Ouderlijke verantwoordelijkheid: gezag en omgangsrecht

Tsjechië
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Wat betekent het begrip “ouderlijke verantwoordelijkheid” in de praktijk? Wat zijn de rechten en plichten van degene die ouderlijke verantwoordelijkheid draagt?

De term “ouderlijke verantwoordelijkheid” is vastgelegd in het burgerlijk wetboek (wet. nr. 89/2012). Met deze term wordt uitdrukking gegeven aan het volgende geheel van rechten en plichten van ouders:

  • zorgen voor het kind, met name voor zijn of haar gezondheid en lichamelijke, emotionele, intellectuele en morele ontwikkeling,
  • beschermen van het kind,
  • onderhouden van persoonlijk contact met het kind,
  • zorg dragen voor de opvoeding en opleiding van het kind,
  • bepalen van de woonplaats van het kind,
  • wettelijke vertegenwoordiging van het kind en beheren van zijn of haar vermogen.

De ouderlijke verantwoordelijkheid begint bij de geboorte van het kind en eindigt wanneer het kind volledig handelingsbekwaam is geworden. De duur en reikwijdte van de ouderlijke verantwoordelijkheid kan alleen door de rechter worden gewijzigd. De ouderlijke verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend in het belang van het kind. Voordat ouders een beslissing nemen die raakt aan die belangen, moeten ze alle informatie verstrekken die het kind nodig heeft om een eigen mening over de kwestie te vormen en die mening jegens hen tot uitdrukking te brengen. Dat geldt niet als het kind niet in staat is om die informatie op de juiste wijze te verwerken, een eigen mening te vormen of zijn of haar ouders van die mening in kennis te stellen. Bij het nemen van de beslissing moeten de ouders in het bijzonder rekening houden met de mening van het kind. De ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot de persoon van het kind wordt uitgeoefend op een wijze en in een mate die in overeenstemming is met zijn of haar ontwikkelingsniveau. Wanneer de ouders een beslissing nemen over de opleiding of het toekomstige beroep van het kind, moeten ze rekening houden met zijn of haar mening, vaardigheden en talenten.

Totdat het kind handelingsbekwaam is, hebben de ouders het recht om sturing te geven aan het kind middels opvoedkundige maatregelen die passen bij zijn of haar ontwikkelingsniveau, waaronder het opleggen van restricties die zijn gericht op de bescherming van de morele integriteit, gezondheid en rechten van het kind, maar ook op de bescherming van de rechten van derden en de openbare orde. Het kind moet zich aan deze maatregelen onderwerpen. Opvoedkundige middelen mogen alleen worden gebruikt in een vorm en mate die passen bij de omstandigheden, geen gevaar vormen voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind en de waardigheid van het kind niet aantasten.

Er wordt uitgegaan van de aanname dat een minderjarige die niet volledig handelingsbekwaam is, rechtshandelingen kan verrichten waarvoor minderjarigen van zijn of haar leeftijd in intellectueel en volitief opzicht voldoende volwassen worden geacht. De ouders hebben het recht en de plicht om het kind te vertegenwoordigen in alle gerechtelijke procedures waarvoor het volgens de wet handelingsonbekwaam is. De ouders vertegenwoordigen gezamenlijk het kind, maar kunnen daarbij afzonderlijk optreden. Als een van de ouders in een aangelegenheid die het kind aangaat, alleen handelt jegens een derde, en daarbij te goeder trouw handelt, wordt hij of zij geacht met instemming van de andere ouder te handelen. Een ouder kan een kind niet vertegenwoordigen in een zaak waarbij sprake is van een belangenconflict tussen de ouder en het kind of tussen kinderen van dezelfde ouders. Als dat het geval is, benoemt de rechter een voogd voor het kind. Als de ouders het er niet over eens kunnen worden wie van hen het kind in een gerechtelijke procedure zal vertegenwoordigen, beslist de rechter op schriftelijk verzoek van een van de ouders welke ouder het kind in rechte zal vertegenwoordigen en op welke wijze.

De ouders hebben de plicht en het recht om het vermogen van het kind te beheren. Ze moeten dat naar beste vermogen doen. Met financiële middelen waarvan kan worden aangenomen dat ze niet nodig zijn ter dekking van de kosten van het beheer van het vermogen van het kind, moet voorzichtig worden omgegaan. In gerechtelijke procedures die betrekking hebben op afzonderlijke bestanddelen van het vermogen van het kind, treden de ouders op als de wettelijke vertegenwoordigers van het kind. Een ouder kan een kind niet vertegenwoordigen in een zaak waarbij sprake is van een belangenconflict tussen de ouder en het kind of tussen kinderen van dezelfde ouders. Als dat het geval is, benoemt de rechter een voogd voor het kind. Wanneer een ouder de verplichting om het vermogen van het kind naar beste vermogen te beheren, schendt, moet hij of zij het kind een vergoeding voor de geleden schade betalen, waarvoor de ouders hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk zijn. Wanneer de ouders het over bepaalde essentiële kwesties met betrekking tot het vermogen van het kind oneens zijn, beslist de rechter op verzoek van een van de ouders. Voor rechtshandelingen die verband houden met bestaand of toekomstig vermogen van het kind, of afzonderlijke bestanddelen daarvan, hebben de ouders de toestemming van de rechter nodig, tenzij de handelingen betrekking hebben op dagelijkse aangelegenheden of de bedragen die ermee gemoeid zijn, zeer gering zijn.

2 Wie heeft normaal gesproken de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind?

Ouderlijke verantwoordelijkheid is een verplichting die rust op beide ouders. Elke ouder draagt die verantwoordelijkheid, tenzij ze hem of haar is ontnomen. Het is niet relevant of de ouders wel of niet getrouwd zijn, of dat het kind binnen het huwelijk is geboren of buitenechtelijk is.

