Ouderlijke verantwoordelijkheid: gezag en omgangsrecht

Roemenië
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Wat betekent het begrip “ouderlijke verantwoordelijkheid” in de praktijk? Wat zijn de rechten en plichten van degene die ouderlijke verantwoordelijkheid draagt?

In het Roemeens burgerlijk wetboek (Codul Civil) wordt de term "ouderlijk gezag" gebruikt. Het ouderlijk gezag omvat alle rechten en plichten met betrekking tot het kind en zijn of haar vermogen. Die rechten en plichten gelden voor beide ouders in gelijke mate en worden uitgeoefend met het oog op de belangen van het kind. Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend totdat het kind volledig handelingsbekwaam is.

Ouders hebben met betrekking tot hun kind onder meer de volgende rechten en plichten (zoals vastgesteld in de artikelen 487 tot en met 499 van het burgerlijk wetboek (BW) en wet nr. 272/2004 (Legea nr. 272/2004) inzake de bescherming en bevordering van kinderrechten):

  • ontwikkelen en behouden van de identiteit van het kind. Het kind moet onmiddellijk na de geboorte worden geregistreerd en heeft recht op een naam en het staatsburgerschap. De ouders geven het kind een voor- en achternaam;
  • opvoeden van het kind. De ouders hebben het recht en de plicht het kind op te voeden, te zorgen voor de gezondheid en de lichamelijke, geestelijke en intellectuele ontwikkeling van het kind en voor zijn of haar opleiding en scholing, conform hun eigen overtuigingen en rekening houdend met het karakter en de behoeften van het kind;
  • houden van toezicht op het kind;
  • voorzien in het levensonderhoud van het kind. De ouders zijn hoofdelijk verplicht om te voorzien in het levensonderhoud van een minderjarig kind. De ouders hebben ook een onderhoudsplicht jegens meerderjarige studerende kinderen jonger dan 26 jaar;
  • opleggen van tuchtmaatregelen jegens het kind. Bepaalde tuchtmaatregelen zijn echter verboden, zoals lijfstraffen die het kind lichamelijke, geestelijke of emotionele schade toebrengen;
  • instellen van een vordering tot terugkeer van het kind jegens iedereen die het kind onrechtmatig vasthoudt;
  • hereniging met het kind. Dit recht is gerelateerd aan het recht van het kind om niet van de ouders te worden gescheiden, anders dan om uitzonderlijke redenen en voor beperkte duur (bijv. plaatsing in een pleeggezin);
  • omgang met het kind. Manieren voor het hebben van omgang met het kind zijn: het kind thuis of op school bezoeken of een vakantieperiode bij elk van de ouders laten doorbrengen;
  • bepalen van de woonplaats van het kind. Een minderjarig kind woont in de regel bij zijn of haar ouders. Wanneer de ouders niet samenwonen, beslissen ze in onderling overleg bij wie het kind moet wonen. Bij onenigheid tussen de ouders, beslist de voogdijrechtbank (Instanţa de tutelă);
  • verlenen van toestemming voor de verloving of het huwelijk van het kind wanneer het kind minderjarig is maar ouder dan zestien jaar; verlenen van toestemming voor de adoptie van het kind;
  • instellen van beroep tegen maatregelen van de bevoegde instanties met betrekking tot het kind en indienen van verzoeken en vorderingen namens henzelf en namens het kind.

Ouders hebben met betrekking tot het vermogen van hun kind onder meer de volgende rechten en plichten (zoals vastgesteld in de artikelen 500, 501 en 502 BW):

  • beheer van het vermogen van het kind. Een ouder heeft geen rechten met betrekking tot het vermogen van het kind en het kind heeft geen rechten met betrekking tot het vermogen van een ouder, anders dan het recht om te erven en het recht om het vermogen in stand te houden. De ouders hebben het recht en de plicht om het vermogen van een minderjarig kind te beheren en bij het opstellen van civielrechtelijke documenten als vertegenwoordiger op te treden. Vanaf de leeftijd van 14 jaar is het kind zelfstandig in de uitoefening van zijn of haar rechten en uitvoering van zijn of haar plichten. Het behoeft daarvoor echter de toestemming van de ouders of de voogdijrechtbank;
  • vertegenwoordiging van een minderjarig kind bij het opstellen van civielrechtelijke documenten, of het geven van toestemming met betrekking tot die documenten. Tot de leeftijd van 14 jaar is het kind niet handelingsbekwaam en wordt het bij het opstellen van civielrechtelijke documenten vertegenwoordigd door de ouders. Tussen 14 en 18 jaar is het kind beperkt handelingsbekwaam. Het kind is zelfstandig in de uitoefening van zijn of haar rechten en uitvoering van zijn of haar plichten, maar het behoeft daarvoor de voorafgaande toestemming van de ouders.

