf 1997): http://justice.belgium.be/.

U kunt ook de tekst van vele verdragen, zelfs van vóór 1987, vinden op dezelfde website onder "geconsolideerde wetgeving" (2800 items op 1 augustus 2004).

België is in beginsel een soevereine staat die het hoogste gezag over zijn justitiabelen heeft. Gezien de toenemende internationalisering van de samenleving is België evenwel steeds meer gebonden aan de regelgeving van supranationale en internationale organisaties en instellingen. De Europese Unie (EU), de Verenigde Naties (VN), de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de Raad van Europa in het bijzonder drukken hun stempel op de Belgische wetgeving, enerzijds door het uitvaardigen van verdragen en verordeningen (rechtstreeks van toepassing of niet), en anderzijds door het opleggen van richtlijnen en juridische harmonisatiemaatregelen om de lidstaten van deze organisaties te verplichten hun nationale rechtsstelsels aan te passen.

De toepasselijke verdragen inzake de rechten van de mens zijn het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Europees Sociaal Handvest, beide uitgevaardigd door de Raad van Europa. De vergelijkbare teksten van de Verenigde Naties zijn respectievelijk het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

Als supranationale organisatie oefent de Europese Unie (EU) grote invloed uit op haar lidstaten, waaronder België. De belangrijkste rechtsinstrumenten van de EU zijn de verordeningen, die rechtstreeks van toepassing zijn, en de richtlijnen, die door de lidstaten zelf omgezet dienen te worden.

Talloze instellingen en organisaties zijn actief in de ontwikkeling van allerlei rechtsgebieden, zoals het internationaal privaatrecht, internationaal strafrecht en het internationaal handels- en economisch recht. Om er enkele te noemen: de Verenigde Naties, UNCITRAL, de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht, UNIDROIT, de Raad van Europa, de Europese Unie en de Europese Gemeenschap, de Internationale Commissie voor de burgerlijke stand, IMO (Internationale Maritieme organisatie), IATA (luchtvervoer), de Benelux enz.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Zowel de federale overheid als de autoriteiten van de gefedereerde entiteiten van België hebben elk binnen de grenzen van hun materiële bevoegdheden de mogelijkheid om bilaterale verdragen met andere landen of regio’s in de wereld af te sluiten. De meeste van deze verdragen zijn afgesloten met buurlanden of met landen waarmee België nauwe of belangrijke zakelijke relaties onderhoudt.

2 Toepassing van de conflictregels

De wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht (hierna "IPR-wetboek" genoemd) is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 27 juli 2004. Deze wet is te vinden op dde website  "geconsolideerde wetgeving".

Deze tekst is gebaseerd op het IPR-wetboek. De bepalingen van deze wet met betrekking tot enerzijds de internationale bevoegdheid en anderzijds de uitwerking van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten zijn respectievelijk van toepassing op rechtsvorderingen ingesteld na de inwerkingtreding van de wet en op de rechterlijke beslissingen en authentieke akten van na de inwerkingtreding van de wet. Op gevallen die niet vallen onder de overgangsbepalingen van het IPR-wetboek, zijn uiteenlopende wetsbepalingen van toepassing alsook rechtspraak en rechtsleer. Zie met name:

- http://www.law.kuleuven.be/ipr

- http://www.ipr.be/

- http://www.dipr.be/

Het IPR-wetboek kan overigens alleen worden toegepast indien internationale verdragen, het recht van de Europese Unie of bepalingen van specifieke wetgeving niet kunnen worden toegepast.

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De Belgische rechter past niet alleen de Belgische wetgeving toe; hij moet vaak een vonnis vellen op basis van buitenlands recht.

Het Belgisch internationaal privaatrecht bepaalt dat het buitenlandse recht wordt toegepast volgens de interpretatie uit het buitenland en dat de rechter om hulp van de partijen kan verzoeken indien hij niet zelf de inhoud van het buitenlandse recht kan vaststellen. Indien het voor de rechter kennelijk onmogelijk is om de inhoud van buitenlands recht tijdig vast te stellen, is het Belgisch recht van toepassing (zie artikel 15 van het IPR-wetboek).

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Sinds de aanneming van het wetboek van internationaal privaatrecht wordt herverwijzing in het algemeen niet meer geaccepteerd (artikel 16 van het IPR-wetboek). Het wetboek bevat echter een uitzondering met betrekking tot het recht dat van toepassing is op rechtspersonen (artikel 110 van het IPR-wetboek) en een bepaling voor mogelijke herverwijzing naar het Belgisch recht inzake de bekwaamheid van natuurlijke personen (zie hieronder).