De ouders oefenen de ouderlijke verantwoordelijkheid in onderling overleg uit. Wanneer een beslissing die het kind aangaat geen uitstel verdraagt, kan een van de ouders die beslissing alleen nemen of alleen toestemming geven. Hij of zij moet de andere ouder echter onverwijld in kennis stellen van de stand van zaken. Als een van de ouders in een aangelegenheid die het kind aangaat, alleen handelt jegens een derde, en daarbij te goeder trouw handelt, wordt hij of zij geacht met instemming van de andere ouder te handelen. Wanneer de ouders het niet eens kunnen worden over een voor het kind belangrijke aangelegenheid, en met name wanneer die aangelegenheid de belangen van het kind raakt, beslist de rechter, op schriftelijk verzoek van een van de ouders. Dat geldt ook als een van de ouders door de andere oudere buiten de besluitvorming over een voor het kind belangrijke aangelegenheid is gehouden. Belangrijke aangelegenheden in dit verband zijn bijvoorbeeld het bepalen van de woonplaats van het kind, de schoolkeuze en de keuze van een baan, maar niet het ondergaan van normale medische en vergelijkbare handelingen.

De rechtbank kan de ouderlijke verantwoordelijkheid tijdelijk opheffen als ouders door zwaarwegende omstandigheden hun ouderlijke verantwoordelijkheid niet kunnen uitoefenen en als dat in het belang van het kind is. Wanneer een ouder zich niet goed kwijt van zijn of haar ouderlijke verantwoordelijkheid en zulks in het belang van het kind is, kan de rechter de ouderlijke verantwoordelijkheid of de uitoefening ervan beperken, waarbij hij tegelijkertijd een beslissing neemt over de reikwijdte van de beperking. Wanneer een ouder zijn of haar ouderlijke verantwoordelijkheid of de uitoefening ervan misbruikt of ernstig veronachtzaamt, kan de rechter hem of haar de ouderlijke verantwoordelijkheid ontnemen. Wanneer een ouder opzettelijk een misdrijf tegen zijn of haar kind pleegt, of zijn of haar kind – dat niet strafrechtelijk aansprakelijk is – gebruikt voor het plegen van een misdrijf, gaat de rechtbank met name na of er gronden zijn om de ouder de ouderlijke verantwoordelijkheid te ontnemen.

Wanneer een van de ouders is overleden of onbekend is, of wanneer een van de ouders geen ouderlijke verantwoordelijkheid heeft of de uitoefening daarvan is opgeschort, wordt de ouderlijke verantwoordelijkheid uitgeoefend door de andere ouder. Dat geldt ook als voor een van de ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid of de uitoefening ervan is beperkt. Wanneer geen van de ouders de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid heeft, voor beiden de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid is opgeschort en/of hun ouderlijke verantwoordelijkheid op een van de genoemde wijzen is beperkt, maar niet voor beide ouders op dezelfde wijze of in dezelfde mate, benoemt de rechter een voogd voor het kind, die dezelfde rechten en plichten als de ouders krijgt of die rechten en plichten in plaats van de ouders zal uitoefenen. Wanneer de ouderlijke verantwoordelijkheid of de uitoefening ervan wordt beperkt, benoemt de rechter een voogd voor het kind.

Wanneer een kind wordt geadopteerd, gaan de uit de ouderlijke verantwoordelijkheid voortvloeiende rechten en plichten op het moment dat de adoptiebeslissing definitief wordt, over op de adoptieouder.

3 Kan een andere persoon in plaats van de ouders worden aangewezen, als de ouders de verantwoordelijkheid voor hun kinderen niet kunnen of willen uitoefenen?

Wanneer de rechter beslist om de handelingsbekwaamheid van een ouder te beperken, zal hij ook een beslissing nemen over de ouderlijke verantwoordelijkheid van die ouder. De uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid door een minderjarige ouder die nog niet op grond van een huwelijksakte volledig handelingsbekwaam is geworden, wordt opgeschort totdat hij of zij volledig handelingsbekwaam is. Dat geldt niet voor de uitoefening van het recht en de plicht tot verzorging van het kind, tenzij de rechter met betrekking tot de persoon van de ouder beslist dat ook de uitoefening daarvan wordt opgeschort totdat de ouder volledig handelingsbekwaam is. De uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid door een ouder van wie de handelingsbekwaamheid op dit terrein is beperkt, wordt opgeschort voor de duur van die beperking, tenzij de rechter beslist dat de ouder, gezien zijn of haar persoon, het recht en de plicht tot verzorging van en omgang met het kind behoudt.