2 Wie heeft normaal gesproken de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind?

De ouderlijke rechten en plichten gelden voor beide ouders in gelijke mate (artikel 503, lid 1, BW) wanneer ze gehuwd zijn of hun huwelijk door echtscheiding is ontbonden (artikel 397 BW), wanneer filiatie met een buitenechtelijk geboren kind is vastgesteld en wanneer de ouders feitelijk samenwonen (artikel 505, lid 1, BW).

Het ouderlijk gezag wordt door de ouders niet in gelijke mate uitgeoefend wanneer het huwelijk van de ouders door echtscheiding is ontbonden en de rechter van oordeel is dat het in het belang van het kind is als maar één ouder het ouderlijk gezag uitoefent (artikel 398 BW), wanneer het huwelijk anders dan door echtscheiding is ontbonden (artikel 305, lid 2, BW) en wanneer het kind buitenechtelijk is geboren en de ouders niet feitelijk samenwonen (artikel 505, lid 2, BW).

Het ouderlijk gezag wordt door één ouder uitgeoefend wanneer de andere is overleden, uit het gezag is ontzet, onder curatele is gesteld enz. (artikel 507 BW).

Het ouderlijk gezag wordt door de ouders gedeeltelijk uitgeoefend wanneer een andere persoon dan de ouders of een instelling de rechten en plichten betreffende het kind heeft (artikel 399 BW).

3 Kan een andere persoon in plaats van de ouders worden aangewezen, als de ouders de verantwoordelijkheid voor hun kinderen niet kunnen of willen uitoefenen?

De ouder van een minderjarige die de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt, heeft alleen rechten en plichten betreffende de persoon van het kind. De rechten en plichten betreffende zijn of haar vermogen worden uitgeoefend door de voogd van het kind of een andere persoon.

Een minderjarige wordt onder voogdij geplaatst wanneer beide ouders zijn overleden of niet bekend zijn, uit het ouderlijk gezag zijn ontzet of zijn aangeklaagd voor een misdrijf waarvoor ze bij veroordeling uit het ouderlijk gezag kunnen worden ontzet, onder curatele zijn gesteld, vermist zijn of overleden zijn verklaard, of, ingeval het kind geadopteerd is, wanneer het in het belang van het kind is om de adoptie te beëindigen en het kind onder voogdij te plaatsen.

Een kind wordt onder voogdij geplaatst wanneer beide ouders uit het gezag zijn ontzet.

In uitzonderlijke gevallen kan de voogdijrechtbank bepalen dat het kind bij een verwant of een andere persoon of een ander gezin wordt geplaatst (met de toestemming van de betrokken personen), of in een instelling.

4 Hoe wordt de ouderlijke verantwoordelijkheid geregeld als de ouders van echt scheiden of uit elkaar gaan?

In beginsel wordt het ouderlijk gezag na de scheiding door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. Als er goede gronden voor zijn en het in belang van het kind is, kan het ouderlijk gezag na de scheiding ook door één ouder worden uitgeoefend. De andere ouder behoudt het recht om toe te zien op de opvoeding en opleiding van het kind en om al dan niet toe te stemmen in adoptie.

In uitzonderlijke gevallen kan de voogdijrechtbank bepalen dat het kind bij een verwant of een andere persoon of een ander gezin wordt geplaatst (met de toestemming van de betrokken personen), of in een instelling. Deze personen/instellingen oefenen dan het gezag over het kind uit (artikel 399 BW).

Wanneer een kind buitenechtelijk is geboren en de filiatie tussen het kind en de beide ouders vaststaat, oefenen de ouders gezamenlijk en in gelijke mate het ouderlijk gezag uit wanneer ze feitelijk samenwonen. Wanneer de ouders niet feitelijk samenwonen, oefent slechts één van hen het gezag uit.

Zelfs wanneer er minderjarige (buitenechtelijke) kinderen of adoptiekinderen zijn, kan echtscheiding met wederzijds goedvinden bij notariële akte plaatsvinden als de echtgenoten het eens zijn over alle aspecten met betrekking tot de achternaam die de kinderen na de scheiding zullen dragen, de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, de woonplaats van de kinderen, de manier waarop de persoonlijk band van de kinderen met elk van de gescheiden ouders wordt gehandhaafd, alsook over de bijdrage van elke ouder aan het levensonderhoud en de opleiding van de kinderen. Indien uit het rapport van het sociaal onderzoek naar voren komt dat de overeenkomst van de echtgenoten over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag of over de woonplaats van de kinderen niet in het belang van de kinderen is, zal de notaris het echtscheidingsverzoek niet in behandeling nemen en de echtgenoten naar de rechter verwijzen.

5 Welke formaliteiten moeten in acht worden genomen om onderlinge overeenstemming van de ouders betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid juridisch bindend te maken?