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Er kan sprake zijn van een ‘conflit mobile’ wanneer de aanknopingsfactor varieert in de tijd (bijvoorbeeld de nationaliteit) of in de ruimte (bijvoorbeeld de gewone verblijfplaats).

Het wetboek van internationaal privaatrecht tracht de regel aan te wijzen die moet worden toegepast in de meest voorkomende situaties van ‘conflits mobiles’.

Met betrekking tot bijvoorbeeld de gevolgen van het huwelijk stelt het wetboek van internationaal privaatrecht als eerste aanknopingsfactor de gewone verblijfplaats van de echtgenoten vast op het moment dat de gevolgen worden ingeroepen (zie artikel 48 van het IPR-wetboek).

Met betrekking tot de afstamming stelt het wetboek dat het toepasselijk recht beheerst wordt door het recht van de staat van de nationaliteit van de persoon wiens afstammingsband in het geding is op het moment van de geboorte van het kind (artikel 62 van het IPR-wetboek).

De zakelijke rechten op een onroerend goed worden beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied dit onroerend goed zich bevindt op het moment dat zij worden ingeroepen. Het wetboek specificeert echter dat de verwerving en het verlies van die rechten worden beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied het goed zich bevindt op het tijdstip dat de handelingen of feiten die worden ingeroepen als grond van verwerving of verlies van die rechten, zich voordoen. (artikel 87 van het IPR-wetboek).

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

De normale conflictregels kunnen terzijde worden geschoven in een aantal gevallen zoals bepaald in het wetboek van internationaal privaatrecht.

1. Het door deze wet aangewezen recht is bij uitzondering niet van toepassing wanneer uit het geheel van de omstandigheden duidelijk blijkt dat de zaak slechts een zeer zwakke band heeft met België, maar zeer nauw is verbonden met een andere staat. In dat geval is het recht van die andere staat van toepassing (artikel 19 van het IPR-wetboek).

2. Dwingende bepalingen of bepalingen van openbare orde van Belgisch recht die erop gericht zijn een internationale situatie te regelen ongeacht het door de collisieregels aangewezen recht, zijn nog steeds van toepassing (artikel 20 van het IPR-wetboek).

3. De exceptie van internationale openbare orde maakt het mogelijk om bepaalde aspecten van het buitenlands recht niet toe te passen indien zij onaanvaardbare gevolgen voor de Belgische rechtsorde zouden hebben (zie artikel 21 van het IPR-wetboek).

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De Belgische rechter kan van de partijen verlangen om de inhoud en de draagwijdte van het buitenlands recht vast te stellen. De rechter kan ook het Europees Verdrag inzake informatie over het buitenlands recht, gesloten in Londen op 7 juni 1968, toepassen. Wanneer om een authentiek bewijs wordt gevraagd, wordt de partij verzocht een verklaring inzake de inhoud van vreemd recht te overleggen; dit is een document waarin de bevoegde buitenlandse autoriteit het authentieke bewijs levert van de regelgeving die in haar land van toepassing is of was.

3 De conflictregels

Wanneer uit de toepassing van bovenstaande teksten blijkt dat de Belgische rechter bevoegd is, dient hij te onderzoeken welk recht hij op het geschil moet toepassen. Daartoe past hij het Belgisch internationaal privaatrecht toe. Verschillende aanknopingsfactoren, die afhankelijk van het onderwerp van het geschil variëren, worden in dit kader gebruikt. Het IPR-wetboek is thematisch opgebouwd en verwijst per thema naar de relevante aanknopingsfactor. Sommige van deze thema's worden hierna behandeld.

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ook wel "Rome I" genoemd, is van toepassing. Het wetboek van internationaal privaatrecht breidt de toepassing van het Verdrag van Rome van 1980 uit naar de contractuele aangelegenheden die van het toepassingsgebied ervan waren uitgesloten. De aanpassing van het wetboek aan deze situatie, die voortvloeit uit de vervanging van het Verdrag van Rome door de verordening, zal binnenkort plaatsvinden.

Bepaalde aspecten die van het toepassingsgebied van de verordening zijn uitgesloten, zijn evenwel onderworpen aan bijzondere regels:

- hetzij door toepassing van internationale verdragen (zoals het Verdrag van Genève van 7 juni 1930 ter oplossing van bepaalde wetsconflicten met betrekking tot wissels en orderbriefjes en het Verdrag van Genève van 19 maart 1931 ter oplossing van wetsconflicten met betrekking tot cheques),

- hetzij door toepassing van specifieke bepalingen van het wetboek (zie met name artikel 124 met betrekking tot trusts en artikel 111 met betrekking tot statuten).