Wanneer allebei de ouders die hun ouderlijke verantwoordelijkheid onbeperkt zouden moeten uitoefenen, afwezig zijn, benoemt de rechter een voogd voor het kind. Een voogd heeft jegens het kind in essentie dezelfde rechten en plichten als de ouders, maar heeft geen onderhoudsplicht. In uitzonderlijke gevallen kunnen de rechten en plichten anders worden geregeld, waarbij rekening moet worden gehouden met de persoon van de voogd en de situatie van het kind, alsook met de redenen waarom de ouders niet alle rechten en plichten hebben. Een voogd moet volledig handelingsbekwaam zijn en zijn of haar manier van leven moet hem of haar in staat stellen de taak goed te vervullen. De rechter kan ook twee personen tot voogd benoemen. In de regel zullen die personen getrouwd zijn. Wanneer een van de ouders zelf een voogd heeft aangewezen, zal de rechter die persoon tot voogd benoemen, mits dit niet in strijd is met de belangen van het kind. Als geen door een ouder aangewezen persoon kan worden benoemd, benoemt de rechter een verwant of iemand waarmee het kind een goede verstandhouding heeft, tot voogd, tenzij een ouder zich uitdrukkelijk verzet tegen die benoeming. Wanneer er geen dergelijke persoon is, benoemt de rechter een andere geschikte persoon tot voogd. Wanneer geen natuurlijke persoon tot voogd kan worden benoemd, benoemt de rechter de instantie voor jeugdzorg en kinderbescherming tot voogd totdat een natuurlijke persoon kan worden benoemd of een natuurlijke persoon de benoeming aanvaardt. Een voogd staat onder toezicht van de rechter. Zowel aan het begin als aan het einde van zijn of haar voogdijschap maakt hij of zij een boedelbeschrijving op. Op gezette tijden dient hij of zij bij de rechter een rapport in over de situatie en de ontwikkeling van het kind en een verslag over het vermogensbeheer. Elke beslissing van de voogd over andere dan dagelijkse aangelegenheden behoeft de goedkeuring van de rechter.

Een andere mogelijkheid is om het kind bij een pleegouder te plaatsen. Pleegouderschap is het opvoeden en verzorgen van het kind van iemand anders. In tegenstelling tot adoptie brengt pleegouderschap echter niet de erkenning van het kind als een eigen kind met zich mee. Bij de opvoeding en verzorging van het kind heeft een pleegouder tot op zekere hoogte dezelfde rechten en plichten als de ouders. Hij of zij heeft het recht en de plicht om te beslissen over dagelijkse aangelegenheden met betrekking tot de opvoeding en verzorging van het kind, om het kind in die aangelegenheden te vertegenwoordigen en om zijn of haar vermogen te beheren. Over belangrijke aangelegenheden moet hij of zij de ouders informeren. Zo nodig verleent de rechter de pleegouder aanvullende rechten, c.q. legt hij hem of haar aanvullende verplichtingen op. De ouders behouden de rechten en plichten die uit de ouderlijke verantwoordelijkheid voortvloeien, waaronder het omgangs- en informatierecht, uitgezonderd de rechten en plichten die volgens de wet bij het pleegouderschap horen, tenzij de rechter om bijzondere redenen een andere beslissing neemt. De pleegouder heeft geen onderhoudsverplichting jegens het kind.

Een pleegouder moet garanties kunnen bieden voor een goede opvoeding en verzorging, ingezetene van Tsjechië zijn en ermee instemmen dat het kind aan zijn of haar zorg wordt toevertrouwd. Hij of zij is in de regel een verwant van het kind, maar het kan ook iemand anders zijn bij wie de instantie voor jeugdzorg en kinderbescherming pleegzorg heeft georganiseerd (de regionale rechtbanken bewaren voor dit doel bewijs van de geschiktheid van pleegouders in spe). De rechter kan een kind voor bepaalde tijd bij een pleegouder plaatsen (bijvoorbeeld voor de duur dat een ouder voor behandeling is opgenomen), maar hij kan dat ook voor onbepaalde tijd doen. Pleegzorg kan een oplossing zijn voor een crisissituatie in een gezin of een manier om een kind in een alternatief gezin opvoeding en zorg te geven. Om het aantal in instellingen of soortgelijke faciliteiten geplaatste kinderen te verminderen, heeft pleegzorg voorrang boven institutionele zorg. Een pleegouder ontvangt van de staat een uitkering voor de pleegzorg (bijvoorbeeld in de vorm van een bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van het kind, een bijdrage aan het einde van de pleegzorg of een beloning).

Verder is in het burgerlijk wetboek de overdracht van het gezagsrecht op een andere persoon geregeld voor gevallen waarin noch de ouders noch een voogd zorg kunnen dragen voor de opvoeding en verzorging van het kind. Deze regeling is geen alternatief voor pleegzorg of vormen van zorg die vooraf moeten gaan aan adoptie. Ze heeft voorrang boven institutionele zorg. De verzorger moet een garantie kunnen geven voor een goede opvoeding en verzorging, ingezetene van Tsjechië zijn en ermee instemmen dat het kind aan zijn of haar zorg wordt toevertrouwd. De rechten en plichten van de verzorger worden vastgesteld door de rechter. Als de rechter daarover geen beslissing heeft genomen, is de wetgeving inzake pleegzorg van toepassing.

De ouders kunnen zich, als de wettelijke vertegenwoordigers van het kind, voor het regelen van de aangelegenheden van het kind laten vertegenwoordigen door een deskundige of andere geschikte persoon, tenzij het aangelegenheden zijn die betrekking hebben op het kind als persoon. Wanneer het kind een overeenkomst van vertegenwoordiging ondertekent, heeft dit geen enkel gevolg voor de wettelijke vertegenwoordiging van het kind door de ouders. Wanneer de wettelijke en contractuele vertegenwoordigers het niet eens kunnen worden, beslist de rechter met inachtneming van de belangen van het kind.

Wanneer de opvoeding van het kind of zijn of haar lichamelijke, intellectuele of geestelijke gesteldheid of ontwikkeling gevaar loopt of dusdanig wordt verstoord dat daarmee de belangen van het kind worden geschaad, en/of wanneer de ouders de opvoeding van het kind niet kunnen verzekeren, kan de rechter als noodzakelijke maatregel institutionele zorg gelasten. De rechter doet dit met name wanneer eerdere maatregelen geen effect hebben gesorteerd. Gedurende de periode dat de maatregel van kracht is, zal de rechter voortdurend nagaan of het niet beter zou zijn om het kind aan de zorg van een natuurlijke persoon toe te vertrouwen. Institutionele zorg kan worden gelast voor een periode van maximaal drie jaar, maar kan bij ongewijzigde omstandigheden steeds weer worden verlengd (telkens met maximaal drie jaar). Als de gronden waarop de institutionele zorg werd gelast, niet meer bestaan, of als het mogelijk is het kind opvoeding en verzorging via andere dan institutionele zorg te geven, zal de rechter de maatregel onverwijld opheffen en tegelijkertijd op basis van de omstandigheden beslissen aan wie de zorg voor het kind wordt toevertrouwd.