De ouders kunnen een overeenkomst sluiten over de uitoefening van het ouderlijk gezag, of over maatregelen ter bescherming van het kind met toestemming van de voogdijrechtbank, als dat in het belang van het kind is (artikel 506 BW).

De ouders kunnen op elk moment tijdens de procedure, ook zonder door de rechter te zijn opgeroepen, ter zitting verzoeken om een beslissing houdende goedkeuring van hun overeenkomst. De beslissing van de rechter is niet vatbaar voor beroep en is uitvoerbaar.

6 Als de ouders het niet eens worden over de ouderlijke verantwoordelijkheid, wat voor mogelijkheden zijn er dan om het conflict buiten het gerecht om op te lossen?

Voordat de partijen naar de rechter stappen, kunnen ze hun geschil via mediation beslechten. Tijdens het proces moeten de gerechtelijke instanties de partijen informeren over de mogelijkheid en voordelen van mediation. Wanneer de mediation niet tot een overeenkomst leidt, worden de geschilpunten door de rechter beslecht.

7 Over welke zaken betreffende het kind kan de rechter beslissen als de ouders de zaak aan de rechter voorleggen?

Zie het antwoord op vraag 1.

8 Als het gerecht de voogdij over een kind toewijst aan een van de ouders, betekent dit dan dat deze ouder over alle zaken betreffende het kind kan beslissen zonder eerst de andere ouder te raadplegen?

Wanneer de rechter bepaalt dat het ouderlijk gezag maar door één ouder zal worden uitgeoefend, beslist die ouder zelfstandig over alle aangelegenheden betreffende het kind. De andere ouder behoudt het recht om toe te zien op de opvoeding en opleiding van het kind en om al dan niet toe te stemmen in adoptie.

9 Wat betekent het in de praktijk als het gerecht beslist dat de ouders gezamenlijk ouderlijke verantwoordelijkheid dragen?

De ouders oefenen het ouderlijk gezag gezamenlijk en in gelijke mate uit. Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder die zelfstandig een alledaagse rechtshandeling verricht in de uitoefening van het ouderlijk gezag, geacht de instemming van de andere ouder te hebben.

10 Tot welk gerecht of welke instantie moet ik mij wenden om een verzoek betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid te doen? Aan welke formaliteiten moet ik voldoen en welke documenten moet ik bij mijn verzoek voegen?

Verzoeken tot bescherming van natuurlijke personen die onder toezicht staan van de familie- en voogdijrechter (de districtsrechtbank of de gespecialiseerde rechtbank voor minderjarigen en gezinnen) worden behandeld door de rechtbank van de woon- of verblijfplaats van de te beschermen persoon (artikel 94 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Codul de Procedură Civilă)).

Voor verzoeken tot vaststelling van filiatie is de rechtbank van de woonplaats van de eiser bevoegd, en voor vorderingen betreffende onderhoudsverplichtingen (waaronder begrepen kindertoelagen), de rechtbank van de woonplaats van de eiser-alimentatiegerechtigde.

Bij het verzoek moeten de volgende stukken worden gevoegd: afschrift van de geboorteakte van het minderjarig kind, afschrift van het identiteitsbewijs, afschrift van het echtscheidingsvonnis, de mediationovereenkomst, voor zover van toepassing, en andere stukken die de rechter nodig heeft om te kunnen beslissen in de zaak. Het verzoek is vrijgesteld van zegelrecht.

11 Welke procedure geldt in deze zaken? Is er een spoedprocedure?

De rechter kan gedurende de hele echtscheidingsprocedure bij beschikking in kort geding voorlopige voorzieningen treffen met betrekking tot de woonplaats van minderjarige kinderen, onderhoudsverplichtingen, kindertoelagen en het gebruik van de echtelijke woning (artikel 919 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

12 Kan ik een vergoeding krijgen van de kosten van rechtshulp en de procedure?

De rechtsgrond voor gefinancierde rechtsbijstand is noodbeschikking nr. 51/2008 (Ordonanța de Urgență nr. 51/2008) betreffende gefinancierde rechtsbijstand in civiele zaken, die is gewijzigd en goedgekeurd bij wet nr. 193/2008 (Legea nr. 193/2008), zoals gewijzigd.

Gefinancierde rechtsbijstand kan worden verleend in de vorm van toevoeging van een advocaat, betaling van de kosten van een deskundige of tolk-vertaler, betaling van deurwaarderskosten, vrijstelling, vermindering of uitstel van betaling van griffierechten, of een combinatie hiervan.