Op grond van artikel 25 van de verordening blijven bepaalde internationale verdragen van toepassing, te weten:

- het Verdrag van Boedapest van 21 juni 2001 inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren,

- het Internationale Verdrag van Londen van 28 april 1989 inzake hulpverlening,

- de internationale verdragen tot eenmaking van enige regels inzake aanvaringen en inzake hulp en berging op zee, ondertekend te Brussel op 23 september 1910, evenals het Protocol van ondertekening bij de genoemde verdragen.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, ook wel "Rome II" genoemd, is van toepassing. Het wetboek van internationaal privaatrecht breidt de toepassing ervan uit tot aangelegenheden die van het toepassingsgebied ervan zijn uitgesloten.

Sommige aangelegenheden die niet onder de verordening vallen, worden echter beheerst door specifieke bepalingen. Verbintenissen voortvloeiend uit eerroof of schending van de persoonlijke levenssfeer of van persoonlijkheidsrechten worden bijvoorbeeld naar keuze van de eiser beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied de schadelijke handeling of de schade zich heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen, tenzij de aansprakelijke persoon aantoont dat hij niet kon voorzien dat de schade zich in die staat zou voordoen (zie artikel 99).

Op grond van artikel 28 van de verordening blijven bepaalde internationale verdragen van toepassing, te weten:

- het Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg,

- het Internationaal Verdrag tot eenmaking van enige regels inzake de burgerlijke rechtspraak bij aanvaring, het Internationaal Verdrag tot eenmaking van enige regels inzake de strafrechtelijke bevoegdheid bij aanvaring en andere scheepvaartongevallen, het Internationaal Verdrag tot eenmaking van enige regels inzake conservatoir beslag op zeeschepen, te Brussel ondertekend op 10 mei 1952,

- het Internationale Verdrag inzake hulpverlening, gesloten op 28 april 1989 in Londen,

- het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, gesloten te München op 5 oktober 1973,

- het Internationale Verdrag van 29 mei 1933 tot eenmaking van enige regels inzake het conservatoir beslag op luchtvaartuigen,

- de internationale verdragen tot eenmaking van enige regels inzake aanvaringen en inzake hulpverlening en redding op zee, ondertekend te Brussel op 23 september 1910, evenals het Protocol van ondertekening bij de genoemde verdragen.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Behoudens afwijkende bepaling in het IPR-wetboek, is het toepasselijk recht in geschillen met betrekking tot de status en de bekwaamheid het recht van de staat waarvan de persoon de nationaliteit heeft (nationale wet). Dezelfde regel beheerst de geslachtsaanpassingen (artikel 35ter van het IPR-wetboek).

Met betrekking tot de bekwaamheid van natuurlijke personen voorziet het wetboek van internationaal privaatrecht in een gedeeltelijke herverwijzing; de bekwaamheid wordt beheerst door het Belgisch recht wanneer het buitenlands recht leidt tot de toepassing van dit recht (zie artikel 34 van het IPR-wetboek).

Overeenkomstig het algemene beginsel is het toepasselijk recht voor de bepaling van de naam en voornamen het recht van de staat waarvan de persoon de nationaliteit heeft (artikel 37, §1 van het IPR-wetboek) of van het recht van één van de staten waarvan de persoon de nationaliteit heeft indien de persoon meerdere nationaliteiten bezit (art. 37, §1 van het IPR-wetboek .

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Als algemene regel voor de vaststelling van het toepasselijk recht bepaalt artikel 62, §1, eerste lid, van het IPR-wetboek dat de vaststelling of ontkenning van de afstammingsband van een persoon wordt beheerst door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft bij de geboorte van het kind of, indien deze vaststelling het resultaat is van een vrijwillige handeling, bij het verrichten van die handeling.

Wanneer het door dit artikel aangewezen rechtsstelsel geen toestemming van het kind eist, worden de vereiste van en de voorwaarden voor diens toestemming evenals de wijze waarop zij wordt uitgedrukt, beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied het kind op het tijdstip van de toestemming zijn gewone verblijfplaats heeft (artikel 62, §1, tweede lid, van het IPR-wetboek).

3.4.2 Adoptie

De voorwaarden voor de totstandkoming van adoptie worden beheerst door het nationale recht van de adoptant of het gemeenschappelijke nationale recht van de adoptanten. Wanneer de adoptanten niet de nationaliteit van een zelfde staat hebben, wordt de adoptie beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied zij hun gewone verblijfplaats hebben of, bij gebreke hiervan, door het Belgisch recht (artikel 67 van het IPR-wetboek).