4 Hoe wordt de ouderlijke verantwoordelijkheid geregeld als de ouders van echt scheiden of uit elkaar gaan?

Een essentiële voorwaarde voor echtscheiding is dat de ouders afspraken hebben gemaakt over de zorg voor de kinderen. De rechter wijkt hier alleen van af als die afspraken niet in het belang van het kind zijn. De rechter kan één of beide ouders met de zorg voor het kind belasten. In het tweede geval wordt nog een onderscheid gemaakt tussen gezamenlijke en gedeelde zorg (co-ouderschap). Als dit in het belang van het kind is, kan de rechter het kind ook aan de zorg van iemand anders dan de ouders toevertrouwen. De rechter houdt bij zijn beslissing rekening met de persoonlijkheid van het kind, in het bijzonder zijn of haar talenten en vaardigheden tot ontplooiing, en de levensstijl van de ouders, alsook met de emotionele oriëntatie en achtergrond van het kind, het vermogen van elk van de ouders om te voorzien in de opvoeding van het kind, de huidige en verwachte leeromgeving van het kind (is deze stabiel?), en de emotionele banden van het kind met zijn of haar broers en zusters, grootouders of andere al dan niet verwante personen. De rechter zal altijd kijken welke ouder tot op dat moment goed voor het kind heeft gezorgd en de emotionele, intellectuele en morele opvoeding van het kind ter hand heeft genomen, en welke ouder het kind de beste mogelijkheden voor een gezonde en succesvolle ontwikkeling biedt. De rechter houdt ook rekening met het recht van het kind op zorg van beide ouders en op regelmatig persoonlijk contact met beide ouders, en met het recht van de niet-inwonende ouder op actuele informatie over het kind. Verder kijkt de rechter in hoeverre de niet-inwonende ouder mee kan beslissen over de opvoeding van het kind. Wanneer de ouders een ouderschapsovereenkomst hebben gesloten, zal de rechter die overeenkomst in de regel goedkeuren, tenzij de wijze waarop de ouderlijke verantwoordelijkheid daarin is geregeld, kennelijk niet in het belang van het kind is.

Wanneer de ouders van een minderjarig kind dat niet volledig handelingsbekwaam is, niet samenwonen, en ze het niet eens kunnen worden over een regeling betreffende de zorg voor dat kind, beslist de rechter hier ambtshalve over. De rechter hanteert dan dezelfde uitgangspunten als wanneer hij bij echtscheiding over de zorg voor het kind moet beslissen.

De ouder die de zorg voor het kind heeft, treft samen met de niet-verzorgende ouder een omgangsregeling voor het kind. Als de ouders het daar niet over eens kunnen worden, of als zulks nodig is voor de opvoeding van het kind en de betrekkingen binnen het gezin, stelt de rechter een omgangsregeling vast. In gemotiveerde gevallen kan de rechter ook beslissen op welke plaats het contact tussen ouder en kind zal plaatsvinden. Indien het belang van het kind dit vereist, zal de rechter het omgangsrecht van de betreffende ouder beperken of omgang met het kind zelfs helemaal verbieden.

Als de omstandigheden veranderen, zal de rechter de beslissing inzake de uitoefening van de rechten en plichten die uit de ouderlijke verantwoordelijkheid voortvloeien, ambtshalve of op verzoek wijzigen.

5 Welke formaliteiten moeten in acht worden genomen om onderlinge overeenstemming van de ouders betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid juridisch bindend te maken?

In het geval van echtscheiding moet in de ouderschapsovereenkomst de bijdrage van elke ouder in de zorg voor de kinderen zijn geregeld. In die overeenkomst kan ook de omgang tussen ouders en kind zijn geregeld. Een ouderschapsovereenkomst behoeft de goedkeuring van de rechter. De rechter zal die goedkeuring in de regel geven, tenzij de wijze waarop de ouderlijke verantwoordelijkheid daarin is geregeld, kennelijk niet in het belang van het kind is. Hetzelfde geldt voor een ouderschapsovereenkomst tussen ouders die niet samenwonen.

6 Als de ouders het niet eens worden over de ouderlijke verantwoordelijkheid, wat voor mogelijkheden zijn er dan om het conflict buiten het gerecht om op te lossen?

Bij geschillen over de zorg voor een minderjarig kind zal de rechter, ter bescherming van de belangen van dat kind, de ouders tot een minnelijke schikking proberen te bewegen. De rechter kan de ouders zelfs opdragen om gedurende maximaal drie maanden aan verzoenings- of mediationbijeenkomsten deel te nemen of in gezinstherapie te gaan. Hij kan de ouders ook opdragen om een kinderpsychiater te bezoeken.

Verder kan gebruik worden gemaakt van de diensten van huwelijks- en gezinsadviesbureaus die via psychiaters en maatschappelijk werkers kunnen helpen bij het oplossen van huwelijks- en gezinsproblemen.