Personen die volledig in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand, zijn personen die deel uitmaken van een gezin waarvan het gemiddelde netto-maandinkomen per gezinslid in de laatste twee maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek minder dan 300 RON was. Wanneer het gemiddelde maandinkomen per gezinslid minder dan 600 RON is, worden de kosten van rechtsbijstand voor de helft vergoed. Aanvragers die niet aan deze voorwaarden voldoen, komen desalniettemin in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand wanneer ze aantonen dat ze niet kunnen voldoen aan de gerechtelijke kosten wegens een verschil in levensstandaard tussen de staat waar ze hun woonplaats of gewone verblijfplaats hebben en de forumstaat.

13 Is het mogelijk in beroep te gaan tegen een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid?

Uitspraken in zaken betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag (gewezen in een hoofdprocedure of in een secundaire procedure die naast een echtscheidingsprocedure is ingesteld) zijn alleen vatbaar voor beroep, binnen dertig dagen na wijzing van de uitspraak, of rechterlijke toetsing, wanneer het een uitspraak houdende goedkeuring van een ouderschapsovereenkomst betreft.

14 Als het nodig is zich te wenden tot een gerecht of een andere instantie om een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid ten uitvoer te leggen, welke procedure moet ik dan toepassen?

Wanneer de schuldenaar zijn of haar verplichtingen niet vrijwillig nakomt, moet de schuldeiser de deurwaarder hiervan in kennis stellen. De deurwaarder dient vervolgens bij de rechtbank van tenuitvoerlegging een verzoek om tenuitvoerlegging in. De rechtbank doet hierop uitspraak in een besloten zitting, zonder de partijen te horen.

Wanneer het verzoek wordt toegewezen, betekent de deurwaarder een bevel en een dagvaarding aan de ouder of de persoon bij wie het minderjarig kind is geplaatst, waarbij die ouder/persoon wordt meegedeeld op welke datum hij of zij samen met het kind moet verschijnen om het kind aan de (andere) ouder over te dragen, of waarbij de verschuldigde ouder/persoon wordt gelast om de (andere) ouder in staat te stellen zijn of haar recht op omgang met het kind uit te oefenen.

Wanneer de schuldenaar in verzuim blijft, gaat de deurwaarder over tot gedwongen tenuitvoerlegging. Dat gebeurt in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van het directoraat-generaal voor sociale ondersteuning en kinderbescherming en, voor zover nodig, een psychiater en politieambtenaren. De minderjarige mag door niemand worden geïntimideerd of onder druk worden gezet om mee te werken aan de tenuitvoerlegging.

Indien de schuldenaar zijn of haar verplichtingen niet nakomt, blijft de door de rechter opgelegde dwangsom op hem of haar rusten en verzoekt de deurwaarder de openbare aanklager om vervolging in te stellen.

Indien de minderjarige weigert, doet de executeur de vertegenwoordiger van het directoraat-generaal voor sociale ondersteuning en kinderbescherming het officiële verslag toekomen en gelast de bevoegde rechter de minderjarige om een counsellingprogramma te volgen, dat wordt afgerond met het verslag van een psychiater. Indien de minderjarige na hervatting van de gedwongen tenuitvoerlegging nog steeds weigert, kan de schuldeiser de rechter verzoeken een dwangsom op te leggen.

15 Wat moet ik doen om een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid die door een gerecht in een andere lidstaat is gegeven, in deze lidstaat te laten erkennen en ten uitvoer te laten leggen?

Op de erkenning van een in het buitenland gegeven beslissing betreffende het ouderlijk gezag is Verordening (EG) nr. 2201/2003 van toepassing. Het verzoekschrift moet worden ingediend bij de rechtbank van de woon- of verblijfplaats van de verweerder in Roemenië. Een beslissing houdende erkenning van een in het buitenland gegeven beslissing is vatbaar voor hoger beroep bij het relatief bevoegde hof van beroep (Curtea de Apel) of voor toetsing door het hof van cassatie (Înalta Curte de Casație și Justiție).

16 Tot welk gerecht in deze lidstaat moet ik mij wenden om mij te verzetten tegen de erkenning van een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid die is gegeven door een gerecht in een andere lidstaat? Welke procedure is in dit geval van toepassing?

Om zich te verzetten tegen de erkenning van een in het buitenland gegeven beslissing betreffende het ouderlijk gezag moet de belanghebbende zich richten tot de rechtbank van de woon- of verblijfplaats van de verweerder in Roemenië.

17 Welk recht wordt door het gerecht toegepast in een proces over ouderlijke verantwoordelijkheid waarbij het kind of de partijen niet in deze lidstaat wonen of verschillende nationaliteiten hebben?

Ingevolge artikel 2611 BW wordt het toepasselijke recht voor zaken betreffende het ouderlijk gezag en kinderbescherming bepaald op grond van het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, dat is geratificeerd bij wet nr. 361/2007.

Laatste update: 31/10/2016

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Feedback

Met onderstaand formulier kunt u ons opmerkingen en feedback sturen over onze nieuwe website