Het toepasselijk recht op de verschillende vereiste toestemmingen is dat van de staat van de gewone verblijfplaats van de geadopteerde. Indien de wet echter niet voorziet in de noodzaak van toestemming door de geadopteerde en van zijn ouders of wettelijke vertegenwoordigers of de instelling van adoptie niet kent, wordt de toestemming van de geadopteerde beheerst door het Belgisch recht (de artikel 68 van het IPR-wetboek).

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Met betrekking tot het toepasselijk recht op het huwelijk maakt het wetboek een onderscheid tussen:

1. huwelijksbelofte: het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de toekomstige echtgenoten of, bij gebreke hiervan, het recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben, of, bij gebreke hiervan, het Belgisch recht (artikel 45 van het IPR-wetboek);

2. totstandkoming van het huwelijk: het nationale recht van elke echtgenoot, met de mogelijke uitzondering van het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht in de zin dat een bepaling van het buitenlands recht die een dergelijk huwelijk verbiedt, wordt afgewezen indien een van de echtgenoten de nationaliteit van een staat heeft of zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een staat heeft waarvan de wet een dergelijk huwelijk toestaat (artikel 46 van het IPR-wetboek);

3. vormvereisten: het recht van de staat op wiens grondgebied het huwelijk wordt voltrokken (artikel 47 van het IPR-wetboek);

4. gevolgen van het huwelijk: het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten of, bij gebreke daarvan, het recht van de staat waarvan beide echtgenoten de nationaliteit hebben, of, bij gebreke daarvan, het Belgisch recht (artikel 48 van het IPR-wetboek).

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Met betrekking tot partnerschappen of geregistreerde samenlevingsvormen, maakt de Belgische wet een onderscheid tussen “relaties van samenleven” die tussen de samenwonenden een band scheppen die evenwaardig is aan het huwelijk en relaties waarbij dat niet het geval is.

In het eerste geval is het toepasselijk recht het recht dat van toepassing is op het huwelijk (zie hierboven). Daarentegen is op relaties van samenleven die tussen de samenwonenden geen band scheppen die evenwaardig is aan het huwelijk het recht van de staat van toepassing op wiens grondgebied de samenwonenden deze relatie van samenleven voor de eerste keer hebben laten registreren.

De niet-geregistreerde relatie van samenleven wordt niet specifiek aangeduid.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Voor de echtscheiding en de scheiding van tafel en bed werd de toepassing van de regels van Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed, ook wel "Rome III" genoemd, veralgemeend. De eventuele keuze van toepasselijk recht zal moeten worden uitgedrukt ten laatste bij de eerste verschijning voor het rechtscollege waarbij de vordering tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen verwijst in artikel 15 naar het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. De algemene regel verwijst naar het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. Er bestaan echter speciale regels tussen kinderen en ouders en jegens personen jonger dan 21 jaar in hun relaties met andere personen dan hun ouders evenals tussen echtgenoten of ex-echtgenoten of tussen personen van wie het huwelijk nietig is verklaard. Het Protocol voorziet tevens in de mogelijkheid een wet aan te wijzen.

Bovendien is het Verdrag van Den Haag van 24 oktober 1956 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen van toepassing op de betrekkingen van België met een staat die partij is zonder het bovengenoemde Protocol van Den Haag van 23 november 2007 te hebben geratificeerd.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

De partners kunnen zelf het recht kiezen dat hun huwelijksvermogensstelsel zal beheersen. De keuze van het toepasselijk recht is beperkt: het recht van de staat van de eerste gewone verblijfplaats van de partners na de voltrekking van het huwelijk of het nationale recht van een de echtgenoten (artikel 49 van het IPR-wetboek).

Bij gebreke van een keuze van het toepasselijk recht wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het recht van de staat van de eerste gewone verblijfplaats van de partners na de voltrekking van het huwelijk. Indien deze verblijfplaatsen zich niet in dezelfde staat bevinden, is het recht van toepassing van de staat waarvan beide partners ten tijde van de voltrekking van het huwelijk de nationaliteit hebben. In andere gevallen is het recht van de staat van toepassing op wiens grondgebied het huwelijk is gesloten (artikel 51 van het IPR-wetboek).

3.7 Erfrecht

Op dit gebied geldt Verordening (EU) nr. 650/2012 van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

3.8 Goederenrecht

Het criterium van de ligging van het onroerend goed wordt ook gebruikt om het toepasselijk recht te bepalen (zie artikel 87 van het IPR-wetboek).

3.9 Insolventie

In faillissementszaken is Verordening nr. 1346/2000 van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures van toepassing. In deze verordening is het uitgangspunt een universele primaire insolventieprocedure, eventueel gevolgd door secundaire territoriale procedures.

Laatste update: 06/08/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Palaute

Anna tällä lomakkeella palautetta uudesta sivustostamme