Daarnaast zal de instantie voor jeugdzorg en kinderbescherming een ouder die de rechten van zijn of haar kind of van de andere ouder schendt (recht op zorg, op regelmatig contact enz.) ervan proberen te overtuigen dat die rechten moeten worden gerespecteerd, door educatie over de toepasselijke wetgeving en door hem of haar te wijzen op de gevolgen van zijn of haar gedrag. Die instantie kan ouders die problemen in verband met de opvoeding van hun kind hebben, ook opdragen om zich te laten helpen door een huwelijks- of gezinscounselor, met name bij geschillen over de opvoeding van het kind of bezoekrechten.

7 Over welke zaken betreffende het kind kan de rechter beslissen als de ouders de zaak aan de rechter voorleggen?

Onder genoemde voorwaarden kan de rechter op verzoek van de ouders met name beslissen over de volgende kwesties betreffende de betrekkingen tussen ouders en kinderen:

  1. rechten van persoonlijke aard (bijv. bepalen van de voor- en achternaam van het kind of het geven van toestemming voor adoptie van het kind);
  1. de zorg voor en omgang met het kind;
  1. alternatieve vormen van zorg voor het kind (bijv. voogdij, verzorging door anderen dan de ouders of een voogd, pleegzorg en institutionele zorg);
  1. onderhoudsverplichtingen;
  1. vertegenwoordiging van het kind en beheer van zijn of haar vermogen; geven van toestemming voor rechtshandelingen van het kind;
  1. belangrijke aangelegenheden voor het kind waarover de ouders het niet eens kunnen worden (daartoe behoren met name het bepalen van de woonplaats van het kind, de schoolkeuze en de keuze van een baan, maar niet het ondergaan van normale medische en vergelijkbare handelingen).

De meest gangbare kwesties waarover de rechter zich moet buigen, zijn de vraag wie met de zorg voor het kind moet worden belast, hoe de omgang met het kind moet plaatsvinden en hoe hoog de onderhoudsbijdrage van de niet-verzorgende ouder is.

8 Als het gerecht de voogdij over een kind toewijst aan een van de ouders, betekent dit dan dat deze ouder over alle zaken betreffende het kind kan beslissen zonder eerst de andere ouder te raadplegen?

De zorg voor het kind is slechts een van de ouderlijke rechten en plichten die onder de ouderlijke verantwoordelijkheid vallen. Wanneer de niet-verzorgende ouder de ouderlijke verantwoordelijkheid niet is ontnomen en de uitoefening ervan ook niet is beperkt of opgeschort, blijft die ouder bepaalde aspecten van de ouderlijke verantwoordelijkheid uitoefenen en heeft hij of zij nog steeds het recht om in belangrijke aangelegenheden betreffende het kind mee te beslissen. De ouderlijke verantwoordelijkheid wordt door de ouders uitgeoefend in onderling overleg en in het belang van het kind. Wanneer het risico bestaat dat er vertraging optreedt bij de besluitvorming over een aangelegenheid betreffende het kind, kan een van de ouders de beslissing alleen nemen of alleen toestemming geven. Hij of zij moet de andere ouder echter onverwijld in kennis stellen van de stand van zaken.

Wanneer de ouders het niet eens kunnen worden over een voor het kind belangrijke aangelegenheid, en met name wanneer die aangelegenheid de belangen van het kind raakt, beslist de rechter, op schriftelijk verzoek van een van de ouders. Dat geldt ook als een van de ouders door de andere ouder buiten de besluitvorming over een voor het kind belangrijke aangelegenheid is gehouden. Ook wanneer de ouders het er niet over eens kunnen worden wie van hen het kind zal vertegenwoordigen in een gerechtelijke procedure of in belangrijke aangelegenheden met betrekking tot het beheer van het vermogen van het kind, beslist de rechter op verzoek van een van de ouders.

De ouders moeten elkaar informeren over alle belangrijke aangelegenheden met betrekking tot het kind en zijn of haar belangen.

9 Wat betekent het in de praktijk als het gerecht beslist dat de ouders gezamenlijk ouderlijke verantwoordelijkheid dragen?

Het burgerlijk wetboek maakt een onderscheid tussen ouderschap van één van de ouders, gezamenlijke en gedeelde zorg (co-ouderschap) en voogdij (verzorging en opvoeding van het kind door iemand anders dan de ouders). Wanneer de rechter moet beslissen aan wie de zorg voor een kind wordt toevertrouwd, kiest hij voor een oplossing die de belangen van het kind het best dient. De rechter kan beslissen dat de ouders de gezamenlijke of gedeelde zorg voor het kind krijgen als ze in staat zijn om met elkaar te communiceren en samen te werken.

Gezamenlijke zorg

Bij deze vorm van zorgregeling wordt de zorg voor het kind niet aan een bepaalde ouder toevertrouwd. Dat betekent in de praktijk dat de ene ouder bijvoorbeeld voorziet in de onderwijsbehoeften van het kind en de andere in de sportactiviteiten, of dat de ene de talenstudie regelt, terwijl de andere zich richt op buitenschoolse activiteiten. De ouders zorgen er samen voor dat wordt voorzien in medische zorg en de materiële behoeften van het kind (bijv. koken, schoonmaken, kleding kopen). Gezamenlijke zorg is alleen mogelijk met toestemming van de ouders.

Gedeelde zorg (co-ouderschap)

Co-ouderschap betekent dat de ouders beurtelings, voor een door de rechter nauwkeurig bepaalde periode, de zorg voor het kind hebben. De rechter neemt ook een beslissing over de rechten en plichten die de ouders dan hebben.

10 Tot welk gerecht of welke instantie moet ik mij wenden om een verzoek betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid te doen? Aan welke formaliteiten moet ik voldoen en welke documenten moet ik bij mijn verzoek voegen?

Verzoeken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid moeten worden ingediend bij de districtsrechtbank (in Praag de kantonrechtbank, in Brno de gemeentelijke rechtbank) van de woonplaats van het kind of, bij ontstentenis daarvan, de districtsrechtbank van zijn of haar verblijfplaats. De rechter kan in aangelegenheden betreffende minderjarige kinderen ook ambtshalve beslissen.

De eisen waaraan een verzoek moet voldoen, hangen af van het soort verzoek. Wat in ieder geval moet worden vermeld, is de volledige naam en het adres of het nummer van de geboorteakte van de partijen en hun vertegenwoordigers en een omschrijving van de relevante feiten en van het bewijs waarop het verzoek is gebaseerd. Ook moet natuurlijk duidelijk zijn waar de rechtbank precies om wordt verzocht en aan welke rechtbank het verzoek is gericht.

Het verzoek moet vergezeld gaan van alle stukken die de rechter nodig heeft om te kunnen beslissen in de zaak, zoals het geboortebewijs, de huwelijksakte en eerdere rechterlijke beslissingen met betrekking tot het kind. Het verzoek moet op schrift zijn gesteld en worden ingediend in voldoende exemplaren, namelijk één exemplaar voor de rechtbank en één voor elke partij, voor zover nodig.

11 Welke procedure geldt in deze zaken? Is er een spoedprocedure?

Procedures voor gerechtelijke ondertoezichtstelling van een minderjarige kunnen door de rechter zowel op verzoek als ambtshalve worden ingeleid.

Nog voordat de rechter ten gronde over de zaak heeft beslist, kan hij, als dat nodig is voor de voorlopige regeling van de betrekkingen tussen de partijen, of als het risico bestaat dat zijn beslissing niet zal worden uitgevoerd, bij wijze van voorlopige voorziening een van de partijen gelasten om in het noodzakelijke levensonderhoud van het kind te voorzien en/of een van de ouders of een andere door de rechter aangewezen persoon, met de zorg voor het kind belasten. Een voorlopige voorziening wordt in de regel getroffen op verzoek van een van de partijen. Wanneer een procedure ten gronde ambtshalve kan worden ingeleid (wat bij procedures voor gerechtelijke ondertoezichtstelling van een minderjarige het geval is), kan een voorlopige voorziening in die procedure echter ook ambtshalve worden getroffen. Tenzij de wet anders bepaalt, wordt een voorlopige voorziening getroffen door de rechter die bevoegd is om ten gronde kennis te nemen van de zaak. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van artikel 42, lid 4, en artikel 75 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (wet nr. 99/1963, zoals gewijzigd): vermelding van de naam van de rechtbank waaraan het verzoek is gericht; de gegevens van de verzoeker; het onderwerp van het verzoek en een beschrijving van de feiten die de verzochte voorlopige voorziening rechtvaardigen; het doel van het verzoek en meer in het bijzonder de voorlopige voorziening waarom wordt verzocht; gegevens waaruit blijkt dat het nodig is om de betrekkingen tussen de partijen voorlopig te regelen of dat het risico bestaat dat de gerechtelijke beslissing niet zal worden uitgevoerd, alsook de datum waarop het verzoekschrift is opgesteld en de handtekening van de verzoeker of zijn of haar vertegenwoordiger. De stukken waarnaar in het verzoekschrift wordt verwezen, moeten worden bijgevoegd. In het algemeen geldt bij voorlopige voorzieningen dat de verzoeker als waarborg voor eventueel te betalen vergoedingen voor schade of ander verlies veroorzaakt door de voorlopige voorziening, uiterlijk op de dag dat hij of zij bij de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening indient, bij de griffie van de rechtbank een waarborgsom ter hoogte van het vastgestelde bedrag moet deponeren. Bij voorlopige voorzieningen betreffende een uitkering tot levensonderhoud of een ambtshalve getroffen voorlopige voorziening, daarentegen, is het deponeren van een waarborgsom niet vereist. Op een verzoek om een voorlopige voorziening wordt door de rechter onverwijld beslist. Wanneer het risico bestaat dat een partij niet aan zijn of haar verplichtingen zal voldoen, kan de rechter al binnen zeven dagen nadat om een voorlopige voorziening is verzocht, op dat verzoek beslissen. De rechter beslist zonder de partijen te horen. Wanneer om een voorlopige voorziening wordt verzocht, zal de rechter de verzoeker opdragen om binnen een bepaalde termijn een verzoek om inleiding van de procedure in te dienen. De rechter kan ook beslissen dat de voorlopige voorziening slechts voor bepaalde tijd van kracht blijft.

De wet inzake bijzondere gerechtelijke procedures (wet nr. 292/2013, zoals gewijzigd) voorziet in een bijzondere voorlopige voorziening voor situaties waarin een minderjarige geen goede zorg ontvangt (ongeacht of iemand ten aanzien van het kind een zorgrecht heeft), of het leven van het kind wordt bedreigd, de ontwikkeling van het kind wordt verstoord of andere wezenlijke belangen van het kind worden geschaad. In een dergelijke situatie kan de rechter, uitsluitend op verzoek van de instantie voor jeugdzorg en kinderbescherming, het kind bij wijze van voorlopige voorziening zo lang als nodig in een door de rechter vast te stellen geschikte omgeving plaatsen. Via een dergelijke maatregel kan een kind om zwaarwegende redenen voor bepaalde tijd bij een pleegouder worden geplaatst, gedurende welke tijd de ouder zijn of haar ouderlijke verantwoordelijkheid niet kan uitoefenen. Nadat de termijn van de maatregel is verstreken, is het eventueel mogelijk om het kind te laten adopteren. Daarvoor is toestemming van de ouders nodig, tenzij de rechter beslist dat die toestemming niet is vereist. Op een verzoek om een voorlopige voorziening wordt door de rechter onverwijld, maar in ieder geval binnen 24 uur, beslist. Nadat de voorlopige voorziening bij rechterlijke beslissing is toegewezen, wordt de maatregel onmiddellijk uitgevoerd, waarbij de rechter samenwerkt met de bevoegde autoriteiten.

12 Kan ik een vergoeding krijgen van de kosten van rechtshulp en de procedure?

Op grond van de wet inzake griffierechten (wet nr. 549/1991, zoals gewijzigd) zijn voogdijprocedures en procedures voor de gerechtelijke ondertoezichtstelling van minderjarigen, vrijgesteld van griffierechten. Dat betekent dat voor een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid geen griffierechten zijn verschuldigd.

Onder bepaalde voorwaarden kan de rechtbank een advocaat toevoegen, die kosteloos of tegen gereduceerd tarief rechtsbijstand verleent. Toevoeging van een advocaat gebeurt op verzoek van een partij die door de rechter naar verwachting geheel of gedeeltelijk zal worden vrijgesteld van de betaling van proceskosten, wanneer dit bijvoorbeeld noodzakelijk is om die partij in staat te stellen haar belangen te verdedigen. Wanneer het noodzakelijk is voor het beschermen van de belangen van de partij kan de rechtbank ook ambtshalve een advocaat toevoegen. De toevoeging van een advocaat moet haar rechtvaardiging vinden in de situatie waarin de verzoeker verkeert (in de praktijk zullen dat ongunstige financiële omstandigheden of een ongunstige sociale situatie zijn, maar daarnaast moet ook altijd naar de specifieke omstandigheden van de zaak worden gekeken). Verder mag de vordering van de partij niet volstrekt willekeurig en kennelijk ongegrond zijn.

De wet betreffende rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen binnen de Europese Unie (wet nr. 629/2004, zoals gewijzigd) regelt de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand voor gerechtelijke procedures in een EU-lidstaat voor natuurlijke personen die in een andere lidstaat wonen. Deze rechtsbijstand wordt verleend in het kader van de eigenlijke rechtszaak en de tenuitvoerlegging van het vonnis.

De wet op de juridische beroepen (wet nr. 85/1996, zoals gewijzigd) regelt de voorwaarden waaronder rechtstreeks bij de Tsjechische orde van advocaten om toevoeging van een advocaat kan worden verzocht.

13 Is het mogelijk in beroep te gaan tegen een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid?

Ja, het is mogelijk beroep in te stellen tegen een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Geschillen over de rechten en plichten die voortvloeien uit ouderlijke verantwoordelijkheid worden in eerste aanleg behandeld door een districtsrechtbank. De beslissing van die rechtbank is vatbaar voor hoger beroep bij een regionale rechtbank of de gemeentelijke rechtbank in Praag. Hoger beroep is mogelijk binnen vijftien dagen nadat een afschrift van de beslissing is betekend, tenzij de wet dit uitsluit (bijvoorbeeld beslissingen houdende goedkeuring van een ouderschapsovereenkomst zijn niet vatbaar voor hoger beroep). Ook een beroepschrift dat na de termijn van vijftien dagen is ingediend, wordt geacht tijdig te zijn ingediend als de reden voor overschrijding van de termijn is gelegen in verkeerde instructies van de rechtbank van beroep.

Sommige beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat ze ten uitvoer kunnen worden gelegd niettegenstaande hoger beroep. Beslissingen tot betaling van levensonderhoud en beslissingen tot verlenging van de duur van een opvoedkundige maatregel waarbij de ouders of een andere persoon tijdelijk uit het gezag over het kind worden ontzet, zijn uitvoerbaar bij voorraad.

14 Als het nodig is zich te wenden tot een gerecht of een andere instantie om een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid ten uitvoer te leggen, welke procedure moet ik dan toepassen?

Voor de tenuitvoerlegging van een beslissing over de zorg voor een minderjarige moet een daartoe strekkend verzoek bij de rechter worden ingediend. De procedure voor de tenuitvoerlegging van beslissingen is geregeld in de wet inzake bijzondere gerechtelijke procedures (wet nr. 292/2013, zoals gewijzigd).

Voor deze procedure is de bevoegde rechtbank de jeugdkamer van de districtsrechtbank (kantonrechtbank in Praag, gemeentelijke rechtbank in Brno) van de woonplaats van de minderjarige, zoals vastgesteld bij overeenkomst tussen de ouders of een beslissing van de rechter of op basis van andere relevante feiten. Het tenuitvoerleggingsverzoek moet alle noodzakelijke informatie bevatten (de gegevens van de rechthebbende en de verbonden partij, de reikwijdte en inhoud van de verplichting van de verbonden partij, de uiterste datum voor nakoming van de verplichting en de rechterlijke beslissing die als executoriale titel dient).

Voordat de rechter de tenuitvoerlegging gelast, zal hij, als er daar bijzondere gronden voor zijn en/of de verbonden partij niet in kennis is gesteld van de gevolgen van niet-nakoming van een verplichting, de verbonden partij verzoeken om vrijwillig gevolg te geven aan de beslissing of overeenkomst en haar informeren over de mogelijkheid om nakoming af te dwingen met een dwangsom of door uithuisplaatsing van het kind. Tevens kan de rechter de bevoegde instantie voor jeugdzorg en kinderbescherming verzoeken om de verbonden partij ertoe te bewegen vrijwillig aan haar verplichtingen te voldoen.

Indien de verbonden partij blijft weigeren om haar verplichtingen na te komen, legt de rechter haar een dwangsom van maximaal 50 000 CZK op. Deze dwangsom kan meerdere keren worden opgelegd. Verder kan de rechter partijen bijvoorbeeld opdragen om in gesprek te gaan met, afhankelijk van de omstandigheden, een mediator of kinderpsychiater of om een omgangsplan te maken waarin is aangegeven hoe de omgangsgerechtigde ouder en het kind geleidelijk kunnen wennen aan de betreffende regeling.

Indien de verplichtingen ondanks de bovenbedoelde maatregelen niet worden nagekomen of uit de omstandigheden duidelijk blijkt dat de maatregelen niet tot het gewenste resultaat leiden, gelast de rechter in uitzonderlijke gevallen de uithuisplaatsing van het kind bij de persoon bij wie het kind volgens de overeenkomst of beslissing niet geacht wordt te zijn. De beslissing tot uithuisplaatsing wordt pas bij de tenuitvoerlegging ervan aan die persoon betekend.

15 Wat moet ik doen om een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid die door een gerecht in een andere lidstaat is gegeven, in deze lidstaat te laten erkennen en ten uitvoer te laten leggen?

Rechterlijke beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid die zijn gegeven in een andere EU-lidstaat, worden in Tsjechië erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 ("Verordening (EG) nr. 2201/2003"), zonder dat een bijzondere procedure is vereist. Iedereen met een rechtmatig belang kan echter bij de rechter een verzoek indienen tot erkenning of niet-erkenning van een in het buitenland gegeven beslissing. In Tsjechië zijn voor dergelijke procedures in eerste aanleg de districtsrechtbanken (kantonrechtbanken in Praag, gemeentelijke rechtbank in Brno) bevoegd. De relatief bevoegde rechtbank is de districtsrechtbank van de woonplaats van de verzoeker, of anders de districtsrechtbank in het rechtsgebied waarvan de situatie waarvoor erkenning van belang is, zich heeft voorgedaan of kan voordoen.

Voordat een in een andere lidstaat gegeven beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid in Tsjechië uitvoerbaar is, moet deze via een bijzondere procedure uitvoerbaar worden verklaard overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/2003. Een verzoek om uitvoerbaarverklaring moet in Tsjechië worden ingediend bij de relatief bevoegde districtsrechtbank (kantonrechtbank in Praag, gemeentelijke rechtbank in Brno). De relatief bevoegde rechtbank is ingevolge Verordening (EG) nr. 2201/2003 de rechtbank van de gewone verblijfplaats van de persoon tegen wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht of de rechtbank van de gewone verblijfplaats van het kind of, wanneer geen van beide plaatsen zich in de lidstaat van tenuitvoerlegging bevindt, de rechtbank van de plaats van tenuitvoerlegging.

Beslissingen betreffende het omgangsrecht en beslissingen waarin de terugkeer van een kind wordt gelast op grond van artikel 11, lid 8, van Verordening (EG) nr. 2201/2003, zijn ingevolge de artikelen 41 en 42 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 uitvoerbaar in een andere lidstaat zonder dat een uitvoerbaarverklaring hoeft te worden verkregen en zonder dat men zich tegen de erkenning ervan kan verzetten, indien met betrekking tot die beslissingen in de lidstaat van herkomst een certificaat is afgegeven volgens het in een bijlage bij Verordening (EG) nr. 2201/2003 opgenomen modelformulier.

Bij verzoeken om erkenning of niet-erkenning of om uitvoerbaarverklaring van een buitenlandse beslissing moet een kopie van de beslissing worden gevoegd die voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan (bijvoorbeeld een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift), en een certificaat als bedoeld in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 2201/2003, dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de beslissing is gegeven, met gebruikmaking van het in een bijlage bij de verordening opgenomen modelformulier. Indien het een beslissing bij verstek betreft, moet tevens worden overgelegd het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het stuk waaruit blijkt dat het inleidende verzoekschrift of een gelijkwaardig stuk aan de niet-verschenen partij is betekend of medegedeeld, of enig stuk waaruit blijkt dat de verweerder ondubbelzinnig met de beslissing instemt. Bij gebreke van overlegging van voornoemd certificaat of het bij een verstekbeslissing vereiste stuk, wordt de procedure van artikel 38, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2201/2003 gevolgd.

Onder de in de verordening vermelde voorwaarden is de procedure voor de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat gegeven beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid dezelfde als die voor de tenuitvoerlegging van een nationale beslissing. Voor meer informatie zie het antwoord op de vorige vraag.

16 Tot welk gerecht in deze lidstaat moet ik mij wenden om mij te verzetten tegen de erkenning van een beslissing over ouderlijke verantwoordelijkheid die is gegeven door een gerecht in een andere lidstaat? Welke procedure is in dit geval van toepassing?

Tegen een rechterlijke beslissing kan beroep worden aangetekend bij de rechtbank die de beslissing heeft gegeven. Het beroep wordt vervolgens door een hogere rechtbank behandeld.

17 Welk recht wordt door het gerecht toegepast in een proces over ouderlijke verantwoordelijkheid waarbij het kind of de partijen niet in deze lidstaat wonen of verschillende nationaliteiten hebben?

In procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt het toepasselijke recht bepaald op basis van het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen. Voor Tsjechië bindende bilaterale verdragen hebben voorrang boven het verdrag van 1996, tenzij een verklaring als bedoeld in artikel 52, lid 1, van het verdrag is opgesteld waarin is bepaald dat het verdrag voorrang heeft (een dergelijke verklaring is opgesteld in het kader van het bilaterale verdrag tussen Tsjechië en Polen).

Laatste update: 06/03/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.